10

Op een ochtend, toen ik een brief van mijn moeder kreeg, besefte ik dat ik al bijna twee maanden in Cooch Behar was. Natuurlijk was er oorspronkelijk afgesproken dat ik maar enkele weken bij Indira zou blijven. Ik schaam me te moeten zeggen dat ik me volledig door mijn nieuwe leven had laten opslokken en alle gevoel voor tijd was kwijtgeraakt. Mijn moeder vroeg me in haar brief wanneer ik zou terugkomen. Het plotselinge besef dat mijn leven hier slechts tijdelijk was trof me als een blikseminslag.

Indira en ik waren op dat moment vrijwel één en ze merkte mijn gezichtsuitdrukking onmiddellijk op.

‘Wat is er?’

Ik keek op van de brief. ‘Mijn moeder vraagt wanneer ik terugkom.’

‘Naar waar?’ Indira leek het niet te begrijpen.

‘Naar Jaipur, natuurlijk.’

‘Maar je kunt helemaal niet weg,’ antwoordde ze. ‘Je woont hier nu bij mij. Misschien kunnen we regelen dat je moeder je komt opzoeken.’

‘Ik denk niet dat ze die lange reis graag maakt.’

‘Ik zal met Ma praten en kijken wat zij voorstelt.’

Mijn hart klopte in mijn keel toen Indira wegrende om haar moeder te vinden. Wat als de maharani het zo druk had gehad dat het haar gewoon niet was opgevallen dat ik nog niet naar huis was gegaan? Wat als – ik huiverde van angst – ik voorgoed terug moest naar de zenana in Jaipur?

Indira kwam een half uur later terug en knikte tevreden. ‘Geen zorgen, Anni. Ma vindt wel een oplossing. Dat doet ze altijd.’

Die avond, toen we zoals gewoonlijk waren verzameld in het boudoir van de maharani, wenkte ze mij naar zich toe bij haar spiegel.

‘Indira zegt dat je moeder je mist en je graag wil zien.’

‘Ja, dat schrijft ze in haar brief,’ antwoordde ik nerveus.

‘Dat begrijp ik volkomen. Geen moeder wil de aanblik en het gezelschap van haar kind missen. We moesten maar eens regelen dat ze je komt bezoeken.’

‘Dank u, Uwe Hoogheid.’ Ik maakte een respectvolle buiging. Eigenlijk wilde ik haar verfijnde gezicht overdekken met kussen, uit pure dankbaarheid.

‘Ik schrijf je moeder direct een brief. Ik had dat toch al willen doen, omdat ik nog iets anders met haar wilde bespreken.’

Mijn hart maakte een sprongetje van opluchting. Ze stuurde me niet meteen naar huis.

Een paar dagen later verscheen de maharani in de slaapkamer die Indira en ik deelden. Ze wilde niet met haar dochter spreken, maar met mij.

‘Kom eens met mij mee, Anni,’ zei ze en ze wees naar de deuren naar de veranda.

‘Mag ik ook komen, Ma?’ vroeg Indira klaaglijk.

‘Nee,’ was het ferme antwoord. ‘Ik wil alleen met Anni spreken.’

Ik volgde de maharani naar een bankje dat buiten in de koele schaduw van de binnenplaats stond. Zelfs in haar dagelijkse dracht, een tuniek met een broek, die ze droeg als er geen gasten waren, zag de maharani er stralend uit.

‘Anni, er is een reden waarom ik alleen met jou wil praten, zonder mijn dochter erbij.’

‘Ja, Uwe Hoogheid?’

‘Vind je het fijn hier?’

‘O ja, Uwe Hoogheid,’ verzekerde ik haar vol enthousiasme.

‘Zou je langer bij ons willen blijven?’

‘O ja, alstublieft! Ik vind het hier heerlijk!’ De gretigheid waarmee ik antwoord gaf liet geen ruimte voor twijfel.

De maharani staarde in de verte. Na een tijdje zuchtte ze. ‘Ik wilde die woorden uit je eigen mond horen. Ik ben me er goed van bewust dat Indira een meisje is met een sterke wil en dat ze boft met het leven waarin ze geboren is. Ik weet ook dat ze, omdat ze de jongste is, door haar oudere broers en zus is verwend. Ze heeft meer vrijheid gekregen dan eigenlijk goed voor haar is. Ik neem de verantwoordelijkheid daarvoor. Ik weet dat ze haar broers en zus mist en dat ze eenzaam was voordat jij kwam. Toch kan ze niet zomaar verwachten dat al haar wensen worden vervuld, zeker niet als haar wens een ander mens betreft.’

‘Ik houd van haar,’ zei ik. Het waren de eenvoudigste en waarachtigste woorden die ik kende.

De maharani wendde zich weer tot mij en glimlachte. ‘Dat weet ik, Anni. Ik zie het aan je gezicht. En ware vriendschap, die liefde, loyaliteit en vertrouwen behelst, is een zeldzaam en kostbaar goed. Ik hoop voor jou en voor mijn dochter dat jullie vriendschap jullie in de toekomst zal begeleiden. Maar…’ De maharani pakte mijn handen en nam ze in de hare. Haar gezicht stond opeens ernstig. ‘… jij hebt je eigen wensen en gedachten. En je moet me beloven dat je nooit zult aarzelen om die kenbaar te maken. Indira is een sterke persoonlijkheid.’ De maharani zweeg even en glimlachte weer. ‘Het spijt me te zeggen dat ik veel van mezelf in haar terugzie. Laat je niet door haar overheersen. Dat zou slecht zijn voor jou en slecht voor mijn dochter.’

‘Ja, Uwe Hoogheid,’ antwoordde ik, diep geraakt dat ze mij haar advies waardig achtte. Op dat moment besefte ik waarom Ayesha, de beroemde maharani van Cooch Behar, door vrijwel iedereen die het geluk had gesmaakt haar te ontmoeten werd aanbeden.

Ze begreep de menselijke natuur.

‘Je moeder zal hier over ongeveer een week zijn. Dan zal ik verder met haar praten.’

‘Dank u, Uwe Hoogheid.’

‘Ik zou jou moeten bedanken, Anni.’ Ze liet mijn handen los en klopte er zachtjes op met haar lange, koele vingers voor ze opstond. ‘Ik vind dat mijn dochter maar boft dat ze jou als vriendin heeft.’

Twee weken later arriveerde mijn moeder op het Cooch Behar Palace.

‘Anni, wat ben je gegroeid!’ riep ze uit toen ik haar verwelkomde en haar een rondleiding gaf door het paleis. Ik kon zien dat ze geïmponeerd was door de eindeloze rij kamers, ingericht met kostbare schatten die door de maharani uit de hele wereld waren meegenomen. Ik was inmiddels gewend geraakt aan de weelderige omgeving waarin ik nu leefde.

‘Waar is de zenana?’ vroeg ze nerveus.

‘O…’ Ik wuifde achteloos met mijn hand naar geen richting in het bijzonder. ‘Daar ergens.’

‘Maar de maharani woont toch zeker met de andere vrouwen in de zenana?’

‘Nee, Maaji, ze heeft haar eigen kamers.’

Ik voelde mijn moeders ongemak toen ik met haar door de gemeenschappelijke ruimtes van het paleis liep. Er liep een aantal adjudanten en mannelijke bedienden rond die niet op ons letten. Ondanks dat haar leven als genezer en mijn vaders opvattingen dat vrouwen recht hadden op onderwijs haar, vergeleken met veel vrouwen van haar leeftijd, beter hadden voorbereid op de ontspannen manier waarop de dingen hier gingen, voelde ik dat ze zich er niet prettig bij voelde. Ze was nog nooit ongesluierd in het gezelschap van andere mannen dan mijn vader geweest.

‘Jij en prinses Indira zullen spoedig vrouwen zijn. Zul je dan de purdah respecteren en in de zenana gaan wonen?’

‘Ik weet het niet, Maaji,’ antwoordde ik in alle eerlijkheid, toen we met een kop thee op de kleine binnenplaats buiten onze slaapkamer zaten. ‘Dat zou ik moeten vragen. Of misschien moet jij dat doen. Ik weet dat zowel de maharadja als de maharani goed bevriend zijn met Rabindranath Tagore, die, zoals je weet, enorm door vader werd bewonderd. Hij is geen voorstander van de purdah,’ zei ik, in een poging het iets aanvaardbaarder voor haar te maken door haar te herinneren aan haar geliefde echtgenoot.

Ik zie de angst op het gezicht van mijn moeder nog voor me toen ze heen en weer werd geslingerd tussen het oude en het nieuwe.

‘Ik zou nu graag even rusten,’ zei ze ten slotte. ‘Het was een lange reis.’

Ik wist dat mijn moeder later die avond naar het boudoir van de maharani zou worden gebracht om aan haar te worden voorgesteld. Mijn hart sprong haast uit mijn borst bij de gedachte aan wat ze daar zou zien. Het was een altaar voor de moderne manier van leven, en de hogepriesteres van dat alles, met haar Franse parfum en westerse attributen, zou mijn moeders consternatie alleen maar vergroten.

Wat als mijn moeder dacht dat ik niet op de goede hindoemanier werd opgevoed? Ze zou het recht hebben mij direct met zich mee terug te nemen naar Jaipur.

Natuurlijk had ik me geen zorgen hoeven maken. Toen Indira en ik het boudoir binnenkwamen met mijn moeder, stond Ayesha op en doorkruiste een hele groep vrouwen om mijn moeder te begroeten. Ze was al gekleed in een sari van glanzend goud, diamanten sierden haar hals en een enorm neussieraad met een robijn ving het licht van de Baccarat-kroonluchter boven haar.

‘Het is mij een eer u te ontmoeten, Uwe Hoogheid,’ zei mijn moeder en ze boog diep, vol ontzag. Toen ik de twee vrouwen zag, besefte ik dat ze niet meer van elkaar konden verschillen. De een was adembenemend mooi, rijk en onafhankelijk, de ander gebogen door het harde leven sinds de dood van mijn vader.

‘Nee,’ antwoordde de maharani zacht. ‘Het is mij een eer ú te ontmoeten. U hebt een heel bijzondere dochter en wij zijn blij dat wij haar bij ons hebben. Kom nu met mij naar mijn gebedsruimte, dan offeren we puja aan Brahma omdat we gezegend zijn met zulke kinderen.’

Dat gezegd hebbende ging ze mijn moeder voor tussen de verbaasd toekijkende aanwezigen door en verdween in de kamer ernaast. Ze sloot de deur achter zich.

Vijftien minuten later, toen de twee vrouwen weer tevoorschijn kwamen, kletsten ze als oude vriendinnen met elkaar. De nervositeit van mijn moeder was helemaal verdwenen en ik dankte de goden ook dat de maharani precies had geweten wat ze moest doen om mijn moeder gerust te stellen.

Die avond viel mijn moeder, net als iedereen, als een blok voor de maharani. Ze was lyrisch over de smaak van haar nieuwe vriendin voor meubels, kleding en haar grote kennis van filosofie, poëzie en de wereld in het algemeen. Ze deelden hun gedachten over ayurvedische geneeskunst en de maharani was gefascineerd toen ze hoorde over mijn moeders speciale gave, de helderziendheid.

‘Heb je ook voor haar “gezien”, Maaji?’ vroeg ik nieuwsgierig toen ze op een middag uit de vertrekken van de maharani naar buiten kwam.

‘Zoals je heel goed weet, Anni, is dat een privéaangelegenheid die tussen de maharani en mij blijft,’ antwoordde mijn moeder.

Tegen het eind van de eerste week was ze voldoende ontspannen om met mij een rondje door de tuin te lopen, in het zicht van de mannelijke bewoners van het paleis. Ze wilde nog steeds niet haar ghoonghat voor haar gezicht weghalen en ik respecteerde dat. Verder was ze net zo enthousiast over Cooch Behar Palace en zijn bewoners als ik.

De dag voordat mijn moeder naar huis zou terugkeren nodigde de maharani haar uit in haar vertrekken voor een privéaudiëntie. Ik wist wat er besproken zou worden en Indira en ik wachtten zenuwachtig buiten.

‘Wat als mijn moeder wil dat ik met haar mee terugga? Ik denk dat ik doodga!’ fluisterde ik bezorgd.

Indira zat rustig naast me. Ze hield mijn hand vast. ‘Ze zal je niet vragen mee terug te gaan, Anni, dat beloof ik je.’

En natuurlijk had Indira gelijk. Mijn moeder kwam lachend weer naar buiten en nam me mee naar haar kamer om onder vier ogen te praten.

‘De maharani heeft me gevraagd of ik bereid ben om jou op permanente basis aan haar familie uit te lenen. Ze heeft ook aangeboden om jou samen met Indira op te leiden, en dat is precies wat je vader gewild zou hebben.’

‘Ja, Maaji,’ stamelde ik.

‘Ze zei ook dat ze begrijpt dat het moeilijk voor mij zal zijn zonder jou, dus ze heeft voorgesteld dat ik een deel van het jaar hier bij jou doorbreng, als de familie in het paleis resideert. Dus, mijn dochter, wil je hier blijven als ik terugkeer naar Jaipur?’

‘O, Maaji, ik…’ Er sprongen tranen in mijn ogen. ‘Ik denk het wel, ja. Ook al zal ik een deel van het jaar zonder jou zijn en je vreselijk missen. Ik weet dat vader heel blij zou zijn als hij zag dat ik mijn opleiding voortzet. En dat kan ik niet in de zenana in Jaipur.’

‘De kansen die je hier krijgt zijn veel beter, dat is zo. En je bent altijd speciaal geweest, mijn pyari.’ Ze glimlachte en raakte mijn wang even aan. ‘Schrijf je me elke week?’

‘Natuurlijk, Maaji. Elke dag, als je dat wilt.’

‘Elke week is genoeg, lief kind. En ik kom hier weer terug na de moesson, over vier maanden. Ik beloof je dat die zo om zijn.’

‘Ik zal je missen.’

‘En ik jou.’ Ze opende haar armen voor mij. ‘Vergeet niet dat ik altijd bij je ben.’

‘Dat weet ik, Maaji,’ zei ik en ik omhelsde haar stevig.

Zelfs nu herinner ik mij dat ze op dat moment met zo’n droefheid in haar ogen naar mij keek, dat ik zei: ‘Misschien moet ik toch met je mee terug gaan naar Jaipur.’

‘Nee, Anni…’ Ze keek omhoog naar de hemel. ‘Ik weet dat het je lot is om te blijven.’

En dus ging mijn moeder terug naar Jaipur, overladen met cadeaus van de maharani. En hoewel ik had bereikt wat ik het allerliefste wilde en Cooch Behar Palace nu als mijn permanente thuis kon beschouwen, voelde ik me toch een klein beetje ongemakkelijk omdat mijn moeder, spiritueel begaafd en wijs als ze was, zo subtiel was overgehaald om haar dierbare dochter op te geven.

Die zomer, toen de moessontijd kwam en de hete aarde onder onze voeten zelfs onze geharde voetzolen brandde als de steken van duizend bijen, verhuisde het koninklijke hof met de rest van bevoorrecht India naar de bergstations om de frisse, koele lucht in te ademen. We reisden naar Darjeeling, een schitterende bergstreek, ruim tweeduizend meter hoog en beroemd om zijn theeplantages, die de groene heuvels zover het oog reikte overdekten.

Die zomer was het begin van mijn levenslange liefdesrelatie met Darjeeling: de aanblik van de adembenemende Himalaya in de verte alleen al gaf mij een geluksgevoel. De Engelsen hadden lang geleden ook geleerd om naar Darjeeling te ontvluchten en hadden de stad de hunne gemaakt. Rijen witte bungalows, genoemd naar plaatsen in Engeland, sierden de heuvels en de stad was onberispelijk aangelegd, heel anders dan onze eigen chaotische Indiase dorpen. Ik droomde ervan op een dag het echte Engeland te bezoeken.

In Darjeeling ontmoette ik Indira’s broers en zus. Alle drie waren ze op vakantie van de kostschool die ze in Engeland bezochten. Ze waren zeventien, zestien en vijftien jaar oud en dol op hun kleine zusje, maar ze waren zoveel ouder dan zij dat ik wel begreep dat Indira het gevoel had een enig kind te zijn. Minty, haar vijftienjarige zus, leek erg volwassen en ontwikkeld. Ik luisterde gefascineerd als ze tijdens het eten over het leven in Engeland praatten. Ik leerde croquet spelen op de smetteloze gazons en raakte ook bedreven in eindeloos veel kaarttrucs dankzij Indira’s middelste broer Abivanth. Ik was met name onder de indruk van Raj, Indira’s oudste broer, de kroonprins, die zo knap en charmant was dat ik in zijn gezelschap nauwelijks een woord meer wist uit te brengen.

Het huis waar we verbleven was heel klein, vergeleken met het Cooch Behar Palace, wat betekende dat we veel meer als een gezin leefden. Het stond hoog in de bergen en kon alleen door paarden en riksja’s worden bereikt, waardoor er veel privacy en rust was.

Vaak sloot de knappe maharadja – die ik in Cooch Behar maar zelden zag vanwege zijn verplichtingen – zich aan bij zijn gezin voor een eenvoudige picknick in de tuin. Ik zag, in de informele sfeer van Darjeeling, waar ik in mijn eigen toekomstige leven naar verlangde: een blijvende en oprechte liefde tussen man en vrouw. Ik zag het in de manier waarop ze tijdens het diner elkaar soms aankeken en een glimlach deelden, in hoe zijn hand vaak naar de maharani’s middel ging. Dit was het soort echte liefde die ik mij herinnerde van het huwelijk van mijn eigen ouders.

Ook al heersten ze samen over een koninkrijk en waren de eisen van hun tijd heel zwaar, besefte ik dat hun ware kracht voortkwam uit hun wederzijdse bewondering en het vertrouwen dat ze voor elkaar voelden.

Die zomer stonden Indira en ik ’s ochtends heel vroeg op en reden we over de steile paden omhoog naar Tiger Hill om de zon te zien opkomen boven de Mount Everest. We hielden ervan om het marktplein in het centrum van Darjeeling te bezoeken als Tibetaanse en Bhutanese handelaren met hun enorme bonthoeden hun waren kwamen verkopen. Ik was zonder enige twijfel gelukkiger dan ik ooit was geweest en voelde me volledig opgenomen in Indira’s gezin.

Ook al had ik moeilijke tijden gekend, was ik toch te jong om volledig te begrijpen dat de weegschaal in het leven in een kort moment kan doorslaan. En dat groot geluk op het ene ogenblik niet garandeert dat dit er het volgende moment ook nog is.

De minderbedeelden in India, die ver beneden ons bergparadijs zaten gevangen, waren dat seizoen minder gelukkig. De stofstormen wervelden over de vlakten en bedekten allen met een fijne laag; zelfs een barst in een raam met luiken ervoor zorgde dat een huis de volgende ochtend vuil was. De moessonregens deden de rivieren zwellen en dreven de rode aarde uit zijn natuurlijke kanalen, waarbij alles op hun pad werd vernietigd.

Het was ook het epidemieseizoen in India, de tijd van het jaar waarin elke moeder vreesde voor haar kinderen. Toen ik over de begraafplaats van Darjeeling dwaalde, was ik verbaasd te zien dat zelfs een groot aantal Britse baby’s voor hun volwassenheid was gestorven. Jaarlijks teisterden tyfus, malaria en gele koorts de bevolking en decimeerden haar. Die zomer was het bijzonder ernstig en we hoorden over ziekten die in alle delen van het land de kop opstaken.

Op een avond, eind augustus, kreeg ik een reeks vreemde dromen en ik werd zwetend wakker met een vreemd gevoel van angst, wat ik niet kon kwijtraken. Een week later klopte mijn hart in mijn keel toen ik in de zitkamer van de maharani werd ontboden. Ik had het nooit geloofd als mijn moeder mij vertelde dat ik haar gave van haar had geërfd. Toen ik de maharani echter naderde met een voorgevoel dat zwaar op mijn hart drukte, wist ik al wat zij mij moest vertellen.

De maharani hield een brief in haar handen. Ze wenkte mij naar zich toe en klopte op de plaats naast haar op de chaise longue.

‘O, mijn pyari, het spijt me zo, maar ik heb slecht nieuws voor je.’

‘Hoe is mijn moeder gestorven?’

Het was de enige keer in mijn leven dat ik zag dat de maharani geen woorden kon vinden.

‘Ik… heeft iemand het je verteld? Ik kreeg deze brief vanochtend pas.’

‘Nee, ik… wist het gewoon,’ zei ik en ik probeerde mijn tranen terug te dringen.

‘Velen zeggen dat we het voelen als een geliefde is overgegaan,’ zei ze en ze herstelde zich, ‘en jij bent blijkbaar heel gevoelig voor die dingen, Anni. Ik vind het heel erg dat ik je moet vertellen dat je gelijk hebt. Je moeder verbleef bij je tante en oom in de bergen om aan de hitte in Jaipur te ontkomen. Helaas was er een heel erge moesson, die een landverschuiving veroorzaakte die in de nacht uit de bergen omlaag kwam. Niemand in het dorp heeft het overleefd. Het spijt me zo, mijn liefste Anni. Het ziet ernaar uit dat je niet alleen je moeder, maar ook je tante en oom en hun vijf kinderen bent verloren.’

Daar zat ik, naast haar. Haar zachte handpalm rustte op mijn kleine, koude hand. Ik dacht aan mijn moeder, haar zuster en zwager en hun kinderen, sommige nog maar peuters, en kon mij niet neerleggen bij het idee dat ze niet langer op deze aarde waren.

‘Als er iets is wat wij voor je kunnen doen, Anni, dan hoef je het alleen maar te vragen.’

Ik schudde mijn hoofd, te verdrietig en te geschokt om iets te kunnen zeggen.

‘Dit is meer dan een week geleden gebeurd. Ze zijn nog steeds…’ De ogen van de maharani vulden zich met tranen. ‘… op zoek naar de lichamen. Als ze ze vinden, dan moet je natuurlijk terug naar Jaipur voor de begrafenissen.’

‘Ja,’ antwoordde ik, maar we wisten allebei dat ze geen lichamen zouden vinden. Mijn arme moeder zou tot in de eeuwigheid in de door de zon hard geworden, rode aarde blijven liggen.

‘Je wilt vast naar de tempel om te bidden. Ik heb dit voor je gevonden.’ Ze gaf me een witte tuniek, gemaakt van de zachtst mogelijke zijde. ‘Ik heb het altijd een troost gevonden dat wij Indiërs wit dragen als we rouwen om een geliefd persoon, en niet zwart. Er is al genoeg verdriet. En liefste Anni, maak je geen zorgen om je toekomst. Ik heb je weggehaald bij je familie, en nu neem ik de verantwoordelijkheid voor je. Begrijp je dat?’

Op dat moment begreep ik helemaal niets, maar ik knikte.

‘Onthoud, ook al zien we ze niet, de mensen van wie we houden zijn altijd om ons heen,’ voegde ze er zacht aan toe.

Ik stond op, niet in staat om op dat moment troost in haar woorden te vinden.

Toen ik de witte tuniek had aangetrokken, werd een adjudant gestuurd die mij in een riksja naar de kleine hindoetempel in de stad bracht. Helemaal alleen bracht ik de traditionele puja-offers en zei ik de gebeden om de doden op weg te helpen. Daarna zat ik voor de goden, mijn hoofd gebogen tot op mijn knieën. Ook al wilde ik heel graag geloven en voelen dat mijn moeder nog steeds bij mij was, drong er een scherpe realiteit tot mij door en dacht ik ook aan mijzelf. Ik was nu een wees, ik bezat geen geld en was volledig afhankelijk van de goedheid van de koninklijke familie. Het was onwaarschijnlijk dat ik ooit zou trouwen – zonder familie, laat staan een bruidsschat, was ik voor geen enkele man een partij. Ik zou misschien wel kunnen blijven studeren, maar het was niet waarschijnlijk dat ik mijn eigen pad in het leven zou kunnen kiezen.

Naast de tranen die ik die dag om de familie huilde die ik verloren had, moet ik toegeven dat ik er ook een aantal plengde om het verlies van de toekomst die mijn vader voor mij had gewenst – een leven waarin ik de scherpe, onderzoekende geest zou kunnen gebruiken die hij zo ijverig had gevoed en gestimuleerd. Een leven dat nu zo wreed was gekortwiekt.

Ik voelde een hand op mijn schouder, maar ik bewoog me niet.

‘Anni, Ma vertelde het me en ik vind het zo verschrikkelijk erg.’ Indira’s stem drong binnen in mijn gedachten. ‘Ik ben er voor je, Anni, ik beloof het, altijd. Ik zal voor je zorgen. Ik houd van je.’

Haar hand zocht de mijne en pakte hem zachtjes vast. Ik klampte me eraan vast alsof mijn leven ervan afhing.

Ze omhelsde mij, haar tanige lichaam beschermde mij terwijl ik huilde. Ik weet niet hoelang wij daar zo gezeten hebben tot ik eindelijk opstond en afscheid nam van mijn familie. Toen liep ik langzaam de tempel uit, arm in arm met de enige persoon in de wereld van wie ik wist dat ze werkelijk om mij gaf.

Later die avond kon ik niet slapen en maakte ik mij los van Indira’s warme lichaam dat beschermend tegen mij aan lag in bed. Ik ging de veranda op naast onze kamer. De nachtlucht was heerlijk koel en sterren straalden helder boven mij.

‘Maaji,’ fluisterde ik. ‘Ik zou bij je moeten zijn daarboven, en niet helemaal alleen hierbeneden!’ In mijn verdriet was het mij niet ontgaan dat als ik in Jaipur was gebleven met mijn moeder, ik ook niet meer op deze aarde zou zijn.

Toen hoorde ik plotseling een hoog geluid in mijn oren. Ik draaide me van links naar rechts om te zien wie daar zo mooi en helder zong. De veranda en de omgeving ervan waren volledig verlaten. Het zingen hield niet op, maar ging zachtjes door, kalmerend en troostend. Het deed me denken aan de wiegeliedjes die mijn moeder voor mij zong toen ik een baby was.

Opeens herinnerde ik mij mijn moeders woorden van lang geleden. En ik besefte dat ik, zoals zij gezegd had dat zou gebeuren, het zingen nu voor het eerst hoorde. Ik stond daar en voelde mijn moeder vlak bij me. Ze vertelde me dat haar gave aan mij werd overgedragen. Dat het mijn tijd nog niet was geweest en dat ik meer te doen had.

Een maand later, toen de regens bijna voorbij waren en de septemberlucht was afgekoeld, keerden we terug naar het paleis. Een oude vrouw die ik alleen van gezicht kende uit de zenana, kwam mij opzoeken.

‘Anahita, ik heb iets voor je.’

Ik keek haar verbaasd aan. Ze nam mij mee naar een rustig plekje, waar we gingen zitten.

‘Weet je wie ik ben?’ vroeg ze.

‘Nee.’

‘Mijn naam is Zeena en ik ben een baidh. Ik vervul dezelfde rol hier in het paleis als je moeder in Jaipur.’

Haar zwarte ogen boorden zich in de mijne en ik knipperde begrijpend. ‘U bent een genezer?’

‘Ja. Toen ze hier was om je te bezoeken, heeft je moeder waarschijnlijk haar eigen dood voorvoeld, want ze heeft mij iets toevertrouwd. Ze zei dat ik het je moest geven als haar iets zou overkomen.’ Zeena gaf me een klein stoffen zakje, dichtgebonden met een touwtje. ‘Ik heb niet gekeken wat erin zit, maar ik raad je aan om ergens naartoe te gaan waar je niet gestoord wordt en het dan te openen.’

‘Dat zal ik doen. Dank u wel dat u het mij hebt gebracht, wat het ook is.’ Ik boog dankbaar toen ik opstond.

‘Ze vertelde me dat jij ook de gave van de genezing bezit en vroeg mij of ik je wilde helpen.’ Ze keek me doordringend aan. ‘En ik geloof ook dat je de gave hebt. Ik leer je alles wat ik weet, als je dat wilt.’

‘Mijn moeder vertelde me toen ik klein was dat de gave op mij zou overgaan,’ antwoordde ik geëmotioneerd. ‘Ik wist dat mijn moeder dood was voor de maharani dat bevestigde.’

‘Natuurlijk wist je dat.’ Zeena glimlachte naar me en drukte een kus op mijn voorhoofd. ‘Kom naar me toe als je klaar bent om te beginnen.’

‘Dank u, Zeena.’

Ik haastte me naar mijn favoriete plekje op het paleisterrein. Het was een klein paviljoen, gewijd aan Durga, de godin van vrouwelijke macht, verborgen in een bosje, waar ik mijzelf vaak terugtrok om te lezen en na te denken. Ik zat met gekruiste benen en frommelde ongeduldig aan de strakke knoop van het touwtje. Ik wist dat dit zakje de laatste aardse geschenken van mijn moeder bevatte en had geen idee wat ik zou aantreffen.

Ik haalde de drie dingen die in het zakje zaten er voorzichtig uit en legde ze op de harde vloer voor mij. Er was een envelop met mijn naam erop, een klein, in leer gebonden notitieboekje en een kleinere juten zak, op zijn beurt met een touwtje dichtgebonden. Ik besloot om allereerst de brief open te maken.

..

Mijn liefste Anni,

..

Pyari, ik hoop dat ik het mis heb, maar de avond voor ik Cooch Behar Palace, en jou, mijn geliefde dochter, zou verlaten, zongen de geesten voor mij en vertelden mij dat ik mij moest voorbereiden. Terwijl ik dit schrijf, weet ik niet wat er zal gebeuren. En omdat we nooit in angst moeten leven voor wat er zal gebeuren, ben ik blij dat ik het niet weet. Anahita, mijn eigen, mooie dochter, ik weet dat als je deze woorden leest, ik van deze aarde ben vertrokken. Zoals je in het leven zult ervaren, is niemand die echt van je gehouden heeft ooit ver bij je vandaan.

Je bent een bijzonder kind. Ik weet dat alle ouders dit van hun kinderen vinden, maar jij bent met een reden op deze aarde gezet. Ik denk niet dat je reis gemakkelijk zal zijn en je moet niet vergeten dat het lot ons met veel moeilijke situaties opzadelt. Als je niet weet welke weg de juiste is, vraag ik je om je gave te gebruiken. Die zal je nooit in de steek laten.

Misschien heb je de geesten voor je horen zingen toen ik overging – dat gebeurde ook toen mijn moeder mij verliet. Ik weet zeker dat als je dit leest, je je eenzaam voelt. Dat hoeft niet, Anni, want je bent niet verlaten. Je leven is zoals het bedoeld is, en wordt bepaald door hogere machten. Vergeet nooit dat ons lot door hen wordt bestierd. Misschien, pyari, zit ik wel tussen hen in terwijl jij dit leest en begin ik er meer van te begrijpen.

De gave die jij hebt geërfd is een zegen en een vloek. Hij kan je meesleuren in een diepe duisternis als je de dood voorziet van iemand van wie je houdt, maar hij kan je ook optillen naar de sterren als je unieke krachten je helpen anderen te genezen.

Zoals je zult leren op je reis door het leven, mijn dochter, kan macht voor het goede en voor het kwade worden ingezet. Ik weet dat jij je gave verstandig zult gebruiken.

Ik heb twee voorwerpen achtergelaten bij Zeena, die ik volledig vertrouw en die jij ook volledig kunt vertrouwen. Laat haar jou alles leren wat zij weet – ze begrijpt wie je bent. Het eerste is mijn boek met ayurvedische formules, de recepten voor mijn genezingen. Het is van generatie op generatie tot mij gekomen en is erg oud en kostbaar. Ik hoop dat wat erin staat jou op je levensweg zal helpen. Zorg er goed voor, want het bevat de kennis en wijsheid van je voorouders, vrouwen van uitzonderlijke kwaliteit.

Het tweede is wat je lieve vader altijd onze ‘verzekering’ noemde. De inhoud zal je in ieder geval enige zekerheid bieden. Ik moet eraan toevoegen dat je vader me er nooit iets over verteld heeft tot de nacht dat hij stierf; ik weet niet hoeveel ze waard zijn en hoe hij eraan is gekomen. Misschien was hij van plan ze op een dag als bruidsschat voor jou te gebruiken. Als jij dat een geschikte bestemming vindt, dan is dat helemaal aan jou.

Mijn lieve dochter, laat je verdriet en je wanhoop over je huidige lot je niet weerhouden het leven te leiden dat zowel je vader als ik voor jou wensten. Je hebt nu misschien het gevoel dat we je in de steek hebben gelaten, omdat we er niet meer zijn, maar ik kan je verzekeren dat wij, op het moment waarop je dit leest, naar je kijken en van je houden.

Zoals je vader zei, wees altijd trouw aan jezelf.

Wees een goed meisje in alles wat je doet.

..

Ik houd van je,

..

Je liefhebbende moeder, xxx

Ik las de brief vele malen over, want de eerste paar keren kon ik door de tranen die mijn ogen vertroebelden de woorden niet onderscheiden. Toen opende ik met trillende vingers het juten zakje.

Deze keer ging de knoop gemakkelijk los en ik schudde de inhoud op de grond.

Er zaten drie stenen in. Ze zagen eruit als een bonk aarde die ik overal in India uit de grond zou kunnen halen. Ik nam de grootste in mijn hand en vroeg me af waarom mijn vader ze ‘verzekering’ had genoemd. In verwarring stopte ik ze terug in het zakje, stond op en liep verdrietig terug naar het paleis.

Pas enkele weken later kwam ik achter hun waarde; de maharani had een pakje ontvangen van de plaatselijke juwelier om een nieuw halssieraad uit te kiezen, een geschenk van haar man. De stenen – net zulke stukjes aarde als die van mij – werden op een bord uitgestald en de juwelier begon met een speciaal instrument de grond eraf te slijpen. Toen hij eindelijk de glinstering van dieprood binnenin had blootgelegd, begreep ik wat mijn vader mij had nagelaten: drie robijnen.

Uiteindelijk besloot ik om de juten zak weer mee terug te nemen naar het paviljoen en daar groef ik een klein gat onder de fundering en begroef hem diep onder de grond. Mijn moeder had gelijk gehad – ook al had ik geen flauw idee hoeveel de stenen waard waren, ik voelde me in ieder geval zekerder, omdat ik in geval van nood iets had om op terug te vallen. Toen ik wegliep van het paviljoen, voelde mijn hart iets lichter.

Vanaf dat moment, als Indira het druk had met prinses zijn op grote recepties of staatsiediners, bracht ik zoveel mogelijk tijd door met Zeena in de kruidentuin, vastbesloten om alles wat ik maar kon van haar te leren. Ook al had ik op dat moment niet de intentie om genezeres te worden of om de brouwsels in mijn moeders in leer gebonden notitieboek hun werk te laten doen, voelde ik me verplicht om te leren wat zij mij had willen bijbrengen. Nadat Zeena mijn moeders notitieboek had doorgelezen, terwijl haar kromme vingers met hun lange, gele nagels de drankjes op de bladzijden volgden, leek het alsof ze met hernieuwd respect naar me keek.

‘Jij komt uit een machtige lijn van baidh. Hierin staan recepten die maar bij heel weinigen bekend zijn.’ Ze sloeg de bladzijden om tot ze bij een bepaalde rubriek was aangekomen. ‘Kijk, er staan zelfs middelen in waarmee je een mens kunt doden!’ zei ze op fluistertoon.

Ik vroeg haar of ze ooit een drank had gebruikt om iemand kwaad te doen.

Ze staarde naar me en dacht na over haar antwoord. ‘Ik ben een genezeres, Anahita. Alleen de goden vertellen me welke drank ik moet gebruiken.’

Er was weinig wat ik verborgen hield voor Indira, maar mijn lessen met Zeena hield ik voor mezelf. Net als de begraven robijnen. Dat waren geheimen die mijn intuïtie mij opdroeg niet te delen.