13

Aan het begin van juni namen de geruchten over een naderende oorlog toe. Er was geen sprake van dat wij zouden terugkeren naar India. Het was evenmin mogelijk dat Indira en ik de zomer zouden doorbrengen in het huis in Pont Street – het was gesloten en veel van de personeelsleden waren in het leger gegaan. Bovendien was Indira’s moeder doodsbang voor de zeer reële mogelijkheid dat er bommen zouden vallen op Londen. Daarom werd geregeld dat Indira en ik de zomer zouden doorbrengen op een plek die zo ver mogelijk van Londen verwijderd was als de maharani ons kon krijgen. We moesten op reis naar een graafschap dat Devon heette, in Zuid-Engeland. De weduwe van de voormalige resident van Cooch Behar – de hoogste Britse ambtenaar die in elke vorstenland aanwezig is – had aangeboden ons tweeën gedurende de vakantie onderdak te bieden.

‘Ik kan gewoon niet geloven dat Ma ons daarheen stuurt! De oorlog is nog niet eens uitgeroepen,’ mopperde Indira terwijl ze willekeurig kleren in haar hutkoffer gooide. ‘Ik heb haar gesmeekt om bij Celestria te mogen logeren, maar ze zei nee. Wat moet ik in hemelsnaam met mijzelf aanvangen, ergens in the middle of nowhere, zonder vriendinnen?’

Ik wilde zeggen – maar ik deed het natuurlijk niet – dat ik er zou zijn om haar gezelschap te houden. Toen we op reis gingen naar Devon, ging ze zo ver mogelijk bij mij vandaan zitten op de zwarte leren bank, haar gezicht van mij afgewend. Zoals altijd zei Indira’s lichaamstaal alles wat haar woorden niet konden zeggen. Ik wilde dat ik op school had kunnen blijven, zoals een paar andere meisjes van wie de ouders in het buitenland verbleven. Ook mijn vriendin Charlotte. Hoe kon ik aan de maharani uitleggen dat haar dochter mij niet langer als metgezel wenste?

Dit waren gedachten die ik niet kon uitspreken tegen een vrouw die mij in huis had genomen en vervolgens uit eigen beweging voor mijn dure opleiding had betaald, omdat ze dacht dat haar dochter van mij hield en mij nodig had.

Ik keek naar Indira, die zat te mokken, en wist dat ze mij niet langer nodig had.

Toen we het park in reden dat Astbury Hall omringde, duurde het nog enkele volle minuten voor het huis in beeld kwam. Ik staarde er gefascineerd naar, want het leek sterk op Cooch Behar Palace. Het was alsof het tweelingen waren: de een vormgegeven uit hitte, de ander uit ijs. Later zou ik erachter komen dat de architect het paleis voor een deel op Astbury Hall had gebaseerd, dus het was niet zo gek dat deze koude monoliet voor me, met zijn koepel als middenpartij, bekend voorkwam.

Toen we tot stilstand kwamen voor de enorme natuurstenen trap die naar de voordeur leidde, zag ik dat die openzwaaide en dat leden van de huishoudelijke staf naar buiten stroomden. Ze stelden zich in rijen op langs de treden toen wij uit de auto stapten. Prinses Indira kreeg zeker een koninklijke ontvangst. Ze liep de treden op, langs het personeel, naar een strenge vrouw met brede heupen, gekleed in een ouderwetse edwardiaanse japon.

‘Ik ben Maud Astbury. Welkom in Astbury Hall, prinses Indira.’

‘Dank u, Lady Astbury,’ antwoordde Indira beleefd.

Ik volgde hen toen zij Indira naar binnen begeleidde.

‘Ik hoop dat je kamer je zal bevallen. We hebben zo weinig personeel, nu alle jongemannen het leger in gaan.’

Indira, altijd een en al gratie als ze koninklijk werd behandeld, knikte begrijpend. ‘Natuurlijk, ik begrijp het. Het is heel vriendelijk van u dat u mij kunt ontvangen.’

‘Mijn zoon, Donald, komt over een paar dagen ook thuis voor de vakantie. Hij zal je in ieder geval wat kunnen vermaken.’

Zoals altijd stond ik achter Indira en voelde me ongemakkelijk. Uiteindelijk zag Lady Astbury mij. ‘Ik zie dat je je eigen meid hebt meegenomen?’

‘Nee,’ zei Indira snel. ‘Anahita is mijn vriendin en metgezel.’

‘Aha.’ Er was verwarring te zien op het gezicht van Lady Astbury, toen ze Indira meenam naar de voet van de grote trap. Ze boog haar hoofd naar Indira en de twee fluisterden met elkaar.

‘Natuurlijk, ik zorg ervoor dat dat geregeld wordt. Goed, prinses Indira, de meid zal jou en je… metgezel naar boven brengen en je jullie kamers laten zien. Vertel het me alsjeblieft als je iets nodig hebt tijdens je verblijf. Ik zie je vanavond bij het diner.’

‘Het spijt me, Anni,’ zei Indira wederom toen ze rondkeek in de donkere kleine zolderkamer die mij was toebedeeld. ‘Ma was kennelijk zo in de war, dat ze vergeten is te vertellen dat jij ook zou komen. Lady Astbury beloofde dat ze morgen een kamer voor je zou klaarmaken op de hoofdverdieping. Vind je het heel erg om hier vannacht te moeten slapen?’

‘Natuurlijk niet,’ zei ik, dankbaar omdat ik Indira’s oprechte bezorgdheid meende te voelen. ‘Het uitzicht is prachtig vanaf hier.’

Indira keek uit het kleine glazen venstertje, dat onder de daklijst van het grote huis was geplaatst. ‘Ja, je hebt gelijk. Het is prachtig. Nou ja, als je het hier niet uithoudt, mijn bed is groot genoeg voor nog minstens vier andere mensen.’ Ze grijnsde naar me.

‘Ik zit hier prima.’

‘Goed dan. Ik ben beneden als je me nodig hebt. Anni.’ Ze nam mijn handen in de hare. ‘Het spijt me dat ik je op school in de steek heb gelaten. Ik deed het niet met opzet. Echt niet.’

Toen sloeg Indira haar armen om me heen, zoals ze dat deed in de tijd dat het alleen wij tweeën was tegen de wereld.

‘Kom naar beneden als je je spullen hebt uitgepakt,’ zei ze en ze zwaaide even naar me toen ze wegging.

Een week na onze aankomst in het huis, leek Lady Astbury het voor het gemak vergeten te zijn dat ik zou verhuizen naar de benedenverdieping en zat ik nog steeds op mijn piepkleine zolderkamertje. Het bleek onmogelijk om na zes uur ’s ochtends nog te slapen, want de zon scheen door mijn gordijnloze raam en zette de kamer in een verblindend licht. Ik keek dan naar buiten en zag dat het weer een prachtige dag was. Rusteloos waste ik mijn gezicht aan de wastafel die voor mij beschikbaar was gesteld en ging over de trap aan de achterkant via de keuken naar buiten om van de zonsopgang te genieten.

Als ik over het enorme terras liep, dat geen veranda nodig had om het tegen de zwakke Engelse zon te beschermen, rook ik de zoete geur van vers gemaaid gras. Ik huppelde de trap af, de tuin in, wandelde er rond en bewonderde het ene na het andere perk met schitterende rozen. Terwijl ik genoot van de stilte en de rust van de vroege ochtend, gingen mijn gedachten terug naar een typische zonsopgang in India. Hier, in het gematigde Engeland, was het weer niet overheersend en verwoestend. De temperatuur daalde in de winter en maakte het leven minder plezierig, maar voor zover ik wist, was er op de Britse Eilanden nooit een moesson geweest, of een aardbeving, of een andere heftige natuurramp.

India, bedacht ik, stond daar recht tegenover. Alles daar was heftig, kleurig en vol dramatiek. De temperaturen schoten omhoog, de winden waaiden hard, de rivieren braken door hun oevers; alles was gewelddadig en onvoorspelbaar.

Ik begon ook te begrijpen dat, anders dan mijn landgenoten met hun felle karakter, de Engelsen doorgaans weinig emotioneel waren. Ik ging op een bankje zitten en dacht terug aan het moment waarop mijn vriendin Charlotte, vlak voor het eind van het trimester, hoorde van de dood van haar moeder. Ze nam het nieuws stoïcijns op, met acceptatie en een paar tranen. Toen dacht ik aan mijzelf, twee jaar eerder. Ik had die vreselijke dag in de tempel gehuild en gejammerd om het verlies van mijn moeder.

Ik wist ook dat, ook al waren de Engelsen altijd in oorlog in een of ander afgelegen deel van de wereld, de stevige Engelse grond waarop ik stond, nooit langer dan tweehonderd jaar door een buitenlandse macht was bezet geweest.

Dat zou de komende weken of maanden weleens allemaal kunnen veranderen. Zou de Kaiser met zijn zware leren laarzen door Europa stampen en zijn vuist schudden naar dit kleine landje, dat erin was geslaagd zoveel van de wereld te veroveren en een rijk op te bouwen waarin, zoals de Engelsen graag tegen elkaar zeiden, de zon nooit onderging?

‘Hallo daar, ben jij onze Indiase prinses?’

Ik was zo in gedachten verzonken geweest dat ik niet had gehoord dat iemand naderde. Ik keek op en zag de blauwste Engelse ogen die ik ooit had gezien. Ze zaten in een gezicht dat nog de onduidelijke trekken van de adolescentie bezat, voordat de definitieve contouren van de volwassenheid verschenen. De haren van de jongen hadden, in mijn Indiase ogen, de kleur van stro en waren al net zo grof. Hij had de gebruikelijke lichtroze, bleke teint van de Engelsen, waarnaar zoveel Indiërs verlangden.

Voor mij was hij, bij die zonsopgang, de Adonis uit de Griekse mythen die ik tijdens de geschiedenislessen had gelezen.

‘Ik…’

Toen ik begon te antwoorden, klonk er een vaag gezang in mijn oren en ik vond het moeilijk om mij te concentreren. Er ging een rilling langs mijn ruggengraat, die me inmiddels wel bekend is. Iemand, of iets, vertelde mij dat deze vreemde een rol zou spelen in mijn toekomst.

‘Versta je wel Engels?’ drong hij aan.

‘Ja.’ Ik probeerde de geluiden in mijn oren te stoppen door ze te vertellen dat ik begreep wat ze mij wilden vertellen. Dat de boodschap luid en duidelijk was overgekomen. ‘Ik spreek goed Engels,’ antwoordde ik.

‘En je naam is Indira?’

‘Nee, ik ben haar metgezel. Mijn naam is Anahita Chavan, kort gezegd Anni.’

‘Hallo, Miss Chavan, of Anni,’ zei hij en hij stak zijn hand uit. ‘Ik ben Donald Astbury. Hoe maak je het?’

Net als alle Engelsen, had hij onberispelijke manieren.

‘Heel goed, dank je,’ antwoordde ik verlegen.

Hij ging gezellig naast me op het bankje zitten. ‘Mag ik vragen wat je op zo’n vroeg tijdstip in de tuin doet?’

‘De zon schijnt door mijn raam en maakt me wakker. En jij?’

‘O, ik ben gisteravond laat uit school thuisgekomen. De bel gaat daar om half zeven, dus ik werd hier ook zo vroeg wakker. Het is zo’n prachtige ochtend dat ik besloot om bij mijn merrie op stal te gaan kijken.’

‘Ik ben gek op paarden,’ zei ik weemoedig.

‘Rijd je?’

‘Ja, ik reed al paard voor ik kon lopen.’

‘Ik wist niet dat kinderen in India ook al zo vroeg leren rijden.’

‘Natuurlijk! Hoe hadden we ons anders al die duizenden jaren moeten verplaatsen?’

‘Goed punt, goed punt,’ zei Donald met een glimlach. ‘Zal ik je dan onze stallen maar eens laten zien?’

‘Dat zou ik heel graag willen!’ zei ik gretig.

‘Kom mee!’ Hij hielp me opstaan van de bank en we liepen door de tuin. ‘En, wat vind je van Engeland?’

‘Er zijn dingen die mij bevallen en dingen die mij niet bevallen.’

Hij keek me opeens aan. ‘Jij bent ontzettend verstandig en je Engels is uitstekend. Mag ik vragen hoe oud je bent?’

‘Ik word over een paar maanden vijftien,’ antwoordde ik. Ik overdreef een beetje.

‘Jeetje. De meeste Engelse meisjes van die leeftijd zijn nog kleine kinderen.’

‘Dank je.’

‘Graag gedaan,’ antwoordde hij toen we de stallen naderden. ‘Kijk, dit is mijn merrie, Glory. Mijn moeder heeft haar Gloria genoemd, naar een ongetrouwde tante van ons, maar ik vond die naam niet bij haar passen, dus ik heb hem veranderd. Wat vind je van haar?’

Ik keek naar het paard en zag dat Glory haar naam eer aandeed. Ze was een volbloed en ik schatte haar op een schofthoogte van een meter zestig. Ik stak mijn hand uit en legde hem onder haar kin terwijl ik haar lange, gladde neus streelde.

‘Goh, ik ben onder de indruk,’ merkte Donald op. ‘Normaal gesproken is ze nukkig en wil ze niet dat een vreemde haar aait. Je hebt er duidelijk gevoel voor, Anni.’

‘Ik lijk hen te begrijpen, op de een of andere manier.’

‘Wat denk je van een ritje? Ik wil heel graag zien of Glory jou op haar rug duldt. Normaal gaat ze ervandoor en gooit ze vreemde ruiters van zich af. Laten we eens zien of ze jou laat opstappen.’

‘Ik zou het heel graag proberen,’ zei ik enthousiast.

‘Neem haar maar mee de stal uit, dan zadel ik haar op,’ zei mijn nieuwe vriend. ‘Ze laat ons vast wel weten of ze wil meewerken.’

Ik deed wat hij vroeg en toen Glory stilstond, sprong ik op haar rug. Ik trok mijn lange rok zo ver omhoog als de zedelijkheid toeliet.

‘Het lijkt erop dat ze het prima vindt dat jij op haar rug zit. Ik haal de hengst.’

Vijf minuten later draafden we naast elkaar door het park. Hij hield zijn paard in en keek naar mij. ‘Wat denk je van wat ruwer terrein? Dartmoor ligt maar een paar minuten verderop,’ zei hij en hij wees naar links. ‘Het is een prachtige rit en ik denk dat jij het wel aankunt.’

‘Natuurlijk.’ Ik stemde in, al had ik geen idee wat dit ‘Dartmoor’ was. Ik voelde me gelukkiger en vrijer dan ik mij in maanden had gevoeld. ‘Ik volg je.’

‘Prima!’ zei Donald en hij galoppeerde onmiddellijk weg. Glory en ik deden ons best hem bij te houden.

Toen we het park uit reden en de heide op vlogen, waaide er een warme wind door mijn haren en voelde ik de zwaarte die over mij was gekomen lichter worden. Eerst concentreerde ik mij op het sturen over het rotsige, ongelijkmatige terrein. Glory leek precies te weten waar ze liep en toen ik besefte dat zij de leiding nam, ontspande ik me, leunde achterover en genoot van de rit.

Veertig minuten later waren we terug bij de stallen. Zowel de paarden als de ruiters hijgden van inspanning.

‘Mijn hemel,’ zei Donald, toen hij van zijn paard stapte en het aan de geeuwende stalknecht gaf om het te verzorgen, ‘je bent verreweg de beste amazone die ik ooit heb gezien.’

Ik besefte dat hij met oprechte bewondering naar me keek.

‘Dank je. Je zult merken dat prinses Indira net zo goed is,’ voegde ik er loyaal aan toe.

‘Dan kijk ik ernaar uit om haar ook eens mee te nemen, maar ik betwijfel of ze beter is dan jij.’ Hij bood me zijn hand om af te stappen. ‘Nou, Anni, ik hoop dat je vaker met mij wilt rijden,’ zei hij toen we samen terugliepen naar het huis. ‘Morgenochtend, misschien? Half zeven?’

‘Heel graag, ja!’

Ik zweefde naar boven om me te wassen voor het ontbijt. Ik voelde me gelukkiger dan ik mij in maanden had gevoeld.

Ondanks mijn nare gevoel omdat ik niet terug kon naar India, was die eerste zomer op Astbury er een die ik nooit meer zou vergeten. Ook al had Engeland op 4 augustus officieel de oorlog aan Duitsland verklaard, merkten we er weinig van. Toen de voedseltekorten begonnen, viel ons dat nauwelijks op, omdat het landgoed, met zijn duizenden hectaren vruchtbare akkers, zelfvoorzienend was.

Donald zelf was te jong om in het leger te gaan, maar een gebeurtenis bracht het lijden en de verandering waarmee anderen werden geconfronteerd heel dichtbij. Dat was toen Selina, de dochter van Lady Astbury, terugkwam om bij haar te wonen. Haar man, een kapitein in het Britse leger, was naar Frankrijk overgeplaatst. Ze waren nog maar iets langer dan een jaar getrouwd en Selina was acht maanden zwanger van haar eerste kind.

Soms trof ik haar ’s middags in de oranjerie, waarin de vele exotische planten stonden die generaties Astbury’s mee terug hadden genomen van hun reizen naar verre landen. Ik herkende sommige uit het in leer gebonden aantekenboek met recepten van mijn moeder en was begonnen er blaadjes van af te knippen en die fijn te stampen met mijn shil noda, waarna ik ze op de rand van de dakgoot buiten mijn zolderraam in de zon te drogen legde. Op mijn tochten door de tuin en soms verder, Dartmoor in, had ik nog andere bijzondere kruiden en planten gevonden en nadat ik in de keuken om lege jampotten had gevraagd, begon mijn collectie te groeien.

‘Wat doe je met al die stekjes, Anni?’ vroeg Selina op een drukkende middag in de oranjerie, waar ze zich in haar stoel koelte zat toe te wuiven en mij met belangstelling gadesloeg.

Ik wist niet goed wat ik moest zeggen, en ik besloot de waarheid te vertellen. ‘Ik maak er genezende medicijnen van,’ zei ik.

‘Echt? Heb je in India geleerd hoe dat moet?’

‘Ja. Mijn moeder heeft het mij geleerd.’ Ik wilde er verder niet op ingaan, want ik was bang dat ze mij als een soort heks zou zien.

‘Mijn hemel, wat ben jij slim, zeg,’ antwoordde ze met oprechte bewondering. ‘Ik weet dat mijn vader veel geloof hechtte aan de plaatselijke remedies toen hij in India gestationeerd was. Als je een drankje hebt om te zorgen dat deze baby sneller komt, zou ik je heel dankbaar zijn.’

Ik keek naar de omvang van haar buik, zag dat het kind dat ze droeg de afgelopen paar dagen lager was gaan zitten, wat betekende dat het hoofd al was ingedaald.

‘Ik denk niet dat het nog lang duurt.’

‘Echt? Kun je dat zien?’

‘Ja.’ Ik glimlachte. ‘Ik denk het wel.’

Jammer genoeg zag ik Indira minder dan ooit, ondanks haar emotionele belofte op de dag dat we waren aangekomen. Lady Astbury had toegestaan dat er vriendinnen uit Londen mochten worden uitgenodigd om haar gezelschap te houden. Ik had het gevoel dat Lady Astbury hier nog een reden voor had; het zou niet lang meer duren voor Donald een bruid zou moeten kiezen uit de klasse van hooggeboren jonge Engelse vrouwen. De meisjes die Indira uitnodigde zouden een mooie introductie zijn.

‘Ik heb nog nooit zoveel mooie jonge meisjes over de vloer gehad,’ zei ze op een dag tegen mij toen ze me tegenkwam op de grote trap. ‘Anahita, zou je zo lief willen zijn om naar boven te rennen en te zien of de meiden eraan hebben gedacht bloemen in de kamer van Lady Celestria te zetten?’

‘Natuurlijk,’ zei ik en ik ging snel kijken of ze het niet waren vergeten.

Ik mocht Lady Astbury niet en ik wist dat zij mij niet mocht. Ze had in India gewoond toen haar man de resident was van Cooch Behar, en ik begreep uit de dingen die ze zei dat ze het er verschrikkelijk had gevonden; ze behandelde mij als weinig meer dan een bediende. Haar neerbuigende houding tegenover mijn landgenoten – ‘vieze kleine heidenen’ had ik haar eens over ons horen zeggen – verscherpte haar minachting voor mij. Ik wist dat zij een vroom katholiek was en elke dag de mis in de kapel van het huis bezocht.

Voor mij vatte haar stijve formaliteit en ingeboren arrogantie samen wat ik haatte in de Engelsen. Indira was van koninklijken bloede en was opgevoed in westerse stijl. Lady Astbury was in staat om haar als een gelijke te behandelen… met moeite.

Ondanks het feit dat ik ook verwant was aan Indiase royalty, werd ik steeds vaker door Lady Astbury gevraagd om klusjes voor haar te doen. Ze vroeg me vaak verstrooid om even haar borduurwerk voor haar te halen of een boek uit de bibliotheek.

De situatie werd erger door het gebrek aan personeel in het huis. Zoveel van de mannen waren vertrokken om in Frankrijk te vechten, dat de werklast van de vrouwen was verdubbeld. Ik wilde niet onbeleefd of ondankbaar lijken en voldeed altijd aan de verzoeken van Lady Astbury. Het was niet erg om de meiden te helpen, die lief en vriendelijk waren en blij dat ze er een paar handen bij hadden om bedden te verschonen of kamers te stoffen.

De eerste paar dagen in Astbury Hall was ik samen met Indira in de officiële eetzaal gaan eten, maar ik merkte dat ik genegeerd werd en dat maakte dat ik me ongemakkelijk voelde. Op de vierde avond werd een blad omhoog gebracht naar mijn kamer op zolder en ik begreep de hint. Ik was er niet rouwig om, want mijn garderobe bevatte niet genoeg nette Engelse kleren die nodig waren voor dergelijke gelegenheden. Ik wilde daar niet over beginnen tegen Indira.

Tilly, een van de meiden die ’s avonds belast was met de taak de eindeloze trappen te beklimmen om mijn blad naar de zolder te brengen, merkte op dat het wel eenzaam voor mij moest zijn om helemaal alleen te eten. Ze stelde voor of ik misschien liever met de rest van het personeel in de keuken at. Omdat ik wist dat dit haar ook de klim omhoog zou besparen, stemde ik in. Vanaf dat moment at ik elke avond beneden met de bedienden en antwoordde ik op al hun vragen, want ze waren allemaal gefascineerd door mijn leven in het paleis in India.

Bij een gelegenheid klaagde de kok, Mrs. Thomas, over artritis in haar handen. Ik vroeg haar of ze iets wilde tegen de pijn en de ontsteking.

‘Ik betwijfel of het helpt,’ merkte ze op, ‘maar het kan vast ook geen kwaad.’

Met mijn shil noda maakte ik een kalmoeswortel fijn die ik in de oranjerie had gevonden en deed er water bij om er een pasta van te maken. Die avond liet ik Mrs. Thomas zien hoe ze de pasta op haar handen moest aanbrengen.

‘U moet dit een week lang elke dag tweemaal doen. Dan denk ik dat het helpt.’

En inderdaad vertelde Mrs. Thomas een week later iedereen die het horen wilde dat ik wonderen verrichtte. Dit leidde al snel tot een hele rij ‘klanten’ in de keuken, die mij vroegen om een middel voor allerlei pijntjes en kwalen. Ik wilde graag helpen en het stelde me in staat om wat ik van Zeena en mijn moeder had geleerd in praktijk te brengen. Ik genoot ook van de oprechte warmte en acceptatie van de andere personeelsleden – het was lang geleden dat ik zoiets had gevoeld.

De belangrijkste reden dat ik die zomer zo gelukkig was, zo gelukkig dat zelfs Indira’s afwijzing en de manier waarop Lady Astbury mij behandelde mijn humeur niet konden bederven, waren echter mijn ochtendritten met Donald Astbury.

De dag na onze eerste rit was ik ’s ochtends uit bed gesprongen, benieuwd of hij zoals afgesproken bij de stallen zou zijn.

‘Anni!’ had hij lachend geroepen. ‘Zin in nog een rit?’

‘Ja.’ Ik knikte enthousiast en we hadden de paarden opgezadeld en waren weggevlogen door Dartmoor in het zachte zonlicht van de vroege ochtend. Vanaf dat moment zagen we elkaar vrijwel elke ochtend. Tijdens onze ritten sloten we vriendschap. Heel anders dan zijn moeder was Donald warm en open en ik voelde dat ik vrijuit met hem over mijn leven kon praten. Hij was oprecht geboeid door mijn verhalen over India, de gewoonten en de cultuur.

‘Mijn vader hield van India en de mensen daar,’ legde hij uit. ‘Jammer genoeg mijn moeder niet en dat is de reden dat ze terugkeerden naar Engeland toen Selina en ik nog heel klein waren. Helaas overleed mijn vader vijf jaar later. Moeder gaf India altijd de schuld van zijn dood en inderdaad leed hij aan terugvallen van een malaria die hij daar had opgelopen, maar uiteindelijk is hij aan longontsteking overleden. Hij zei dat het Engelse weer niet bij hem paste. Hij was echt een fijne vent. Hij probeerde altijd iedereen te helpen.’

‘Lijk jij op hem?’ vroeg ik toen we in het ruwe gras van Dartmoor lagen en onze hijgende paarden lieten drinken.

‘Mijn moeder zegt altijd van wel. Ik denk niet dat ze het eens was met wat zij zijn bloedende hart noemde – vader was altijd bezig om de minderbedeelden te helpen, vaak ten koste van onze bankrekening. Hij lette niet op geloof of kleur, terwijl mijn moeder wel wat… traditioneler is in haar denkwijze.’

Tijdens onze ritten op de heide vertelde hij me over zijn angst voor zijn eigen toekomst vanwege de oorlog, en hoe hij zich zorgen maakte of hij wel in staat was om over een paar jaar het beheer van het Astbury Estate over te nemen. Het zou op hem overgaan als hij volwassen zou worden, op zijn eenentwintigste.

‘Er is nauwelijks genoeg geld om de lopende kosten te betalen,’ verzuchtte hij, ‘laat staan voor restauratie van het huis – aan sommige delen is in geen honderd jaar iets gedaan. Moeder heeft het geërfd, weet je. Vader was nooit echt een zakenman, en dat hij zo jong zou sterven had niemand verwacht. Dus ik denk dat moeder haar kop in het zand heeft gestoken. Of, om het preciezer te zeggen, in de kapel. Ik wil niet degene zijn die haar vertelt hoe moeizaam alles gaat, maar het is niet waarschijnlijk dat God ons zal helpen.’

Ik keek naar hem en was ervan onder de indruk dat, hoewel hij nog maar zestien jaar was, het gewicht van de wereld op zijn schouders leek te drukken.

‘Er zijn zoveel mensen afhankelijk van mij voor hun levensonderhoud.’ Toen rolde hij zich naar mij toe en grijnsde. ‘Ach, er zit niets anders op dan een rijke erfgename te trouwen! Kom, we moeten terug.’

Als Donald het huis in was verdwenen om zich te verkleden voor het ontbijt, zag ik hem vaak pas de volgende ochtend weer. Zijn dagen waren gevuld met het bezighouden van Indira en haar vriendinnen met lunches, tennispartijen en paardrijden in het park, veel rustiger dan hij met mij deed. Ik betwijfelde of hij het ooit over onze ochtendritten had – ik sprak er in ieder geval niet over. Het was nog een geheim dat ik voor mijzelf hield op deze lange, zwoele Engelse zomeravonden.