12
De eerste twee weken waren we ondergebracht in een mooi victoriaans huis in Pont Street, Knightsbridge. Hoewel het huis het formaat van een konijnenhol had, vergeleken bij het paleis waar we aan gewend waren, maakte dat eigenlijk niets uit, omdat er buiten zoveel te doen en te zien was. In weerwil van Indira’s beweringen hoe ze Engeland haatte, trommelde ze onmiddellijk de chauffeur van de familie op en was ze vastbesloten om mij de wonderen van Londen te laten zien. We reden over The Mall om Buckingham Palace te zien en de Changing of the Guard. We bezochten de Tower of London, waar Indira mij met smaak de gore details vertelde over hoe de Engelse koning Hendrik viii het hoofd van twee van zijn vrouwen had laten afhakken, omdat hij een ander wilde trouwen.
‘Wat stom dat ze maar één vrouw tegelijk mogen trouwen en ze moeten vermoorden als ze iemand anders willen!’ Ze giechelde. ‘Weet je dat Pa wel acht vrouwen zou kunnen hebben, als hij dat wilde?’
We gingen naar Trafalgar Square en voerden de duiven die rond Nelson’s Column scharrelden, waarna we een boot namen om over de Theems te varen. Eigenlijk was Indira’s favoriete plek in Londen slechts enkele meters van ons huis in Pont Street verwijderd.
Toen ze mij voorging door de voordeur, vertelde ze mij dat we zojuist de beroemdste winkel in de hele wereld hadden betreden.
‘Ik ben dol op Harrods. Ze verkopen er alles, van nieuwe sleutels voor een kapot slot tot kaas en kleren – zelfs Indiase olifanten! En,’ voegde ze eraan toe toen we in de lift naar boven gingen, ‘Ma heeft hier een rekening, dus wat je maar wilt hebben, zeg het gewoon.’
Inderdaad was de Harrods-winkel, of warenhuis, zoals zij het noemde, een echte grot van Ali Baba. Soms nam Indira een van de ernstig kijkende verkopers in de maling door ze te vragen of ze ook parkieten of jacaranda’s hadden.
‘Wel, jongedame, u vindt de parkieten op de huisdierenafdeling en de bomen op de tuinafdeling. Als zij niet op voorraad hebben wat u wenst, weet ik zeker dat Harrods het voor u kan bestellen,’ antwoordde de verkoper dan.
‘O, Indy, plaag ze alsjeblieft niet zo!’ smeekte ik als ze giechelend wegliep en ik me doodschaamde.
Ze nam me mee naar boven, naar de spectaculaire speelgoedafdeling, waar de verkopers haar begroetten als een vriendin die ze lang niet hadden gezien.
‘Toen ik nog heel klein was, ontsnapte ik altijd uit ons huis en kwam ik hier om wat ik maar wilde te bestellen. Ik liet het op Ma’s rekening zetten, en ze heeft het heel lang niet eens gemerkt.’ Indira lachte toen we weer naar beneden gingen met de verbazingwekkende bewegende trap die zij de roltrap noemde.
‘Vandaag koop je daar niets?’
‘Nee, ik denk dat ik te groot ben geworden voor speelgoed, vind je niet? Laten we naar de damesafdeling gaan. Ik heb nog nooit een confectiejurk gepast. Dat is vast heel leuk!’
Nadat ze een hele reeks verkoopsters voor haar karretje had gespannen om haar een collectie mooie jurken te brengen, volgde ik Indira in de paskamer, zodat ze ze kon passen. Nadat we daar twee uur hadden doorgebracht, begon mijn geduld op te raken.
‘Weet je zeker dat je moeder het niet erg vindt?’ zei ik toen Indira in weer een schitterende creatie ronddraaide en de verkoopster opdroeg die toe te voegen aan haar toch al enorme stapel.
‘Pas als ze over een paar weken de rekening krijgt.’ Ze grijnsde.
Onderweg naar beneden, naar de uitgang, passeerden we de boekenafdeling en ik bleef even verlangend staan kijken. Indira zag het en, misschien omdat ze zich schuldig voelde dat ze mij zo lang had verveeld met het passen van die jurken, stelde voor om te gaan kijken.
Hier vond ik mijn eigen wonderland. Voor mij stonden eindeloze rijen van de boeken die ik achter de glazen deuren van de bibliotheek in het Cooch Behar Palace had zien staan. En hier kon ik ze gewoon van de plank pakken. Ik pakte het ene na het andere boek en streelde de titels in goud-op-snee.
‘Kies wat je maar wilt, Anni,’ zei Indira, net zo ongeduldig naast me als ik was geweest op de damesafdeling.
Deze keer protesteerde ik niet en ik koos drie boeken: Bleak House van Charles Dickens, Jane Eyre van Charlotte Brontë en Pride and Prejudice van Jane Austen. Ik drukte ze tegen mij aan toen we Harrods verlieten en kon nauwelijks geloven dat ze van mij waren en ik ze nooit zou hoeven teruggeven.
In de slaapkamer die Indira en ik deelden op de bovenverdieping van het huis aan Pont Street maakte ik ruimte op een plank en zette daar trots mijn drie boeken op. Ik zwoer dat ik op een dag genoeg geld zou verdienen om zoveel boeken te kunnen bezitten als ik maar wilde.
Hoewel ik helemaal vol was van de nieuwe indrukken en geluiden van Engeland, versterkte mijn tijd in Londen mijn gevoel van afhankelijkheid van de koninklijke familie van Cooch Behar. In het paleis waren mijn behoeften klein geweest en was ik gewoon een van de honderden die verzorging en voeding nodig hadden. Hier in Londen werd ik me er echter scherp van bewust. Indira had altijd genoeg geld en was daar enorm scheutig mee, maar ik vond het niet prettig om haar om iets te vragen. In de kleine gebedsruimte die in een van de rustiger kamers achter in het huis was ingericht knielde ik neer en bracht het puja-offer aan Lakshmi, de godin van de rijkdom, in de hoop dat ik op een dag een manier zou vinden om financieel onafhankelijk te zijn.
Een paar dagen later keerden Indira en ik terug naar Harrods, nu onder het waakzame oog van Miss Reid. We gingen naar een heel andere afdeling, die van de schooluniformen.
‘We moeten een stropdas dragen! Als mannen!’ riep Indira uit toen Miss Reid haar liet zien hoe ze die rond haar nek moest strikken. ‘Aargh!’ Indira legde haar handen rond haar nek, en zette grote, verschrikte ogen op. ‘Het voelt alsof ik gewurgd word!’
Toen volgde een selectie van blouses, hesjes en truien die zo kriebelden dat het was alsof er duizend vliegen over mijn huid kropen.
‘En deze,’ zei de verkoper, ‘dragen de meisjes naar wedstrijden, zoals netbal en hockey.’ Ze hield een vormeloze roodbruine tuniek en een wijde bijpassende broek omhoog.
‘Netbal? Hockey? Ik wil helemaal niet weten hoe je deze spellen speelt,’ zei Indira uit de hoogte.
‘Ik weet zeker dat je ze geweldig vindt als je ze eenmaal geprobeerd hebt, lieverd,’ zei Miss Reid, een bron van eindeloos geduld. ‘En je bent zo goed in buitenactiviteiten. Je zult je helemaal kunnen uitleven bij Engelse balsporten.’
‘Ik weet zeker dat ik er niks aan vind,’ mokte Indira.
Miss Reid en ik wisselden een veelbetekenende blik toen ze de paskamer binnen stampte om de foeilelijke tuniek te passen.
Een week later, toen we in de auto naar Eastbourne in Sussex reden, zat Indira naast me op de achterbank van de deftige Rolls-Royce en staarde verdrietig naar het groene Engelse landschap, wat ikzelf erg mooi vond. De herfst was al zichtbaar; de blaadjes werden goudgeel en de zachtheid van de vroege ochtendmist maakte me slaperig. Miss Reid bracht ons weg en zat voorin met de chauffeur te praten. Eindelijk arriveerden we voor een streng grijs gebouw dat me, misschien onterecht, aan Dotheboys Hall deed denken, de school waar de jonge Nicholas Nickleby de baan van assistent-onderwijzer krijgt in het verhaal van Charles Dickens.
De chauffeur laadde onze koffers uit de kofferbak voor in de auto en Indira weigerde uit te stappen. Miss Reid en ik stapten uit en bekeken de school.
‘Niet zenuwachtig zijn, lieverd, ik weet zeker dat je veel zult hebben aan je tijd hier. En,’ voegde ze er op fluistertoon aan toe, ‘Indira is voor het eerst zonder meid. Ze zal voor zichzelf moeten zorgen. Denk eraan dat je dan misschien geen prinses bent, maar een meisje van goede afkomst, niets minder dan een nichtje van de maharani. Laat haar jou niet als haar bediende behandelen.’
‘Dat doet ze vast niet,’ zei ik loyaal.
Miss Reid had geen tijd om meer te zeggen, want een humeurige Indira was ons gevolgd uit de auto, en zat nu in kleermakerszit op de oprit.
‘Sta op, lieverd!’ spoorde Miss Reid haar aan. ‘En gedraag je als de jonge vrouw die je de afgelopen weken zo graag wilde zijn.’
Indira bewoog zich niet. Ze sloeg haar armen alleen nog vaster over elkaar, alsof ze haar punt nog duidelijker wilde maken, en staarde zwijgend in de verte.
Ik liep om de auto heen en hurkte naast haar. ‘Kom nou, Indy, de andere meisjes zien je misschien en vinden je een baby. Bovendien,’ voegde ik eraan toe, ‘is het hier misschien wel leuk.’
‘Ik vind het hier vreselijk,’ gromde Indira en ik zag dat haar ogen vol tranen stonden. ‘Niemand van mijn familie vindt het erg dat ik weg ben. Pa had het zelfs te druk om afscheid te nemen. Ze wilden gewoon van me af.’
‘Je weet dat dat niet waar is. Ze zijn allemaal dol op je; en je vader wil zeker dat je hem trots maakt. Luister,’ fluisterde ik, ‘je hebt veel geld, toch?’
Ze knikte.
‘Goed.’ Ik gebruikte mijn laatste wapen. ‘Als we het niet leuk vinden hier, dan lopen we gewoon weg en nemen we de eerste boot terug naar India. Wat denk je daarvan?’
Ze draaide zich om en haar ogen lichtten op bij de gedachte aan zo’n avontuur.
‘Ja,’ zei ze toen ze eindelijk opstond en het witte stof van het grind van haar rok klopte. ‘Daar zouden ze niet van terug hebben, hè?’
‘Nee. Ben je zover?’ vroeg ik haar.
‘Ik ben zover.’
En zo liepen we hand in hand de trap op en de school binnen.
Miss Reid had ons al gewaarschuwd dat de andere meisjes ons met grote ogen zouden bekijken. Indiase meisjes waren nog altijd zeldzaam op een Engelse kostschool. De eerste week hielden we onze rug recht onder het gestaar en het gefluister dat onze aanwezigheid teweegbracht, en het giechelen dat we hoorden als we kip in plaats van rundvlees kregen voorgeschoteld in de eetzaal. Toen de meisjes ons negeerden, hingen we nog meer aan elkaar dan we al deden. Vooral ’s nachts in de tochtige slaapzaal, als Indira bij mij in bed klom zodat we elkaar konden verwarmen en troosten.
‘Ik wil naar huis,’ huilde ze en haar tranen drupten op mijn nachthemd. ‘Alsjeblieft, Anni, laten we doen wat jij zei en weglopen.’
‘Gauw, ik beloof het, maar we moeten lang genoeg blijven dat je ouders begrijpen dat je het echt hebt geprobeerd.’
Indira was niet de enige die zich ellendig voelde. Ik vond mijn nieuwe leven ook verschrikkelijk. Ik haatte de kou van de Engelse ochtend, als mijn botten bevroren en mijn lichaam overdekt raakte met kippenvel die pas verdween als Indira’s lichaam zich ’s avonds tegen mij aan drukte. Het smakeloze Engelse eten, dat leek te zijn gekookt in overgebleven afwaswater, zonder enige specerijen, maakte me misselijk. En zelfs al had ik gedacht dat mijn beheersing van de Engelse taal en mijn begrip ervan goed was, had ik toch moeite het personeel en de meisjes te verstaan. Ze praatten zo snel en spraken zelfs bekende woorden zo anders uit. Als ze mij iets vroegen, bleef ik stokstijf staan en zweeg. Pas later begreep ik wat ze bedoeld hadden. De buitensporten, met houten stokken, in een modderig veld, met spelregels die net zo verwarrend waren als bespottelijk, gingen mij boven mijn pet. Ik hield toch al niet van balspelen, dus aan deze uren van de dag had ik de meeste hekel.
Door de onophoudelijke Engelse regen rook alles muf. ’s Nachts hing er geen wierook in de lucht, zoals in het paleis in Cooch Behar. Het enige wat op ons scheen, was het harde licht van een kaal elektrisch peertje.
Toen de eerste twee weken voorbij waren, was ík degene die wilde weglopen.
En toen kwam de geschiedenisleraar, die blijkbaar verlof had gehad vanwege een opdracht in het buitenland, ons ijskoude klaslokaal binnen om ons les te geven. Hij was jonger dan de andere leraren die we tot nu toe gehad hadden en zijn huid had een donkere, notenbruine kleur.
‘Goedemorgen, meisjes,’ zei hij toen hij de klas binnenkwam. We stonden allemaal braaf op en zeiden in koor: ‘Goedemorgen, meneer.’
‘Goed, ik hoop dat jullie allemaal een fijne zomervakantie hebben gehad. Ik in ieder geval wel. Ik ben op bezoek geweest bij mijn ouders in India.’
De rest van de meisjes keek verveeld, maar Indira en ik waren meteen klaarwakker.
‘En ik zie dat we twee nieuwe leerlingen hebben uit dat land. Ik geloof dat een van jullie een prinses is. Eens kijken…’ Zijn blik ging naar Indira en mij. ‘… wie van jullie zou dat zijn?’
Er klonk opeens een levendig gefluister in de klas toen alle meisjes zich omdraaiden om naar ons te kijken en probeerden te raden wie van ons het was. Indira stak langzaam haar hand op. ‘Ik ben het, meneer.’
‘Hare Hoogheid, prinses Indira van Cooch Behar.’ De leraar glimlachte begripvol. ‘Ik heb Cooch Behar bezocht toen ik twee jaar geleden in India was en heb het prachtige paleis gezien waar je familie woont.’
Dit veroorzaakte weer opgewonden gepraat en de meisjes bleven staren.
‘Ja, meneer.’ Indira sloeg haar ogen neer.
‘Misschien, Indira, wil je ons een keer de geschiedenis van je familie vertellen en ons laten weten hoe je daar leeft. Ik denk dat alle meisjes hier daar een heleboel van kunnen leren.’
‘Ja, meneer.’
‘En jij?’ vroeg hij. Nu keek hij naar mij. ‘Waar woon jij?’
‘Ik woon ook in het paleis, meneer.’
‘Aha. En toch ben je geen prinses?’
‘Nee, meneer.’
‘Anni is mijn beste vriendin,’ zei Indira. ‘En mijn metgezel.’
‘Jolly good, jolly good. Goed, meisjes, ik hoop dat jullie prinses Indira en juffrouw Chavan helpen zich hier thuis te voelen. Ik ga jullie vertellen wat ik gezien heb op mijn reizen door Brits-India.’
Toen de les was afgelopen, moesten we ons flesje melk gaan halen voor het ‘elfuurtje’, zoals de meisjes het noemden, en voor een portie versterkende zeewind, die de Engelsen onmisbaar schenen te vinden. Indira en ik stonden normaal gesproken in een hoekje van het schoolplein, waar we de melk ongezien in de bosjes goten. Vandaag ging het anders. De meisjes kwamen achter ons aan.
‘Ben je echt een prinses?’
‘Woon je echt in een paleis?’
‘Heb je veel bedienden?’
‘Heb je weleens op een olifant gereden?’
‘Draag je thuis een kroon?’
De opgewonden meisjes dromden rond Indira, terwijl ik aan de zijlijn stond en zag hoe zij vriendelijk glimlachte en zoveel vragen beantwoordde als ze maar kon. Later, toen de bel voor de lunch ging en we de eetzaal in liepen, kwam een meisje dat Celestria heette en degene was die iedereen in de klas wilde leren kennen, naar Indira en mij toe.
‘Wil je bij ons komen zitten voor de lunch, prinses Indira?’
‘Natuurlijk.’
Ik zag Indira bij mij weg lopen. Ze praatte met Celestria. Toen draaide ze zich om en wenkte mij. ‘Anni moet ook komen.’
Celestria knikte, maar toen we bij de lange tafel aankwamen, schoven de meisjes op de banken op om plaats te maken voor Indira en Celestria. Ik kon nog net op het randje aan de buitenkant zitten.
In dat uur zag ik Indira opbloeien onder de aandacht en de bewondering die haar ten deel viel. Ik kon het haar niet kwalijk nemen. Ze was haar hele leven omringd geweest door andere mensen die haar dienstbaar waren en haar voortdurend haar zin gaven. Ze was ‘speciaal’ van geboorte. Ik, Anahita, was dat niet.
Ik herinner me die eerste, koude Engelse winter als een van de wanhopigste perioden van mijn leven. Naarmate Indira meer zelfvertrouwen kreeg, kwam haar sprankelende persoonlijkheid naar boven en alle meisjes streden om haar aandacht. Ze steeg snel op de ladder om haar rechtmatige plaats als bijenkoningin in te nemen. Dat ging haar net zo natuurlijk af als de zon die elke ochtend opkwam. Ze deed echt haar best om mij erin te betrekken, maar de andere meisjes lieten duidelijk blijken dat ze niet geïnteresseerd waren in een ‘metgezel’ die niet het soort bubbelende charme uitstraalde die Indira in overvloed bezat. Ik raakte steeds verder geïsoleerd en zat tijdens de pauze vaak in de bibliotheek te lezen, omdat ik Indira niet wilde lastigvallen met mijn ongemakkelijke aanwezigheid.
Om het allemaal nog erger te maken en terwijl Indira’s lichaam zich ontwikkelde als een zwaan en alle onderdelen die tijdens de puberteit werden toegevoegd in precies de juiste proporties bij haar lengte pasten en alleen maar bijdroegen aan haar elegantie, maakten de hormonen en het zware Engelse eten mij alleen maar dik. Ik had ook gemerkt dat als ik bij weinig licht probeerde te lezen, ik de woorden nauwelijks kon onderscheiden. Ik werd naar de schoolarts gestuurd, die mij een afschuwelijke bril met dikke glazen voorschreef om te lezen.
Af en toe kroop Indira ’s nachts nog bij mij in bed.
‘Hoe gaat het met je, Anni?’ fluisterde ze zacht in mijn oor.
‘Goed, hoor, wat dacht je dan?’ loog ik.
Overdag merkte ze mij nauwelijks op. Dan bracht ze de tijd door met haar nieuwe aristocratische Engelse vriendinnen. Ik had duidelijk het gevoel dat ik op de een of andere manier een last was geworden voor haar. En dus sloot ik me op in mijn eigen wereld van boeken en verlangde naar juni, als we zouden terugkeren naar het paleis en alles weer zou zijn als het geweest was tussen Indira en mij.
Mijn hart werd lichter toen het lente werd in Engeland en we terugkeerden naar het huis in Londen voor de paasvakantie. Daar zag ik Indira echter nog minder dan op school, want ze werd voortdurend uitgenodigd om bij haar nieuwe vriendinnen te logeren of in mooie hotels thee met ze te drinken.
Op een middag kwam ze terug van zo’n gelegenheid en trof mij lezend op bed aan in onze kamer.
‘Anni, ik vraag me af of ik je om een heel grote gunst mag vragen,’ begon ze in haar nieuw aangemeten Engelse accent.
Ik zette mijn bril af en keek naar haar. ‘Ja, Indy, wat is het?’
‘Nou, het zit zo. Celestria’s ouders zijn naar Frankrijk en ze zei dat het verschrikkelijk saai was als ze in hun huis op het land verbleef met alleen haar gouvernante als gezelschap. Ze heeft gevraagd of ze hier in Pont Street bij ons mocht logeren. En Ma heeft ja gezegd.’
‘Wat leuk,’ bracht ik met moeite uit.
‘Het probleem is,’ verzuchtte ze overdreven, ‘dat de enige kamer die we nog over hebben de oude rommelkamer in de gang is. Ik kan die toch niet aan Celestria geven, ze is tenslotte de dochter van een lord. Dus ik vroeg me af, als je het niet héél erg vindt, of je de week dat ze hier is, wilt overwegen om in die kamer te slapen?’
‘Natuurlijk,’ antwoordde ik.
Ik vond het werkelijk niet erg. Het kon mij niet schelen om in een dienstbodekamer te trekken. In dat moment werd echter het toenemende gevoel van angst samengevat dat ik al de hele winter in mijn hart droeg. Ik kon het Indira niet kwalijk nemen; het was vanzelfsprekend dat wij uit elkaar zouden groeien. Zij was voorbestemd om in de hoogste kringen in de maatschappij te worden opgenomen en op een dag de vrouw van een maharadja te worden, terwijl ik…
Ik wist het niet.
En om het nog erger te maken werden, toen Celestria haar plaats innam in mijn oude bed naast Indira, de oorlogsdreigingen steeds duidelijker. Iedereen in Londen verzekerde elkaar dat de Kaiser natuurlijk niet zo dom zou zijn om een niet-uitgelokte aanval op een buurland uit te voeren. Het enige waar ik aan kon denken was dat als er een oorlog zou uitbreken, we vast niet zouden kunnen terugreizen naar India als de zomervakantie over twee maanden zou beginnen.
Een paar dagen na Pasen voeren Indira’s ouders naar huis. Haar vader had staatszaken te behartigen in Cooch Behar. Onderweg terug naar school aan het eind van de vakantie, toen ik Indira eindelijk voor mijzelf had, sneed ik het onderwerp bij haar aan.
‘Iedereen zegt dat er geen oorlog komt,’ zei ze en ze veegde mijn zorgen luchtig van tafel. ‘En bovendien weet ik zeker dat we zo nodig in het huis in Pont Street kunnen blijven. Het Seizoen moet geweldig zijn in Londen, heb ik gehoord.’
Ik was geschokt door haar zorgeloosheid. Was dit hetzelfde meisje dat nog maar een paar maanden geleden had gehuild over het feit dat ze haar olifant zo zou missen? De valse wereldwijsheid die Indira, die altijd alles kon naspelen, zo graag overnam van haar Engelse vriendinnen, maakte dat ik haar wel door elkaar wilde schudden.
Later, toen we weer op school waren en Indira vroeg of het goed was dat ze naar de slaapzaal verhuisde waar Celestria en haar andere vriendinnen sliepen, stemde ik in zonder te protesteren. Ik moest accepteren dat Indira onherstelbaar was veranderd.
Het zomertrimester op school ging veel sneller voorbij dan de voorgaande twee trimesters, deels vanwege het feit dat ik nu wist dat ik Indira, al was het maar voorlopig, kwijt was. Charlotte, het meisje dat nu in Indira’s vroegere bed naast mij sliep, was lief en vriendelijk. Haar vader was een legerpastoor van de christelijke Kerk en diende in het buitenland. Hoewel ik nooit eenzelfde vriendschap zou kennen als die met Indira, voelde ik dat Charlotte en ik in ieder geval dingen gemeen hadden. Haar schoolgeld werd betaald door het leger, dus zij nam haar opleiding serieus, anders dan veel van onze Engelse klasgenootjes, die school zagen als een plaats waar ze hun tijd doorbrachten tot ze in de society werden geïntroduceerd en een passend huwelijk sloten. Charlotte had besloten dat ze gouvernante wilde worden als ze van school kwam.
‘Vader verdient maar een schijntje bij de Kerk, en dat spaart hij om als een pensioen te gebruiken als moeder en hij niet meer werken. Er is niet genoeg om mij te onderhouden, dus ik moet bij hen blijven wonen of werken voor mijn onderhoud,’ vertrouwde ze mij op een avond toe.
Hierdoor begon ik erover na te denken of ik niet ook een toekomst als gouvernante zou kunnen hebben. Als ik de school zou hebben afgerond, zou ik zeker genoeg hebben geleerd om kleine kinderen te onderwijzen. Tegelijk bedacht ik, zuchtend, dat er wel niemand zou zijn die mij zou willen hebben. In India werd het als een statussymbool gezien om een Engelse lady in dienst te hebben om de kinderen te onderwijzen. Het maakte niet uit hoe goed ze was opgeleid.
Naarmate de dagen voorbijgingen, beseft ik dat ik in een niemandsland was terechtgekomen. Ik was opgevoed in een paleis, maar ik was arm; ik was naar school gegaan in Engeland, maar ik had de verkeerde kleur om mijn opleiding te gebruiken. Ik behoorde niet tot de arbeidersklasse, maar ik was niet aristocratisch genoeg om een goed huwelijk te kunnen sluiten. Ik dacht aan de juten zak die verborgen lag onder het paviljoen op het terrein van het Cooch Behar Palace en bad tot alle goden en godinnen die ik kende dat het er nog steeds lag en dat de inhoud veilig en intact was.