11
Een jaar later
Indira rende onze slaapkamer binnen, gooide zich op het matras en beukte met haar vuisten op het kussen. ‘Ik ga niet! Ik kan niet! Ik zal niet!’ Ik keek vol ontzetting toe hoe mijn dertienjarige vriendin jammerde en gilde als een peuter. ‘Ze kunnen me niet dwingen! Ik loop weg! Ik doe het niet!’
In de afgelopen maanden had ik deze woede-uitbarstingen vaker meegemaakt, als Indira haar zin niet kreeg. Ik bleef rustig zitten en keek toe tot ze kalmeerde. Toen vroeg ik zachtjes: ‘Wat is er, Indy? Wat is er gebeurd?’
‘Mijn ouders willen dat ik net als mijn broers en mijn zus naar kostschool ga in Engeland. Ik háát Engeland! Het is er saai en ellendig en ik word er altijd verkouden!’
Ik keek geschokt naar Indira. Als ze haar naar school sturen, dacht ik egoïstisch, wat zou er dan van mij worden? ‘Ze kunnen je toch niet dwingen?’
‘Mijn vader wil dat ik ga. En hij is “God”, dus zijn wil is wet. Ook voor mij. Ik zweer je, ik ga dood!’ voegde ze er vol drama aan toe.
Natuurlijk was voor mij de gedachte aan een bezoek aan Engeland – het beroemde vaderland van de mensen die ons in India bestuurden – een avontuur waar ik altijd naar had verlangd. Ik stelde me voor dat ik de narcissen van Wordsworth zou zien, de sombere heidevelden van Yorkshire zou bezoeken waar de Brontës hun verhalen hadden geschreven en natuurlijk Londen, de Hoofdstad van de Wereld. Ik wist dat deze gedachten niet geschikt waren om mijn vriendin, die zo van slag was, nu mee te troosten.
‘Wanneer zou je moeten gaan?’
‘Ik vaar in augustus, en dan ben ik er aan het begin van het schooljaar, in september. Ik heb tegen Ma gezegd dat ik nooit goed zal zijn in leren en dat ik niet gemaakt ben om stil te zitten – en bovendien weet ik zeker dat ik zal wegkwijnen als een bevroren goudsbloem in dat koude, donkere land.’
‘O, Indy, ik ga je zo missen!’
‘Nee, Anni, ze willen niet alleen mij sturen, jou ook!’
‘Mij?’
‘Natuurlijk! Zelfs zij zijn niet zo gemeen dat ze mij alleen zouden laten gaan. Jij gaat met mij mee, tenzij jij een manier weet om ze te overtuigen dat we hier willen blijven. Ma is dol op Engeland en het Seizoen daar, dus ze staat helemaal niet aan onze kant. En hoe moet het dan met Pretty?’ riep Indira uit. ‘Ze zal doodgaan zonder mij. Ik weet het zeker!’
Ik probeerde net zo bezorgd en verdrietig te kijken als voordat Indira mij had verteld dat ik mee zou gaan op reis. ‘Is het echt zo verschrikkelijk?’ vroeg ik haar. ‘Je moeder en vader lijken toch erg van je te houden, en je broers en zus ook. Ze zeiden dat Londen een prachtige stad is, waar de straten door elektriciteit worden verlicht en de vrouwen vrij kunnen rondlopen. Ze kunnen zelfs hun enkels laten zien!’
‘Wij komen niet in de buurt van Londen.’ Indira liet haar hoofd hangen. ‘Ze sturen ons naar de school waar mijn zus ook naartoe is gegaan – een afschuwelijk oord aan die ijskoude Engelse zee. O, Anni, wat moeten we in vredesnaam doen?’
‘We hebben tenminste elkaar,’ zei ik voorzichtig. Ik stond op en ging naast haar op het bed zitten. Ik nam haar handen in de mijne. ‘Huil niet meer, Indy. Zolang we elkaar hebben, kunnen we alles aan, toch?’
Indira haalde haar schouders op. Haar ogen waren neergeslagen. Ze wist dat ze deze keer verslagen was.
‘Ik zal voor je zorgen, ik beloof het.’
Tijdens onze laatste drie maanden in India zat Indira voortdurend te mokken en ik raakte steeds opgewondener. In het hete seizoen verhuisden we weer naar de zomerresidentie van de koninklijke familie in Darjeeling.
‘Dit koelere klimaat bereidt je voor op de tijd overzee,’ zei haar vader, de maharadja, op een zwoele avond tegen haar, toen de familie na het eten op de veranda bij elkaar zat.
‘Pa, níéts bereidt me voor op Engeland,’ gromde Indira humeurig. ‘Je weet dat ik het vreselijk vind.’
‘Net zoals ik het vreselijk vind dat ik mij steeds met staatszaken moet bezighouden en nooit een dag voor mijzelf heb,’ zei haar vader streng tegen haar. ‘Echt, Indira, je moet leren dat het leven niet alleen maar een pretje is.’
We keerden vroeger dan gebruikelijk terug naar Cooch Behar Palace vanuit Darjeeling om ons klaar te maken voor de reis. De hele familie zou samen naar Engeland varen, en er moesten enorme kisten en kratten worden ingepakt – de maharani stond erop dat ze een klein beetje van haar thuis meenam, waar ze ook naartoe ging. Indira raakte in een staat van wanhopige moedeloosheid waar zelfs ik haar niet uit kon halen. Ze stond erop dat ze ’s nachts bij Pretty de olifant mocht slapen, in de pilkhana, en wat ik ook deed, ik kreeg haar niet mee naar binnen.
‘Ik kan niet eens zeggen dat ik thuis zal zijn met Kerstmis,’ zei ze en ze keek naar de halfvolle kisten op de vloer van onze slaapkamer. De tranen stroomden over haar wangen. ‘Er is niet genoeg tijd om terug te varen. Ik zal Pretty bijna een jaar niet zien!’
Ik pakte de weinige dingen in die ik bezat: mijn moeders boek met recepten, haar shil noda en een kleine selectie gedroogde kruiden voor het geval ik in Engeland ziek zou worden. Na er goed over te hebben nagedacht besloot ik mijn robijnen in hun schuilplaats onder het paviljoen te laten. Ik dacht dat ze daar veiliger zouden zijn dan in mijn koffer of reistas.
Vier dagen later stond ik op het dek van het grootste en mooiste schip dat ik ooit had gezien, terwijl het wegvoer uit de haven van Calcutta. Ik had er geen idee van dat we veel langer zouden wegblijven dan we ons hadden kunnen voorstellen.
Het koninklijke gezelschap was ondergebracht in een rij bovendekse luxehutten. Indira en ik hadden onze eigen hut aan de gang die was ingericht voor de familie en de adjudanten, meiden en algemene staf waaruit ons gezelschap bestond. Ik was eraan gewend om in enkele roepies te tellen en dacht dat voor het onderhouden van hun levensstijl ze zoveel geld moesten hebben dat ze de hele wereld konden kopen. Twee keer, als het nodig was.
Zelfs bij Indira kon er een lachje af toen we de verschillende moderne snufjes in onze hut onderzochten. We mochten ook, nu we allebei bijna veertien waren, samen met de rest van de familie de cocktailparty’s bezoeken die Indira’s ouders organiseerden in hun suite. Net als Indira had ik een geschikte westerse garderobe aangemeten gekregen – vreemd gevormde tunieken van mousseline en kriebelige wollen truien, die ik nodig zou hebben als we aan de koude kust van Engeland zouden zijn aangekomen.
Terwijl ik worstelde om de kleine parelmoeren knoopjes dicht te krijgen van een ongemakkelijk strakzittend blouseje, merkte ik mijn ontluikende lichaam op in de spiegel. Het was vreselijk ongemakkelijk geweest toen Miss Reid mij had gesuggereerd dat het misschien tijd was om een bh te dragen. Ze had me ook lappen gegeven voor wat ze mijn ‘maandelijkse periode’ noemde. Ik had er onlangs een gehad, tot mijn schrik, maar gelukkig was het daarna niet meer gebeurd. Mijn nieuwe, vollere lichaam viel nog extra op omdat Indira’s lichaam nauwelijks leek te zijn veranderd. Ze was alleen in de lengte gegroeid, niet in de breedte, en was nu zo’n acht centimeter langer dan ik. Ik voelde me als een bolle granaatappel naast een banaan.
‘Zijn jullie klaar, meisjes?’ vroeg Miss Reid toen de meid de laatste hand legde aan het kammen van Indira’s glanzende zwarte haar.
‘Ja, Miss Reid,’ antwoordde ik voor ons beiden.
‘Ik weet gewoon al dat dit saai zal zijn,’ zei Indira en ze trok haar wenkbrauwen op toen we onze hut verlieten en door de gang naar de salon liepen. We hoorden de band spelen en een crooner westerse liedjes zingen toen we de enorme, rijkversierde ruimte binnenliepen. De glinsterende juwelen die de vrouwelijke gasten droegen vingen het licht van de kroonluchters. Alle dames waren in westerse kleding, ook de maharani, die een schitterende saffierblauwe avondjurk droeg. Ik heb nooit kunnen beslissen of ik haar mooier vond in een sari of een cocktailjurk – Ayesha paste zich als een kameleon perfect aan beide aan.
‘Blijf bij me, alsjeblieft,’ zei Indira en ze trok me door de menigte naar een ober.
‘Een drankje, Miss?’ Een kelner in een smetteloos wit uniform hield ons een blad voor.
Indira knipoogde naar me toen ze twee glazen champagne koos van het assortiment op het blad. De kelner keek onderzoekend naar haar, maar voor hij iets kon zeggen, was Indira alweer tussen de mensen verdwenen, met mij achter zich aan.
‘Toe maar, probeer het maar,’ zei ze en ze gaf me een glas. ‘Ik vind het lekker. De belletjes gaan je neus in.’ Ze zette het glas aan haar lippen.
‘Vind je echt dat we dit moeten doen?’ Ik keek nerveus om me heen. ‘Er zit alcohol in, Indy. Ik weet zeker dat we in de problemen komen als iemand ons ziet.’
‘Wat geeft het, Anni? En bovendien, we zijn bijna volwassen. Toe,’ spoorde ze mij aan.
En dus zette ik het champagneglas aan mijn lippen en nam een slokje. Toen de belletjes mijn neus in gingen, proestte ik het uit en Indira keek lachend toe.
‘Lieve hemel, toch niet nu al aan de champagne, meisjes? Op jullie leeftijd?’
Ik wilde wel door de grond zakken van schaamte toen Raj, Indira’s oudste broer, geamuseerd op mij neerkeek, terwijl de tranen uit mijn ogen stroomden. ‘Hier, Anahita, hier is mijn zakdoek.’
‘Dank je,’ zei ik en ik veegde mijn ogen af en snoot mijn neus. Ik vervloekte mezelf om de slechte timing. Het afgelopen jaar had ik gevoelens gekregen voor Raj. Hij was voor de zomer naar Darjeeling gekomen, nadat hij net Harrow had afgerond, een school in Engeland die de zonen van de Engelse en buitenlandse aristocratie ontving. Hij leek onmogelijk volwassen en ontwikkeld in zijn westerse kleding en was de knapste jongeman die ik ooit had gezien.
‘Mag ik mijn vriend, prins Varun van Patna, voorstellen? Hij en ik gaan dit schooljaar samen naar Oxford. We zullen ze daar weleens laten zien wat cricket is, nietwaar?’ Raj deed of hij een bal wegsloeg.
‘Absoluut,’ zei prins Varun. ‘Vermaken jullie je een beetje op deze reis, meisjes?’
Ik wendde me naar Indira, die meestal voor ons allebei antwoordde in dergelijke situaties, maar Indira staarde in de ogen van prins Varun en kon geen woord uitbrengen.
‘Ja,’ antwoordde ik haastig. ‘Het is de eerste keer dat ik buiten India ben.’
‘Dan zul je zeker je ogen uitkijken in Engeland, en je zult schrikken van het weer,’ zei Raj lachend. ‘Ik hoop dat je een heleboel warme kleren hebt ingepakt, en epsomzout. En wees voorbereid op de mosterdbaden, mocht je op school verkouden worden. Die lijken op niets wat je ooit hebt meegemaakt.’
Indira stond nog altijd zwijgend naar Varun te staren, dus ik zei: ‘Ja, ik denk dat we goed zijn voorbereid.’
‘Goed zo. Nou, we laten jullie weer met rust.’ Raj boog zich naar mij over en wierp een blik op zijn zus. ‘Je bent erg stil, Indira. Voel je je wel goed?’
‘Ja.’ Indira wendde haar blik dromerig af van prins Varun. ‘Ik voel me prima.’
In tegenstelling tot Indira’s eerdere bewering dat ze het ‘saaie’ feest zo snel mogelijk wilde verlaten, stond ze er nu op dat we in een hoekje gingen zitten en naar de gasten keken. Uiteindelijk begon ik zelfs te gapen en naar mijn bed te verlangen. Eindelijk stond ik op. ‘Kom mee, Indira. Ik ben moe.’
‘Nog vijf minuten,’ zei Indira en ik volgde haar blik naar waar Raj en Varun geanimeerd met een paar Engelse vrouwen stonden te praten.
Ten slotte lukte het mij haar de zaal uit te slepen, over de gang, en naar onze hut. We kleedden ons uit en stapten in bed.
‘Indy, je was heel stil vanavond. Wat is er aan de hand?’
Indira’s ogen waren dicht, maar ze zuchtte licht. ‘Ja. Ik voel me prima. Ik heb alleen de man ontmoet met wie ik ga trouwen, dat is alles.’
‘Wat?!’
‘Ja, ik zag hem en ik wist het gewoon.’
‘Bedoel je Varun?’
‘Natuurlijk.’
‘Maar Indy, hij is een prins! Dat betekent dat al door zijn ouders is beslist met wie hij zal trouwen.’
‘Net als mijn ouders al hebben beslist met wie ik zal trouwen.’ Haar ogen gingen plotseling weer open en ze wierp een van haar diepe, alwetende blikken op mij. ‘Ik beloof het je, Anni, op een dag is hij mijn echtgenoot.’
In de weken die volgden werd het leven aan boord een kat-en-muisspel, omdat Indira absoluut Raj en Varun wilde stalken, alleen maar om weer een glimp op te vangen van haar ‘toekomstige echtgenoot’. Dit hield in dat we onopvallend rondhingen buiten hun hut, als ze die verlieten om te gaan ontbijten of lunchen, of gingen biljarten of croquet gingen spelen op een van de dekken. We moesten dan zo nonchalant mogelijk tevoorschijn komen, alsof het toeval was dat we ze daar tegenkwamen, en dan naar welk spel ze ook speelden gaan zitten kijken.
Opeens begon het meisje dat nog nooit om haar uiterlijk had gegeven moeilijk te doen over wat ze ’s avonds naar het diner aan moest, parfum te stelen van haar moeder en lippenstift van haar zus.
Ik vrees dat ik het hele gedoe belachelijk vond en nogal irritant. Indira was gewoon voor het eerst verliefd en ik wist dat het ook zo weer voorbij zou gaan. Indy zou echter Indy niet zijn als ze zich niet met volledige overgave in haar nieuwe passie zou storten.
Op de laatste avond voor we in Southampton zouden aankomen was het koninklijke gezelschap uitgenodigd om te dineren aan de kapiteinstafel. Indira’s emoties schoten heen en weer tussen welke jurk ze aan zou doen en het feit dat dit de laatste keer was dat ze prins Varun zou zien. Ik had er wijselijk van afgezien op te merken dat ze net zo goed niets zou kunnen aantrekken, omdat Varun haar hoe dan ook zou blijven zien als wat ze in feite was, een klein meisje.
‘Kijk, Minty heeft me een van haar oude jurken geleend!’ Indira stormde de kamer binnen met een perzikkleurige chiffon avondjurk over haar arm. ‘En hij past me perfect!’
‘Die durf je toch zeker niet aan te doen?’ vroeg ik voorzichtig. Ik dacht aan de preutse mousseline en katoenen jurken die tot aan de kin waren dichtgeknoopt en pasten bij onze nog altijd kinderlijke status.
‘Ja! Anni, begrijp je het dan niet? Ik moet iets opvallends doen, zodat Varun mij ziet!’
‘Dat lukt je nooit. Miss Reid laat je in geen miljoen jaar in die jurk naar buiten gaan. En bovendien, wat zou je moeder wel niet zeggen?’
‘Ik ben over vier maanden veertien. Jeetje, veel meisjes in India zijn dan al getrouwd,’ protesteerde Indira. ‘Anni, je moet me helpen. Ik kleed me gewoon normaal aan, samen met jou, en als Miss Reid ons naar de eetzaal heeft gebracht, zeg ik dat ik iets ben vergeten en ren ik naar beneden en doe ik deze jurk aan. Wat denk je?’
De afschuw stond op mijn gezicht te lezen. ‘Alsjeblieft, Indy, wat zal je vader niet denken? Wil je hem te schande maken?’
‘Echt, Anni!’ Indira hield de jurk tegen zich aan. ‘Ik kom toch zeker niet in mijn ondergoed. Het is gewoon een meer volwassen versie van wat ik normaal aan zou hebben.’
En inderdaad, ik zag dat de jurk nog tamelijk netjes was, met een vierkante halslijn en een lijfje dat onder de borsten was ingenomen en dan in zacht golvend chiffon uitliep tot aan de voeten.
‘Minty had hem aan op haar zestiende verjaardag. Zo erg kan hij dus niet zijn.’
Ik zuchtte en besefte dat wat ik er ook van vond, het toch zou gebeuren.
Later die avond, toen Miss Reid met ons meeliep de grote trap in het schip op en we de ingang van de eetzaal naderden, bracht Indira haar hand naar haar mond.
‘O, Miss Reid! Ik had gezegd dat ik Lady Alice Carruthers een boek zou lenen en dat ik het vanavond mee zou nemen aan tafel. Het is morgen vast veel te druk, als het schip aanlegt.’
‘Zal ik het even voor je halen, lieverd?’ vroeg Miss Reid.
‘Nee, doe geen moeite. Ik ga wel. Ik weet precies waar het ligt.’
Indira draaide zich om en vloog de trap af voor iemand haar kon tegenhouden. Ze liet Miss Reid en mij achter bij de deur van de eetzaal.
Ik ging zitten in een van de vergulde stoelen in de gang. ‘Miss Reid, alstublieft, ik wacht hier wel op haar. Ik weet dat u nog niet hebt gegeten en het wordt morgen een lange dag. Ik zit hier goed, echt.’
‘Als je dat zeker weet, liefje,’ zei ze instemmend. ‘Indira kennende en de wanorde waarin ze haar spullen bewaart, zou het nog wel een kwartier kunnen duren voor ze terug is en ik heb nog heel veel inpakwerk te doen na het eten vanavond.’
‘Echt, maak u geen zorgen,’ zei ik, opgelucht dat ik haar had kunnen overtuigen om naar de kantine benedendeks te gaan waar het personeel at. ‘Ik beloof u dat ik hier blijf zitten tot ze terugkomt.’
‘Nou, goed dan, lieverd, dank je wel. Ik kom jullie om tien uur weer halen.’
Ik keek haar na toen ze de trap af liep en wist dat het geholpen had dat ze mij beschouwde als de betrouwbaarste van ons tweeën. Ik had zelden een pas verkeerd gezet in haar aanwezigheid. Terwijl ik op Indira wachtte, vermaakte ik mij met het kijken naar de elegante gasten die de eetzaal binnengingen. Ze spraken in hun afgemeten Britse accent en ik had er moeite mee om het te verstaan. Ik bedacht me dat Engels leren in India misschien weleens iets heel anders zou kunnen zijn dan echt begrijpen en begrepen worden in het land zelf.
Eindelijk, toen de laatste gasten waren gepasseerd en de eetzaal binnen waren gegaan en ik me begon af te vragen of Indira wel op tijd zou komen voor het zeggen van het gebed (de Engelsen zeiden ‘Grace’ voor ze gingen eten), zweefde er een wolk van perzikkleurig chiffon de trap op, in mijn richting.
Ik knipperde met mijn ogen en kon nauwelijks geloven wat er met mijn jongensachtige vriendin was gebeurd. De jurk paste precies rond haar lange, slanke lichaam en ze had haar haren opgestoken, waarna ze er een perzikkleurige roos in had gedaan. Ze zag er adembenemend uit, een jongere versie van haar moeder.
‘Hoe zie ik eruit?’ fluisterde ze zenuwachtig.
‘Prachtig! Kom!’ Ik stond op en liep naar de deuren van de eetzaal. We duwden ze open, net op het moment dat de ceremoniemeester in zijn handen klapte en zei: ‘Dames en heren, stilte alstublieft, voor uw kapitein.’
Alle hoofden draaiden in de richting van de kapitein, die – je zal het altijd zien – midden in de zaal zat, slechts een paar meter van de enorme deuren waardoor Indira en ik onze stiekeme entree wilden maken. Alle ogen waren op ons gericht en ik stond stil als een konijn, gevangen in het licht van de koplampen. Mijn wangen kleurden roder dan het vermiljoen op Indira’s lippen.
De kapitein keek waar de andere gasten naar keken. ‘Dames…’ Hij gebaarde naar ons. ‘Gaat u alstublieft zitten voor ik Grace zeg.’
‘Dank u.’ Indira liep, totaal niet onder de indruk, met opgeheven hoofd naar de kapiteinstafel, koninklijk in haar houding en zonder ook maar een spoortje verlegenheid omdat zij in het middelpunt van de aandacht stond. Voor het eerst zag ik haar echt als een prinses. We gingen zitten op de twee stoelen die aan het eind van de tafel voor ons waren vrijgehouden, en toen ik haar volgde, zag ik prins Varun. Er bestond geen twijfel over dat hij naar haar keek met een andere uitdrukking in zijn ogen.
Ik kon die avond mijn ogen niet van Indira afhouden, omdat de perzikkleurige jurk haar een nieuwe rijpheid leek te geven, een nieuwe elegantie en charme. Zelfs haar ouders, die toch geschokt moesten zijn geweest toen hun dochter haar entree maakte, keken nu welwillend naar haar.
En weer, dacht ik, terwijl ik daar zat in mijn mousseline jurk en me voddig en ongemakkelijk voelde, had schoonheid haar magie uitgeoefend op iedereen die haar aanschouwde. Niemand was boos, maar iedereen bewonderde Indira. En toen de band begon te spelen, nodigde de maharadja zelf zijn jongste dochter uit op de dansvloer. En daarna Raj, haar broer, en ten slotte prins Varun. Toen Miss Reid om tien uur verscheen en mij vroeg waar Indira was, wees ik naar de dansvloer.
Ik keek hoe Miss Reid naar haar zocht.
‘Waar?’
‘In de perzikkleurige jurk. Ze danst met prins Varun.’
Ik zag hoe de realisatie tot haar doordrong. Ze bracht een hand langzaam naar haar mond, vol afgrijzen, waarna ze nerveus in de richting van de maharani keek. ‘Ik raak hierdoor vrijwel zeker mijn baan kwijt. Wist jij van haar plan?’
‘Ja,’ zei ik. ‘Maar wat had ik kunnen doen?’
‘Wat hadden we allebei kunnen doen?’ Miss Reid zuchtte diep. ‘Ze is een prinses.’
Ik lag die avond in bed en luisterde terwijl Indira de details van haar triomf steeds weer navertelde, die was geëindigd met een dans met prins Varun. Hij had aan het eind blijkbaar gefluisterd dat ze een prachtige jonge vrouw werd, net als haar moeder. En iets in mij begon te knagen aan de fundamenten van de overtuiging dat Indira en ik altijd samen zouden zijn; het was maar een klein scheurtje. Ze groeide voor mijn ogen op en op een dag, dacht ik en ik beet op mijn lip om mijn tranen tegen te houden, zou mijn vriendschap niet meer genoeg zijn voor haar. Ze zou de liefde van een man nodig hebben.
Ik werd de volgende dag wakker met een angstig gevoel. Ik vreesde de gevolgen van Indira’s gedrag van de vorige avond. Wonderlijk genoeg bleven die uit. In plaats daarvan, terwijl iedereen op het schip rondrende om afscheid te nemen van de nieuwe vrienden die ze aan boord hadden ontmoet, hoorde ik alleen maar hoe mooi Indira eruit had gezien. Het leek erop dat het lelijke eendje in een zwaan was veranderd en niemand leek zich te storen aan het feit dat zij de regels had genegeerd.
Indira rende van hut naar hut om afscheid te nemen van haar nieuwe vrienden, maar ik ging aan dek om te zien hoe het nieuwe land waarover ik zoveel had gehoord naderbij kwam.
Hoewel het augustus was, naar ik gehoord had een van de warmste maanden in Engeland, huiverde ik in mijn dunne katoenen blouse. Het was nog vroeg en er hing mist boven de haven van Southampton. Ik ademde voor het eerst de Engelse lucht in en vond hem vooral nogal kleurloos. Hij rook naar niets, behalve schone, zilte wind.
Ik probeerde mezelf uit mijn sombere stemming te halen door te denken dat ik over een uur of zo het beroemde, groene en fijne land zou betreden dat de grootste schrijvers ter wereld tot hun mooiste boeken had geïnspireerd.
Ik kon het niet.
Misschien, troostte ik mijzelf, was ik gewoon uitgeput van de emotionele stress van gisteravond, maar ik wist dat het dieper zat. Ik was nog niet gewend aan de nieuwe, vreemde gevoelens die ik kon hebben sinds ik het zingen had gehoord en ik stond daar en voelde een rilling langs mijn ruggengraat gaan, mijn huid tintelde en de haartjes op mijn arm gingen recht overeind staan. Ik heb later geleerd dat die sensatie mij waarschuwde voor gevaar, maar die dag, toen ik probeerde te begrijpen wat het betekende, voelde het alleen alsof al mijn zintuigen op scherp stonden.
De scheepstoeter loeide voor de laatste keer toen het schip aanlegde en er heerste een kermisachtige vrolijkheid op de dekken. Op de kade zag ik kleine figuurtjes met Union Jack-vlaggen zwaaien terwijl ze wachtten op een eerste glimp van hun geliefden die terugkeerden.
Toen iedereen terugkeerde naar zijn hut om zijn bezittingen bij elkaar te zoeken en zich klaar te maken om van boord te gaan, liep het dek leeg en bleef ik alleen achter. Ik huiverde nogmaals, zowel door mijn eenzaamheid en angst als door de kou. Toen ik in mijn zak naar een zakdoek zocht, werd ik opeens omhelsd door twee warme, bruine armen.
‘Wat doe je hier, helemaal in je eentje? Ik heb je overal gezocht.’ Indira trok me dicht tegen zich aan, haar zoete adem smolt het ijs dat in mijn aderen was ontstaan.
‘Ik keek naar Engeland.’
Ze draaide me om en bestudeerde mijn gezicht. ‘Je hebt gehuild, Anni. Waarom?’
‘Ik weet het niet,’ zei ik naar waarheid.
Een slanke vinger veegde een traan van mijn wangen. ‘Niet huilen, Anni, en wees alsjeblieft niet bang. Ik ben er, weet je nog?’ Indira sloeg haar armen om me heen en trok me tegen zich aan. ‘En ik zal er altijd zijn.’