Hoofdstuk 14

Na deze woordenwisseling bleef het even stil. Ik hield wijselijk mijn mond. Marcus houdt er niet van als iemand hem confronteert met dingen die voor de hand liggen. Tenslotte zei hij kortaf: 'Je hebt ongetwijfeld gelijk, zoals gewoonlijk. Maar als dat flesje van Phyllidia, zoals jij zei, niet is gebruikt om Felix te vermoorden, hebben we geen verder licht op dit raadsel geworpen, lijkt mij. Tenzij je nog iets anders hebt ontdekt?'

Ik vertelde hem in het kort wat ik te weten was gekomen.

'Dus, excellentie,' besloot ik, 'deze informatie heb ik bijeen gesprokkeld in Glevum. Ik sta natuurlijk tot uw beschikking, als u wenst dat ik dit onderzoek voortzet.'

Hij keek me koeltjes aan. 'Ik ken je, Libertus. Jij stelt niet zomaar voor je werkplaats achter te laten. Wat wil je van me?'

Als ik niet zo'n oude man was, had ik een kleur gekregen. Ik had niet gedacht dat ik zo gemakkelijk te doorzien was. 'Felix had Eboracum bezocht,' opperde ik. 'En Egobarbus en zijn gezelschap kwamen ook uit die richting. Wat had de Kelt zoveel mijlen van huis te zoeken? Dat lijkt mij op zijn minst het onderzoeken waard.'

Hij keek me aan. 'Het zou een lange, dure reis zijn.'

Ik zei niets. Als het minder ver en duur was, had ik de reis allang zelf gemaakt.

Hij zuchtte. 'Maar toch geloof ik dat je gelijk hebt. We moeten dit onderzoeken. Gelukkig ken ik de kazernecommandant van Glevum. Hij stuurt vaak boodschappers naar Eboracum en die komen daar heel vlug aan. Soms doen zij er maar een dag of drie over. Die militaire gezanten hebben altijd de eerste keus van paarden. Ik zal eens een praatje met hem gaan maken: aangezien dit om de zaak Perennis Felix gaat, twijfel ik er niet aan, of we kunnen zelfs de keizerlijke bodes opdracht geven om onderweg te stoppen en inlichtingen in te winnen.'

'Inderdaad, excellentie.'

Hij zag mijn gezicht en begon somber te glimlachen. 'Dacht je dat ik het goed zou vinden als jij ging? Met eigen vervoer, zodat je naar je vrouw op zoek zou kunnen gaan? Welnu Libertus, dat zal niet gaan, vrees ik. Ik kan je niet missen - ik wil dat je hier bepaalde zaken onderzoekt. Ik moet nu rekening houden met mijn eigen vrouw, en ze wil erg graag dat jij een onderzoek instelt naar het verlies van haar slaven.'

'Excellentie?' Ik was de doden in Corinium al bijna vergeten. Marcus streek afwezig met een hand door zijn korte, blonde krullen. 'Ik weet het, Libertus. Dit is eigenlijk geen staatszaak. Maar wat kunnen we doen? Ik ben nog maar een paar uur getrouwd. Ik kan haar dit moeilijk weigeren. Ik heb maatregelen getroffen om haar binnenkort naar mijn buitenhuis te sturen - ik ben bang dat er problemen zullen ontstaan in Glevum als de keizer van de dood van Felix hoort - maar eerst wil zij met alle geweld jou spreken. Ze schijnt een hoge dunk te hebben van je talenten.'

Uit zijn toon maakte ik op dat ze flink had aangedrongen. Gedwee zei ik: 'Natuurlijk, excellentie, als ik u van dienst kan zijn... Maar zoals de zaken er nu voor staan, kan ik niet veel doen, lijkt me...'

'Wist je dat Delicta haar poortwachter heeft meegenomen?

Ze denkt het hare van de moorden. Ze verdenkt een bezoeker die vanochtend bij haar thuis aan de deur geweest is - ze denkt dat hij deel uitmaakte van een troep dieven en oplichters van buiten de stad, die op zoek waren naar haar huis. Ze denkt dat ze erachter zijn gekomen dat zij van plan was inkopen te gaan doen, en dat ze later een hinderlaag hebben gelegd en de bedienden om het leven hebben gebracht om de dingen die ze bij zich hadden. In ieder geval was die bezoeker een vreemdeling.'

Ik knikte. 'Dat heeft Junio mij ook verteld. Hij zei dat er al vroeg een onbekende aan de deur geweest was met een huwelijkscadeau.'

Marcus keek me met een zuur gezicht aan. 'Dan weet je evenveel als ik. En evenveel als de poortwachter schijnt te weten, nu we het er toch over hebben. Ik heb hem laten ondervragen terwijl jij in de stad was.'

'En herinnerde hij zich nog iets?' Ik betwijfelde het. Ik hoopte dat de man niet al te doortastend was 'ondervraagd'. Omdat geseling altijd deel uitmaakt van zulke ondervragingen, komt het niet zelden voor dat het slachtoffer, alleen om een eind te maken aan de ondervraging, zich allerlei dingen herinnert die nooit echt gebeurd zijn.

Maar deze keer was het niet zo gegaan. Marcus schudde zijn hoofd. 'Hij had er niets aan toe te voegen, behalve dan dat de bezoeker een cape droeg - hoewel dat, gezien de regen, niet verwonderlijk was. Hij droeg ook geen toga en sprak Latijn met een vreemd accent.'

Ik glimlachte. 'Opvallend genoeg, zou je denken. Bijna alsof hij op wilde vallen.'

Marcus trok een grimas. 'Als dat zijn bedoeling was, heeft hij gefaald. Het schijnt dat de poortwachter meer aandacht heeft besteed aan de geschenken dan aan de persoon die ze bracht. Kostbare bronzen armbanden en een lap zijde. Hij zal wel op een fooi gehoopt hebben. Die kreeg hij niet. Maar ik weet zeker dat hij ons alles wat hij wist verteld heeft. Ik heb hem zelfs nog een paar goudstukken beloofd, maar dat hielp ook niet om zijn geheugen op te frissen.'

Ik glimlachte wat breder. Dan was dit dus een ondervraging van het vriendelijker soort geweest. Marcus weet wat ik daarvan denk. Dunne beurskoorden zijn vaak even verleidelijk als de dikste riemen, en even onbetrouwbaar. 'Maar toch wilt u dat ik ook nog eens met hem ga praten?'

Marcus begon nu haast schaapachtig te grijnzen. 'Mijn vrouw wil het, oude vriend. Ik zou niet weten wat jij nog kunt bereiken, maar ik ben een getrouwd man. Ik ga zo dadelijk terug naar mijn appartement, in een draagstoel. Delicta wacht op mij. Zou je ons daar willen opzoeken?'

Ik maakte een knieval en boog mijn hoofd. 'Met genoegen, excellentie,' zei ik en Marcus liep het vertrek uit. Ik hoorde hem bedienden ontbieden in de zaal. Hij nam natuurlijk de bedienden van Gaius. Zijn eigen bedienden zou hij er wel op uit gestuurd hebben om Delicta op te wachten, en mijn arme slaaf was nog niet in het gebouw teruggekeerd. Als ik naar Marcus ging, zou ik zonder begeleiding over straat moeten. Dat zou wel aanleiding geven tot een paar opgetrokken wenkbrauwen. Een burger in een toga valt op zonder slaven, maar in andere opzichten kwam deze afspraak mij heel goed uit. Voordat ik mij naar mijn beschermheer begaf, hoopte ik nog enig onderzoek te kunnen doen naar dat vermiste flesje met vergif, en dat zou het best gaan zonder een stel slaven in de buurt. Iets zei me dat ik het, als ik het niet vlug kon opsporen, helemaal niet meer zou kunnen vinden. Phyllidia was een vastberaden vrouw. Geruisloos liep ik door het huis terug naar de houten trap die naar boven leidde. Niemand besteedde enige aandacht aan mij. In het atrium ging het geweeklaag onafgebroken door en in het voorbijgaan ving ik een glimp op van de man genaamd Tommonius, die op zijn beurt aan het sterfbed had plaatsgenomen, terwijl de begrafenisknechten hem de rook van brandende kruiden toewuifden. Hij keek mijn richting uit en terwijl ik mij weg haastte, zag ik zijn gezicht. Hij zag eruit alsof hij zich kon verzoenen met de dood van Felix, dacht ik bij mezelf. Ik liep zonder slavengeleide naar boven en - voor zover ik kon zien - ook onopgemerkt door de leden van het huishouden. Het was een vreemd gevoel. In grote Romeinse huizen raak je gewend aan de voortdurende aanwezigheid van slaven. Het was enigszins verontrustend om zo onverwacht alleen te zijn. Hoewel je daar niet vaak de kans voor kreeg, was het Egobarbus gisternacht vermoedelijk toch ook gelukt en had hij zich van zijn mantel en - op een of andere manier - zijn snor kunnen ontdoen. Niet voor de eerste keer verbaasde mij dat. Intussen had ik de trap beklommen. Echt sluipen deed ik niet, maar natuurlijk lette ik goed op dat mijn voetstappen zo min mogelijk lawaai maakten. Ik stond een ogenblik stil voor de slaapkamer waaruit ik Phyllidia tevoorschijn had zien komen. Er kwam geen geluid van binnen en er klonk ook geen antwoord toen ik zacht aanklopte.

Ik legde mijn hand op de deurklink en lichtte hem voorzichtig op. Door mijn aanraking zwaaide de deur open. Ik was er zo half om half op voorbereid Phyllidia te zullen aantreffen in het vertrek, maar er was niemand. Het leek ook niet echt op een vrouwenkamer, ondanks het rijtje zalfpotjes en poeders die op een houten koffer waren uitgestald. Het uit latten vervaardigde bed was bedekt met beddengoed van ruwe wol, en er waren een paar dikke vossenhuiden achteloos over een kruk geworpen, alsof de bewoonster van de kamer dacht dat de Britse nachten kil en vochtig zouden zijn na de warmte van Rome. Een smoezelige, gekreukelde stola lag opgevouwen onder het vensterraam, vermoedelijk in afwachting van de goede zorgen van de volder, en een toilettas - met olielepel, schaar, oorschraper en pincet - lag op de vloer naast het bed. In een hoek was een miniem reisaltaartje neergezet, met beeldjes van de maangodin, maar voor de rest was de kamer leeg. Ik aarzelde. Van nature ben ik geen spion, en het idee de kamer te doorzoeken terwijl de bewoner afwezig was, trok me helemaal niet aan. Maar dit was een te mooie kans om voorbij te laten gaan. Ik liep naar de koffer, zette de potjes met cosmetica ernaast en tilde het deksel op. Er zat niet veel in. Een paar tunieken, stolae en schone hemden, een extra paar vrouwenkousen, een paar leren sloffen en - tot mijn verlegenheid - een fors korset en een paar degelijke, opengewerkte damesonderbroeken met volants aan de pijpen en verfijnd kantwerk aan de zijden. Verder vond ik een met snijwerk versierde houten doos, die een verzameling broches en fraaie haarspelden bevatte, en een andere van gesneden ivoor, blijkbaar voor cosmetica. Van het befaamde flesje met vergif vond ik echter geen spoor.

Ik stopte de spullen weer in de koffer en stond op het punt mijn zoekactiviteiten te verplaatsen naar het beddengoed, toen opeens de deur openging en Phyllidia binnenkwam. Ik bleef stokstijf staan.

Langzaam deed ze haar rouwsluier af en toen bleef ze mij staan aankijken. Ze zag er niet bezorgd uit, zoals ik half had verwacht, maar ziedde duidelijk van woede. Met bijtende stem zei ze: 'Wat doet u hier? Doorzoekt u mijn spullen?'

Omdat ze mij betrapt had terwijl ik haar bagage al half doorzocht had, kon ik dat moeilijk ontkennen. Ik zei: 'Neemt u mij niet kwalijk, dame. Ik zocht het vergifflesje waar uw bediende het over had.' Het klonk als een slap excuus. Voor mij als man was het moeilijk om nog waardig over te komen, nu ik daar stond, met in mijn ene hand haar bustehouder en in de andere haar onderslip.

Ze knalde de deur achter zich dicht. 'Mijn vader ligt dood, hier in dit huis,' zei ze, 'maar het lijkt erop dat ik nog steeds niet verlost ben van zijn methodes. Wie heeft u hiervoor betaald? Of bent u een ordinaire inbreker?'

Ik bloosde. Het was al ongelukkig genoeg dat zij mij betrapt had op rondneuzen, maar als zij een aanklacht wegens diefstal indiende, zou ik mij de gerechtsdienaren wel eens op de hals kunnen halen. Haastig zei ik: 'Mijn beschermheer, Marcus, heeft mij gevraagd een onderzoek in te stellen. Maar ik ben mijn boekje te buiten gegaan. Hij heeft me niet gevraagd hier te zoeken. Ik hoopte het flesje te vinden, dat is alles.'

Het lelijke gezicht van Phyllidia betrok. 'O ja? Dan had u zo beleefd geweest moeten zijn mij om toestemming te vragen. Het is geen raadsel. Ik heb het onder mijn kleren vastgemaakt, zoals mijn bediende u verteld heeft. Moet u het zien?' Ze smeet de rouwsluier op het bed.

'Als het kan, dame.' Ik probeerde zo bescheiden mogelijk te klinken, in de hoop dat haar woede zou bekoelen. In deze stemming zou Phyllidia mij niets vertellen. Maar ze was niet tot bedaren te brengen. In plaats van mij te vragen naar buiten te gaan, wendde ze zich, tot mijn schrik, van mij af. Ze hees haar oppertuniek op en begon - met haar rug naar me toe - te friemelen tussen haar onderkleren. Dat deed ze uit protest, begreep ik, en om mij te laten voelen hoezeer ik inbreuk op haar privacy had gemaakt. Ik schaamde me dood om haar onfatsoenlijkheid - wat ongetwijfeld haar bedoeling was. Ik zei: 'Dame, ik zal buiten de deur wachten...' maar het was te laat.

Phyllidia liet haar rokken vallen en draaide zich snel om, met een flaconnetje van blauw glas in haar hand. 'Waarom zou u, burger? Het is duidelijk hoe er hier tegen mij wordt aangekeken - een waardeloze vrouw, met niet meer rechten dan een slaaf. Ik hoopte dat de dood van mijn vader een eind zou maken aan mijn onderworpenheid, maar ik begrijp dat ik me vergist heb. Ik had dit beter op kunnen drinken, zoals mijn bedoeling was.'

'Nee, dame!'

Met één blik legde ze mij het zwijgen op. 'Nee? Terwijl ik hier over land en over zee naartoe gesleept ben om een man te trouwen die ik niet eens kende? Geen toestemming heb gekregen om mijn vrienden te zien, bespioneerd en beperkt ben in mijn hele doen en laten? En ook nu kan ik mijn kamer nog geen moment verlaten, zonder dat er een vreemdeling rondneust in mijn intiemste bezittingen. Of moet ik u misschien zelfs dankbaar zijn voor uw terughoudendheid? Als u mijn vader was, zou hij mij namelijk door mijn dienstmeid laten uitkleden terwijl hij mijn spullen doorzocht.'

Ik was oprecht vervuld van afgrijzen, en dat moet aan mijn gezicht te zien geweest zijn.

Uitdagend stak ze haar kin vooruit. 'Nou, dat zal niet lang meer duren. Ik krijg een machtige beschermer. Gaius de magistraat heeft toegezegd d epraetor te benaderen en zich aan te bieden als mijn wettelijk voogd. Dan zullen we nog wel eens zien wie mij als bediende behandelt.'

Ik stond paf. Het scheen dat Marcus er geen gras over had laten groeien en Gaius nu al had overgehaald de taak op zich te nemen. Maar ik moest mijn excuses aanbieden. Ik had Gaius al van mij vervreemd, en als hij hoorde van deze laatste euveldaad zou me dat mijn vrijheid wel eens kunnen kosten, Marcus of geen Marcus. In alle oprechtheid zei ik: 'Dame, ik bied u mijn nederigste excuses aan. Het was niet mijn bedoeling u zo te behandelen - ik hoopte alleen dat flesje te vinden. Octavius...'

'Ach ja, Octavius.' Haar toon klonk zachter nu, en een ogenblik zag haar onaandoenlijke gezicht er bijna teder uit. 'Waar hebben ze hem heen gebracht?'

Ik merkte dat ik de bovenhand aan het krijgen was en maakte daar schaamteloos gebruik van. 'Zij houden hem hier in huis vast, geloof ik. Ik heb mijn beschermheer het advies gegeven hem niet naar de gevangenis te sturen. Ik geloof niet dat hij uw vader heeft vergiftigd.' Terwijl ik dat zei, pakte ik haar het flesje uit de vingers. Zij liet het toe. 'Misschien helpt dit om zijn onschuld te bewijzen.'

Nu ontspande zij zich. 'O ja?'

Ik omklemde het flesje. 'Natuurlijk. Hij wist dat er een flesje was, maar omdat het vol is, zou het moeilijk gebruikt kunnen zijn om iemand te vergiftigen, zelfs de hond niet.'

Phyllidia fronste haar wenkbrauwen. 'Dus de mogelijkheid bestaat dat mijn vader vergiftigd is?'

'Niet door Octavius,' zei ik. 'Tenminste, niet door hem persoonlijk. Ik ben bij hem in de buurt geweest op het banket, en hij heeft er de kans niet toe gehad.'

De dreigende blik werd iets minder dreigend. 'Dus u beschouwt hem niet als een moordenaar?'

'Integendeel, ik denk dat hij alles voor u zou willen doen,' zei ik. 'En dat is een reden te meer waarom ik vind dat ik u dat flesje vergif dat u van uw vader hebt gestolen moet afnemen. U hebt het toch echt gestolen, neem ik aan? Zoals de dienstmeid zei?'

Phyllidia kreeg een kleur. 'Ik heb u de waarheid verteld,' zei ze. 'Mijn vader had mij opgedragen hem naar deze provincie te volgen en hem in Glevum weer te treffen. Hij had een paar zaken te regelen in het noorden en vervolgens was hij van plan een huwelijk voor mij te arrangeren. Een politiek huwelijk - hij had het plan samen met de keizer gesmeed. Dat alleen al was genoeg om mij bang te maken. Ik probeerde er bezwaar tegen te maken en schreef hem brieven waarin ik hem smeekte van gedachten te veranderen, maar hij wilde niet luisteren. Ik was van plan hem hier voor het blok te zetten - door te dreigen het vergif in te nemen, desnoods in het openbaar. Ik zou het nog gedaan hebben ook. Ik ben geen slavin die je verkoopt aan de hoogst biedende.'

Arme meid, dacht ik bij mezelf - dat was nu juist datgene waarvoor haar vader haar had aangezien, hoewel een onaantrekkelijke dochter als zij zelfs als slavin geen waarde had. In een poging haar te troosten, zei ik: 'Uw lot zou niet hard geweest zijn. Mijn beschermheer Marcus is een rechtschapen en eerbaar man.'

Ze draaide zich naar mij om. 'Dan zou ik gebruikt zijn om hem te ruïneren. Mijn bedienden zijn allemaal spionnen, en Marcus staat in Rome bekend als een vriend van gouverneur Pertinax. De keizer vreest hem - ik weet zeker dat de spionnen van mijn vader mettertijd een aanleiding gevonden zouden hebben om zijn ondergang teweeg te brengen. Aan het hof wordt al gefluisterd dat Pertinax uit zijn functie zal worden gezet - misschien krijgt hij ergens een andere post, ver weg van de afvallige legioenen.'

Ik staarde haar aan.

'Twijfelt u aan wat ik zeg? Praat er dan maar eens met Zetso over. Octavius heeft hem erover horen opscheppen tegen een of andere knappe wagenmenner, op een avond in het Circus Maximus - hij pochte over de invloed die zijn meester had. Op die manier ben ik het te weten gekomen. Ik ben niet zo goed op de hoogte met de intriges van de stad.'

'Kwam Octavius vaak in het circus?'

Ze glimlachte. 'Niet zo vaak, nee. Hij ging erheen omdat mijn vader er was. Hij had verhalen gehoord over een onverslaanbaar paard en menner, de dwaas, en hoopte wat geld te winnen op de rennen om aan te bieden voor mijn hand. Daar dacht hij indruk mee te maken op mijn vader. Maar hij verloor natuurlijk het kleine beetje geld dat hij had. Typisch Octavius.' Ze zei het met tedere ergernis. Als de wens van Octavius in vervulling ging, dacht ik, en hij nam Phyllidia tot vrouw, zou hij niet bepaald een gemakkelijk leven krijgen.

Ik knikte en liet het flesje voorzichtig in de plooien van mijn toga glijden. Door het glazen oogje van de stop zat een touwtje, en daarmee bevestigde ik het rond mijn gordel, waar het veilig zou zijn.

'Welaan,' zei ik, 'ik zal mijn best voor hem doen. Ik neem dit mee voor mijn beschermheer. Hij zal er blij mee zijn.' Dat was waar. Marcus zou eerder onder de indruk zijn van een flesje met vergif, ook al was dat niet gebruikt, dan door alle inlichtingen ter wereld. Voor de goede orde, besloot ik terug te gaan naar de afvalhoop en de snor voor hem mee te nemen, hoe onwelriekend die ook mocht zijn. Ik kon altijd nog een slaaf huren om het ding voor mij te dragen.

Phyllidia boog haar hoofd. 'En ik laat wat brood en water halen, dan kan ik er weer even tegen. In dit huis worden uiteraard geen maaltijden geserveerd tot na de begrafenis, en ik neem de officiële vasten in acht - maar ik zie niet in waarom ik honger zou moeten leiden.'

'Dus u bent niet zo rouwig om uw vader?'

Ze keek mij in de ogen en ik schrok van het vuur in haar blik.

'Ik zal u de waarheid vertellen, burger. Ik heb dat vergif gestolen met de bedoeling het op te drinken, maar het was wel bij mij opgekomen om het in plaats daarvan aan mijn vader toe te dienen. Ik was ook bijna zover dat ik het gedaan had. Gelukkig was het niet nodig - toevallig of omdat het zo voorbeschikt was. En laat mij u zeggen, burger, het kan mij niet veel schelen hoe het gegaan is. Ook al werd bewezen dat hij vermoord is, dan zou ik geen rechtszaak willen beginnen tegen... degene die het gedaan heeft.'

Ze meende het. Onder het Romeinse recht kan er geen rechtszaak zijn zonder aanklager. 'Ik begrijp het,' zei ik zacht.

'Hoewel de keizer zelf zich ermee zou kunnen bemoeien. Ik zal een bediende sturen met uw avondeten.'