15

In de loop van de twee jaar die volgden woedde de oorlog in Europa verder en waren Indira en ik niet in staat om terug te keren naar India. Tijdens de vakanties bleef ik op school, terwijl Indira bij haar verschillende vriendinnen logeerde. Ik vond het niet erg, want veel van de meisjes zaten in hetzelfde schuitje, onder wie mijn vriendin Charlotte. Ik gebruikte de tijd om te studeren voor het naderende eindexamen.

Indira en ik vierden onze zestiende verjaardag met een klein feestje op school, met taart die meer weg had van een steen dankzij het eipoeder dat was gebruikt. Indira had voortdurend ruzie met haar vriendinnen en kwam naar mij voor steun als een van hen iets bijzonder lelijks had gezegd. Ik accepteerde ten slotte haar jojo-benadering van onze vriendschap en wist dat als haar zelfvertrouwen minder werd, ze bij me terugkwam om getroost te worden.

Het deed pijn, maar ik zei tegen mezelf dat mijn positie in haar leven mij van het onderwijs verzekerde dat mijn vader altijd voor mij gewenst had. Ik was een van de besten in de klas, of in ieder geval de meest toegewijde en hardst werkende leerling, en de leraren begonnen met mij te praten over de universiteit. Natuurlijk was dit niet mogelijk, maar het was hartverwarmend om te weten dat ze mij zo hoog hadden zitten.

Kerstmis 1916 waren we in Astbury – ik herinner het mij als een sombere aangelegenheid. Zoals ik al had voorvoeld, was Selina op de hoogte gesteld van de dood van haar man in Frankrijk, in oktober. In een rouwend gezin kun je geen feestelijkheden verwachten.

Selina zag er mager en bleek uit in haar zwarte weduwekledij. Ze lachte naar me toen ze mij zag.

‘Hallo, mijn liefste Anni, wat fijn om jouw vrolijke gezicht terug te zien hier op Astbury.’

De volgende middag zocht ze me op en vroeg of ik een wandeling met haar wilde maken.

‘Ik vond het zo erg toen ik hoorde over de dood van uw man, Lady Selina,’ zei ik toen we door de berijpte tuin liepen. Er hing een dichte mist en de zwakke winterzon leek zich haastig terug te trekken voor de komende nacht.

‘Dank je,’ zei Selina. ‘Ik probeer het allemaal te begrijpen. Hugo was zo jong, Anni, met zijn hele leven nog voor zich. En nu…’ Ze zweeg even. ‘… is hij er niet meer. Moeder vindt dat ik troost moet zoeken in God en gebed, zoals zij. Als ik eerlijk ben, dan herhaal ik alleen holle frasen die geen betekenis hebben. Ik kan mezelf er niet toe zetten om naar de kapel te gaan. Is het niet afschuwelijk om te moeten toegeven dat mijn geloof me lijkt te hebben verlaten, net nu ik het het hardst nodig heb?’

‘Nee, natuurlijk niet. Soms is het onmogelijk om te begrijpen waarom dierbaren van ons worden weggenomen,’ stemde ik in. ‘De goden hebben genomen, maar ze hebben ook gegeven. U hebt een prachtige dochter en zij draagt een deel van Hugo in zich.’

‘Ja, en ik dank God – of de goden, zo je wilt – voor haar,’ zei Selina zacht. ‘Is het alleen ook niet afschuwelijk om toe te geven dat Hugo’s dood mij op mijn eenentwintigste tot weduwe heeft gemaakt, thuiswonend, met alleen mijn moeder als gezelschap en weinig kans om daar in de toekomst aan te ontsnappen?’

‘Lady Selina, er komt weer een kans op geluk, geloof me,’ zei ik. Mijn instinct stond plotseling op scherp. Het was niet het juiste moment om haar te vertellen over een nieuwe liefde die elk moment in haar leven kon komen, maar ik wist met al mijn vezels dat het waar was.

‘Denk je dat echt, Anni?’

‘Ja, dat doe ik. En denk eraan, het is niet nodig om elke dag in de kerk te bidden. Wij zijn allemaal onderdeel van God. Er is een klein beetje van Hem in ons allemaal. Hij hoort u, waar u ook bent.’

‘Dank je, lieve Anni.’ Selina legde een gehandschoende hand op de mijne en we liepen terug naar het huis, om aan de kou te ontsnappen.

Er waren geen ochtendritten die Kerstmis. Donald was enkele weken eerder opgeroepen voor militaire dienst en was ergens aan het trainen met zijn bataljon.

Op een ijzige decemberochtend kreeg ik, toen ik in de keuken zat te ontbijten, een brief aangereikt met mijn naam erop.

..

Chelsea Barracks

Londen

..

19 december 1916

..

Liefste Anahita,

..

Ik hoop dat je het niet erg vindt dat ik je schrijf. Ik kon niemand anders bedenken aan wie ik mijn diepste gedachten kon toevertrouwen. Mijn training (ofwel de paar weken rondmarcheren en leren hoe je een geweer vasthoudt) is ten einde en ik sta op het punt om morgen scheep te gaan naar een onbekende bestemming. We denken allemaal dat het Frankrijk is. Ik heb natuurlijk een formele brief naar mijn moeder en mijn zuster gestuurd om ze te laten weten van mijn aanstaande vertrek en heb daarin de toon aangeslagen die van mij verwacht werd – dapper en sterk.

Ook al zijn alle jongens hier helemaal opgewonden over de geweldige tijd die we in de loopgraven gaan hebben met elkaar, weet ik dat we allemaal de ogen sluiten voor het feit dat velen van ons niet zullen terugkomen. Terwijl ik dit vanavond aan je schrijf, nog maar enkele uren voor we vertrekken, wil ik je laten weten, Anni, dat ik nog niet dood wil. Of, zoals vele arme donders dat moeten, voorgoed verminkt door het leven gaan.

Vergeef me, ik heb nog nooit een dergelijke brief aan iemand gestuurd. Ik weet echter van wat de bedienden over je vertelden en van onze eigen momenten samen dat jij misschien wel over bepaalde krachten beschikt. Als dat zo is, alsjeblieft, Anni, stuur me dan wat je maar kunt om mij te beschermen. Als je tegen me zegt dat het goed komt, dan weet ik dat dat zo is. Jij bent mijn talisman.

Kun je mij terugschrijven naar bovenstaand adres? Ik zou heel graag van je horen. Ik hoop dat je mij geen aansteller vindt, of een lafaard, dat ik je dit schrijf. Ik blijf alleen steeds terugdenken aan die heerlijke zonnige ochtenden, toen we samen bij de kreek lagen en alles vredig was. Misschien ben ik egoïstisch, maar ik wil meer van zulke dagen.

Ik vertrouw erop dat je de inhoud van deze brief voor jezelf houdt. Ik hoop dat je het goed maakt en alsjeblieft, bid voor mij.

..

Met liefde,

..

Donald Astbury

Ik las en herlas Donalds brief vele malen. Toen liep ik de tuin in, weg van het huis. Als Donald deze aarde spoedig zou moeten verlaten, dan wist ik dat ik dat zou voelen en horen. En… ik voelde niets. Een helder, puur niets.

Mijn hart sprong op van vreugde, want nu wist ik dat hij zijn beproeving zou overleven en ongedeerd naar huis zou terugkeren.

Daarom was ik in staat om hem in volle overtuiging de brief te schrijven die ik ook zou hebben opgesteld als ik wél slecht nieuws had voorvoeld.

..

Astbury Hall

Devon

..

30 december 1916

..

Lieve Donald,

..

Dank je wel voor je brief.

Wees alsjeblieft niet bang. Ik ben er absoluut zeker van dat je deze aarde nog niet snel hoeft te verlaten. Ik hoop je spoedig te zien als je terugkeert uit Frankrijk.

..

Lieve groet,

..

Anahita Chavan

Zelfs Indira’s vriendinnen kwamen haar niet opzoeken in Astbury tijdens de kerstvakantie. De rantsoenering van brandstof maakte lange reizen vanuit de zuidelijke graafschappen, waar de meesten van hen woonden, onmogelijk. Omdat de stemming boven in de woonkamer zo somber was, voegde Indira zich op oudejaarsavond bij mij, in de keuken, bij de bedienden. Er stond een piano, waarop Mrs. Thomas wat Engelse liedjes speelde. Dit was ongetwijfeld de vrolijkste plaats in het huis, toen 1916 overging in 1917.

Op een avond, kort na nieuwjaarsdag, werd er op mijn zolderkamerdeur geklopt.

‘Kom binnen.’

Indira verscheen in de deuropening, haar ogen rood van het huilen, en stak haar armen naar mij uit. Ik had weinig zin om uit bed te komen – er was geen vuur op de zolderverdieping – en ik wikkelde de dekens om mij heen, stond op en liep naar haar toe.

‘Wat is er?’ vroeg ik.

‘O, Anni, ik heb zo’n heimwee naar Pa en Ma… en India. Ik vind het hier vreselijk. Het is niet leuk en het is zo koud. Echt, ik voel me net zoveel een wees als jij!’

‘De oorlog is vast snel voorbij en dan kun je terug naar je familie,’ troostte ik haar rustig.

‘En… O Anni, ik begrijp dat ik zo gemeen tegen je ben geweest en je links heb laten liggen, en…’ Indira wees om zich heen, ‘en je heb laten slapen in deze ijskoude zolderkamer, zonder iets tegen Lady Astbury te zeggen. Luister,’ ze huiverde plotseling, ‘kom mee naar beneden en slaap in mijn bed. Daar is tenminste een vuur, en we kunnen praten.’

Ik deed wat ze vroeg, zoals ik altijd deed, en toen we in dekens gewikkeld voor het vuur in haar kamer zaten, staarde ze erin en zuchtte. ‘Weet je, ik droom elke nacht van het paleis. Ik heb het nooit genoeg gewaardeerd. En jou ook niet,’ voegde ze eraan toe. ‘Ik weet dat ik gemeen ben geweest, en ik ben waarschijnlijk een naar mens. Kun je mij vergeven, Anni?’

‘Natuurlijk kan ik je vergeven.’ Ik glimlachte naar haar.

‘We gaan op een dag terug naar India, hè?’

‘Natuurlijk. We winnen de oorlog en dat zal niet lang meer duren, zegt iedereen.’

‘Weet je,’ zuchtte Indira, ‘ik hoor niet thuis in Engeland, ik hoor in India. Ik mis het zo verschrikkelijk. Pretty denkt vast dat ik haar voorgoed heb verlaten.’

De gedachte aan haar olifant zorgde voor een nieuwe huilbui.

‘Misschien leert deze oorlog ons allemaal te waarderen wat we hebben in plaats van wat we missen,’ troostte ik.

Ze keek naar me op, haar amberkleurige ogen wijd open. ‘Jij bent zo wijs, Anni. Ma heeft me gezegd dat ik altijd naar jou moest luisteren en misschien had ze gelijk.’

‘Ik ben niet wijs, Indy, ik accepteer het gewoon. We kunnen niet veranderen hoe de dingen zijn, hoe hard we dat ook proberen.’

‘En,’ Indira beet op haar lip, ‘ik dacht er ook aan dat mijn prins mij misschien is vergeten.’

‘Ik heb je al eerder gezegd, Indira, als jullie voor elkaar bestemd zijn, dan is dat zo.’

‘Ja, je hebt gelijk,’ knikte Indira. ‘Anni, wil je vannacht bij mij in bed slapen? Ik wil niet alleen zijn.’

‘Ja hoor, als jij dat wilt.’

En dus kropen we samen in Indira’s grote bed, net als toen we kinderen waren.

‘Weet je zeker dat je mij vergeeft, Anni?’ vroeg ze, toen ik het licht uitdeed.

‘Ik houd van je, Indy, en ik zal je altijd vergeven.’

Zoals ze had beloofd bracht Indira toen we eenmaal terug waren op school inderdaad meer tijd met mij door dan in de voorgaande trimesters. Dit kwam voor een deel doordat haar beste vriendin, Celestria, van school was gehaald. De mogelijkheid dat Engeland gebombardeerd zou worden was nu reëel en haar moeder wilde haar dochter veilig bij zich thuis hebben. Andere meisjes waren ook van school gehaald, en hoewel Londen tot nu toe het voornaamste doelwit was geweest voor luchtaanvallen, verkeerde het hele land nu in een staat van verhoogde spanning en angst.

Met Pasen pakten we onze spullen voor de vakantie en verwachtten we met de trein naar Dartmoor te zullen reizen. We waren verrast toen op de laatste dag van het trimester een Rolls-Royce met chauffeur voorreed om ons op te halen.

‘Waar gaan we heen?’ vroeg Indira die de wegen niet goed genoeg kende om dat te kunnen zien. De chauffeur bleef zwijgen en pas toen we de bekende straten van Londen bereikten, verscheen er een lach op Indira’s gezicht. Toen de auto voor het huis in Pont Street stopte, stormde Indira naar buiten en rende de stoep naar de voordeur op.

De deur ging open en daar stond de maharani zelf.

‘Ma!’ Ik zag hoe Indira zich in de armen van haar moeder stortte.

‘Verrassing!’ zei de maharani toen ze haar dochter omhelsde. ‘Ik wilde het niet zeggen voor het schip veilig in Engeland was aangemeerd. En dat was pas gisteren.’

‘Maar hoe? Ik dacht dat het onmogelijk was om te reizen, nu alle schepen zijn geconfisqueerd voor de troepen,’ zei Indira toen we naar binnen liepen.

‘Dat vertel ik je allemaal nog wel. Het was een heel avontuur!’ Ze lachte en toen viel haar blik eindelijk op mij. ‘Anni! Wat ben je gegroeid! Wat zeg je, Indira, onze Anni begint een echte schoonheid te worden!’

Ik negeerde haar opmerking en volgde ze naar binnen, de elegante woonkamer in, waar een vuur in de haard was aangemaakt om ons te verwelkomen.

‘Ma, vertel me nou eens hoe je die hele reis naar Engeland hebt kunnen maken?’ zei Indira toen we zaten en de maharani haar meid had gevraagd thee te brengen.

‘Ik zei dat het een noodgeval was en dat ik hiernaartoe moest reizen. Ik heb tegen de resident gezegd dat mijn jongste kind ernstig ziek was in Londen en dat ik moest komen, wat de consequenties ook waren. En daarom stemde de kapitein van een van de Brits-Indiase troepenschepen ermee in mij aan boord te nemen. Hij waarschuwde mij streng dat hij niet kon instaan voor mijn veiligheid,’ de maharani lachte, duidelijk heel tevreden met haar avontuur, ‘en dat ik misschien in een hangmat naast de soldaten moest slapen! Natuurlijk hadden ze een veel comfortabeler accommodatie voor me en heb ik elke avond heerlijk gegeten met de alleraardigste kapitein en zijn officieren.’

‘O, Ma!’ riep Indira uit, met opengesperde ogen, ‘je had onderweg wel kunnen doodgaan! Je weet hoeveel schepen er al verloren zijn gegaan.’

‘Ik weet het, mijn pyari, maar ik kon het niet langer verdragen om mijn dochter niet te zien. En bovendien voer het schip met volle kracht vooruit – op topsnelheid om ons hier te brengen zonder incidenten. We zijn in de helft van de tijd die het gewoonlijk kost hier aangekomen. Maar hoe gaat het met jullie?’ Haar blik gleed even over mij en vestigde zich toen weer op haar geliefde dochter.

‘Anni en ik zijn zo ongelukkig geweest als de vogels tijdens de moesson,’ jammerde Indira. ‘Het eten was verschrikkelijk, de kou ondragelijk en iedereen heeft het hier ellendig. Ma, ik geloof niet dat je weet hoe Engeland werkelijk is. Het is een naargeestig, donker land en ik kan niet wachten tot ik weer naar huis kan.’

‘Het is in India nu ook heel moeilijk. Veel van onze eigen jongemannen vechten nu voor Engeland in de oorlog.’ De maharani zuchtte. ‘Het zijn zorgelijke en moeilijke tijden voor ons allemaal. Maar,’ zei ze en ze herpakte zichzelf, ‘we moeten er het beste van maken. En dat gaan we dus doen, nu ik hier in Londen ben.’

Ze hield woord en het huis vulde zich met gasten uit een Londen dat lang niet meer iets leuks had meegemaakt, gasten die maar wat graag deelnamen aan haar overvloedige stijl van ontvangen. Ze organiseerde etentjes en feesten – al had ik geen idee waar ze delicatessen als kwarteleieren, gerookte zalm en kaviaar vandaan haalde in het in oorlog verkerende Londen.

De maharani was geschokt door de staat van mijn garderobe, die in bijna twee jaar tijd niet meer was aangevuld. Ik was uit vrijwel alles wat ik bezat gegroeid en dus stuurde ze mij met Indira naar Harrods om te kopen wat we maar wilden. Deze keer was ik veel geïnteresseerder in de vrouwenafdeling. Ik was het niet direct met de maharani eens toen ze zo vriendelijk tegen me had gezegd dat ik een ‘schoonheid’ was geworden, maar ik kon zelf ook zien, als ik de mooie jurken paste en naar mijzelf keek in de spiegel, dat mijn babyvet was verdwenen en er een goed gevormd en heel acceptabel lichaam tevoorschijn was gekomen.

‘Anni, je had me moeten schrijven!’ zei ze en ze mopperde weer op mij. ‘Alsjeblieft, schaam je voortaan niet te vragen om wat je nodig hebt.’

De maharani stuurde me naar een opticien voor een nieuwe bril om de oude te vervangen, die ik onhandig met ijzerdraad had gerepareerd. Indira en ik moesten nodig naar de kapper en kwamen trots uit de salon met ons haar in een moderne bob geknipt. We kregen ook onze eerste manicure van een vrouw die aan huis kwam bij de maharani. Die avond, toen ik naar beneden kwam voor het avondeten, in mijn mooie nieuwe zijden jurk van Harrods, had ik zelfs het idee dat ik een paar bewonderende blikken kreeg van de andere gasten.

Halverwege de vakantie was Indira helemaal door het dolle toen prins Varun op een van de soirees van de maharani verscheen. Hij had twee weken verlof van zijn regiment en was in Londen.

Sinds de laatste keer dat ze elkaar hadden gezien had Indira zich ontwikkeld tot een verbijsterend mooie jonge vrouw. Ik bekeek ze die avond goed en had geen idee of iemand anders aan tafel de vonken opmerkte die tussen hen heen en weer vlogen.

Die avond, na het diner, kwam Indira onze slaapkamer binnen toen ik net onder de dekens kroop. Haar ogen glansden en ze tintelde van top tot teen van opwinding.

‘O, Anni, is hij niet knap?’ zei ze, toen ze zich in haar volle lengte op haar bed liet vallen en daar lag, met gesloten ogen en een dromerige uitdrukking op haar gezicht.

‘Hij ziet er heel goed uit, ja.’

‘En weet je wat? Hij wil me nog een keer zien nu hij in Londen is. Echt waar!’ Ze sloeg haar handen ineen van verrukking. ‘Natuurlijk laat Ma mij nooit alleen gaan. Wil jij, lieve Anni, daarom met mij meegaan om thee te drinken in het Ritz en mij dan bij de ingang van het hotel achterlaten om een uurtje te gaan wandelen? Alsjeblieft?’ Ze smeekte. ‘Ik heb geen idee wanneer we elkaar weer zien. Ik móét gaan!’

‘Indy, nee. Je weet dat je je nóóit alleen met een man mag vertonen. Je bent een prinses, er zijn regels.’

‘Dat maakt mij niet uit!’ Indira verborg haar gezicht in haar kussen en draaide zich toen om om mij weer aan te kijken, er glinsterde iets in haar ogen. ‘We kunnen moeilijk iets doen wat niet mag bij een kop thee en een paar komkommersandwiches. Of wel? Tenzij hij me meeneemt naar boven, natuurlijk…’

‘Alsjeblieft, zeg dat niet hardop!’ Ik rolde vol afschuw met mijn ogen. ‘Als je moeder erachter komt, en dat gebeurt vrijwel zeker, want ze heeft overal spionnen, dan zitten we allebei diep in de problemen.’

‘Nou, niets nieuws onder de zon, toch? Wat kan ze doen? Mij weer terug in de purdah stoppen? Alsjeblieft, zeg dat je mij dekt, Anni, alleen deze ene keer!’

‘Goed dan.’ Ik zuchtte diep. ‘Alleen deze ene keer, en geen minuut langer dan een uur.’

‘Dank je wel!’ Indira sloeg haar armen om me heen, nu ze haar zin had gekregen. ‘Je bent echt de beste vriendin die een meisje zou kunnen hebben.’

De volgende middag trokken we allebei kleding aan die paste bij thee in het Ritz en lieten ons er door een chauffeur naartoe rijden. Indira, die op de achterbank naast mij zat, kon haar opwinding nauwelijks intomen. ‘Je begrijpt wat je moet doen, hè, Anni? We zeggen tegen de chauffeur dat hij ons om vier uur moet ophalen. En jij doet alsof je naar binnen gaat, maar laat me bij de ingang achter.’

‘Ja.’ Ik fronste mijn voorhoofd; dit was de honderdste keer dat ze mij dat vertelde. ‘Succes,’ zei ik toen we uitstapten voor de grote ingang van het Ritz en ik de chauffeur zag wegrijden. Ze wierp me een handkus toe toen ze naar binnen liep. Ik draaide me om en liep in de richting van Green Park. Ik keek er niet naar uit om een uur zoet te moeten brengen, alleen op een bankje in de kilte van een voorjaarsdag in Londen. Ik keek toevallig naar de overkant en zag een elegant, natuurstenen gebouw, waarop stond dat het de Royal Academy of Arts was. Ik stak over en bestudeerde het bord bij de deur. Blijkbaar was er een tentoonstelling van nieuwe kunstenaars, dus ik liep de grote deuren door en de trap op. Binnen was een balie in een indrukwekkende hal.

‘Ik zou graag de tentoonstelling bekijken. Hoeveel is het?’ vroeg ik de vrouw die achter de balie zat.

‘Bent u lid van de Koninklijke Academie?’

‘Nee. Moet dat?’

Ze aarzelde even en antwoordde toen: ‘Ja, dat moet.’

‘Dan spijt het me dat ik u heb lastiggevallen,’ zei ik en ik begon zo elegant als ik kon terug te lopen naar de uitgang. Op dat moment stapten de twee Engelse vrouwen die achter mij hadden staan wachten naar de balie. De receptioniste vroeg of ze lid waren en ze antwoordden, net als ik, dat ze dat niet waren.

‘Dan wordt het vijf shilling per persoon,’ antwoordde de receptioniste. De vrouwen betaalden en gingen naar binnen.

Dat moment, zonder de mantel van Indiase royalty om mijn schouders, maakte ik voor het eerst kennis met rassendiscriminatie in Groot-Brittannië, het land dat honderdvijftig jaar over ons had geheerst. En helaas bleef het daar niet bij.

Vervolgens bracht ik de volgende drie middagen rillend door in Green Park, waar ik wachtte tot Indira klaar was met haar rendez-vous met haar prins. Ook al waren Fortnum & Mason en de heerlijkheden van Piccadilly vlakbij, ik was te zeer geschrokken van de reactie van de vrouw in de Royal Academy om ergens alleen naartoe te gaan. Ik besefte hoe vreemd ik er moest hebben uitgezien, zonder context, zonder de rest van het koninklijke gezelschap; met mijn bruine lichaam en gezicht gevat in een westerse jurk werd ik aangestaard als mensen het bankje passeerden waar ik op zat. Ik richtte mijn blik op mijn nieuwe vriend, Thomas Hardy, en concentreerde mij op Far from the Madding Crowd.

Als Indira en ik elkaar op de afgesproken tijd bij de zijingang van het Ritz ontmoetten en in de auto stapten om weer naar huis te gaan, verkeerden we in tegengestelde stemmingen: zij genoot van een eerste liefde; ik besefte steeds duidelijker dat ik nergens thuishoorde.

‘O, Anni,’ verzuchtte ze, als ik nogmaals luisterde naar de vloedgolf van superlatieven over haar prins. ‘Ik ben zo verliefd en vandaag vertelde hij mij dat hij ook verliefd is op mij!’

‘Ik ben heel blij voor je, Indy, maar hij is al getrouwd. Dat weet je.’ Ik had wat nader onderzoek gedaan naar Indira’s prins.

‘Natuurlijk weet ik dat! Hij is tenslotte een prins. Dat huwelijk was voor hem gearrangeerd voor hij nog maar kon lopen. Het is formeel, dat is alles. Het is geen huwelijk uit liefde.’

‘Net zoals jouw huwelijk is gearrangeerd met de maharadja van Dharampur,’ herinnerde ik haar bruusk. ‘En jij zou het toch zeker niet kunnen verdragen om de tweede vrouw te zijn? Bovendien weten we allebei dat je vader een bijzonder moderne verhouding heeft met je moeder. Prins Varun zou vrijwel zeker van je verwachten dat je in zijn paleis blijft, in purdah, als hij op reis is.’

‘Ja, in het begin misschien, voor de vorm,’ wierp Indira tegen, ‘maar dan zou hij willen dat ik hem zou vergezellen en met hem over de wereld zou reizen, net als Ma met Pa.’

Ik schraapte mijn keel. ‘Vertel je me nu dat jij en prins Varun het hierover gehad hebben?’

‘Natuurlijk! Hij wil met me trouwen. Vandaag zei hij dat hij vanaf de eerste dag dat hij mij zag had geweten dat we op een dag zouden trouwen.’

Ik staarde haar geschokt aan. Wat Indira mij vertelde was belachelijk. Ze was al met iemand anders verloofd, en een huwelijk dat jaren geleden door twee vorstenlanden en de families die er heersten was gearrangeerd, kon je niet zomaar afblazen.

Ik wist ook maar al te goed dat Indira eraan gewend was haar zin te krijgen, maar dit zou toch ook voor haar een brug te ver zijn. Ik was al net zo woedend op mezelf dat ik hun romance had gefaciliteerd.

‘Indy, alsjeblieft,’ smeekte ik haar. ‘Je moet toch weten dat prins Varun en jij nooit samen kunnen zijn?’

‘Zeg dat niet!’ zei ze geïrriteerd. ‘Natuurlijk is het mogelijk. Alles is mogelijk in de liefde…’

Zoals altijd als ik het niet volledig eens was met Indira’s gedachten en gevoelens, trok zij zich van mij terug. Ik had geweigerd om nog langer deel uit te maken van haar bedrog, maar ik wist heel goed dat ze ’s middags, als ze tegen haar moeder zei dat ze bij een vriendin op bezoek ging, eigenlijk haar prins opzocht. Ik zou blij zijn als we terug naar school zouden gaan en Indira en ik uit Londen weg zouden zijn.

Een week later vertrok Varun naar zijn regiment en Indira verzonk in een diepe depressie. Ze weigerde haar kamer te verlaten en voerde ziekte op als reden.

Twee avonden voor we naar Eastbourne zouden terugkeren, riep de maharani mij bij zich in de woonkamer.

‘Lieve Anni, ik denk dat het tijd is om je toekomst te bespreken.’

‘Ja, Uwe Hoogheid.’

Ze wees naar een stoel bij het vuur dat ze altijd in de woonkamer had branden. ‘Alsjeblieft, ga zitten. Thee?’

Ik accepteerde een kopje thee en wachtte om te horen wat ze te zeggen had.

‘Indira weet het nog niet, maar ik neem haar mee terug naar India als ik over een paar dagen terugga. Haar ziekte de afgelopen dagen heeft mij dat doen besluiten. Ik wil dat mijn familie bij elkaar is in deze moeilijke tijd en India is, in ieder geval voorlopig, een veilig land. Anders dan mijn dochter,’ zei ze glimlachend, ‘weet ik dat jij het uitzonderlijk goed doet op school. Ik zie al je rapporten. Je bent een slimme meid, dat wist ik al toen je jonger was, en je hebt een goede invloed op Indira.’

Ik probeerde heel hard om niet te blozen en had veel spijt van mijn bedrog de afgelopen twee weken. ‘Dank u, Uwe Hoogheid.’

‘En nu is het dus tijd om jou te vragen wat jij wilt, Anni. Over een paar weken heb je je eindexamen en de voltooiing van je officiële schooltijd. Voor Indira,’ de maharani zuchtte, ‘maakt het niet veel uit. Ze zal binnen de komende achttien maanden trouwen met de maharadja van Dharampur. Natuurlijk is er altijd plaats voor jou in mijn huis en ik twijfel er niet aan dat Indira het liefste wil dat jij met haar meegaat naar haar nieuwe paleis als zij trouwt. Maar ik vind dat ik jou moet vragen, Anni, of het jouw wens is om met ons terug te gaan naar India? Of wil je liever in Engeland blijven en je opleiding afmaken?’

‘Ik weet het niet, Uwe Hoogheid.’

‘Ik heb ook een brief gekregen van Lady Selina in Astbury Hall. Je weet natuurlijk dat zij een goede vriendin is van mijn dochter Minty. Ze zegt dat jij haar hebt geholpen bij haar bevalling.’

‘Ja, Uwe Hoogheid, dat is zo.’

‘En dus,’ vervolgde de maharani, terwijl ze met haar fraai gemanicuurde vingers speelde, ‘heeft Selina, mocht je besluiten in Engeland te blijven, je een positie aangeboden op Astbury Hall als verzorgster van haar baby. Het lijkt erop dat ze maar moeilijk een goede verzorgster kan vinden in deze crisis.’

Ik geef toe dat mijn hart een sprongetje maakte bij de gedachte in het huis te wonen waar Donald op een dag naar zou terugkeren, als de oorlog eindelijk voorbij was. ‘Dat is heel vriendelijk van haar, en ik zal het zeker overwegen.’

‘Het moet natuurlijk je eigen keuze zijn,’ ging ze verder, ‘maar ik vind dat jouw doelen misschien iets hoger gesteld mogen worden dan het werk van een babyverzorgster.’

Ik wist dat ik slechts enkele seconden had om te begrijpen wat ze precies zei. Deze vrouw, die mij helemaal niet hoefde te vragen wat ik met mijn toekomst wilde doen, maar de goedheid en integriteit bezat om dat toch te doen, bood mij mijn vrijheid. ‘Ik mis India verschrikkelijk,’ antwoordde ik in alle eerlijkheid. ‘En als ik hier zou blijven, dan zou ik Indira ook missen. Ze is als mijn zuster.’

‘We missen Indira en onze vrienden allemaal als we weg zijn,’ knikte de maharani, ‘maar het leven wat je daar zou leiden als volwassen vrouw is misschien niet het leven dat je zou wensen. Ook al zal het mijn dochter verdriet doen dat ze jou moet kwijtraken, zou ik niet willen dat jij de rest van je leven in een zenana zit opgesloten, en niet in staat bent om die scherpe geest van je te gebruiken.’ De maharani zuchtte. ‘En vergeef me dat ik het zo cru zeg, maar zelfs al ben ik natuurlijk bereid je te helpen, je huwelijksvooruitzichten zijn… beperkt.’

‘Ja, dat weet ik.’

‘Dus, Anni, het is jouw beslissing. Ik vind het prima als je hier in Engeland wilt blijven en je opleiding wilt afmaken – het zou oneerlijk zijn als je zo hard hebt gewerkt zonder dat te kunnen doen – maar ook als je met Indira en mij terug naar India wilt. Je reis naar huis is al geboekt, maar dat kan ik gemakkelijk ongedaan maken.’

‘Uwe Hoogheid, ik heb tijd nodig om na te denken,’ antwoordde ik.

‘Natuurlijk,’ zei ze. ‘We praten morgenochtend verder. Laten we hopen dat Indira is hersteld van haar ziekte en kan reizen.’

‘Ja.’

Toen ik opstond en naar de deur liep, volgde de maharani mij en legde haar hand op mijn schouder. ‘Vergeet niet, Anni, dat ik mijn dochter heel goed ken. Ze lijkt veel te veel op mij. Haar hart heerst over haar hoofd.’

Ik wist dat de maharani mij vertelde dat ze wist van Indira’s verliefdheid op prins Varun en dat zou oplossen. Ik was ervan overtuigd dat dat een deel van de reden was waarom ze Indira mee terug nam en ik voelde me opgelucht dat die last van mijn schouders werd genomen.

Die avond ijsbeerde ik in stilte door de slaapkamer waar Indira lag te slapen. Ik was opgewonden door het nieuwe en zeldzame gevoel dat ik mijn eigen beslissingen kon nemen – ik hield mijn lot in mijn eigen handen. Alleen in Engeland blijven en mijn school afmaken zou heel dapper zijn, terwijl als ik terugging naar India met de maharani en Indira, ik de bescherming van de koninklijke familie zou hebben. Ik dacht aan het moment in de Royal Academy of Arts en huiverde. Als Indira’s geplande huwelijk echter doorging, zou mijn toekomst, zoals de maharani subtiel had aangegeven, beperkt blijven tot de grenzen van Indira’s nieuwe zenana. En ik zou vrijwel zeker de rest van mijn leven ongehuwd blijven.

In Engeland wachtte mij vrijheid en ook – ik dwong mijzelf om eerlijk te zijn over waarom de positie die Selina mij aanbood zo verleidelijk was – Donald.

Ik wist dat we alleen vrienden waren en ik begreep dat, gegeven onze status, we nooit meer konden zijn. Als ik naar India zou teruggaan, zou ik hem echter nooit meer zien.

Uiteindelijk deed ik wat elke jongvolwassene doet als hij of zij een moeilijke beslissing moet nemen: ik legde het voor aan mijn ouders. Ik ging met gekruiste benen op de grond zitten, keek omhoog naar de hemel en vroeg ze wat hun dochter moest doen. Toen wachtte ik op een antwoord…

‘Ik heb besloten dat ik in Engeland wil blijven en mijn school wil afmaken.’

De maharani glimlachte naar me. ‘Ik dacht al dat dat je antwoord zou zijn, Anni.’

‘Ik denk…’ Dit was de eerste keer dat ik de gedachten die al een tijdje door mijn hoofd spookten onder woorden bracht. Ze waren afgelopen nacht, toen ik mijn ouders om raad vroeg, uitgekristalliseerd. ‘Ik denk dat ik een opleiding tot verpleegster zou willen volgen.’

‘Ja, ik begrijp dat dat bij je past, gezien je gaven.’ Ze knikte me vriendelijk en geruststellend toe.

‘Maar hoe moet het met prinses Indira? We zijn bijna zes jaar lang onafscheidelijk geweest. Ik wil niet dat zij het gevoel heeft dat ik haar in de steek laat.’

‘Zoals we allebei weten, Anni, is het hart van mijn dochter op dit moment ergens anders. Ze ziet en voelt niets anders.’

‘Ja,’ zei ik en we deelden een moment van wederzijds begrip.

‘Laat haar aan mij over, Anni, en vertrouw erop dat ik de situatie regel. Ik denk dat het goed is als jij je eigen leven in handen neemt. Ik zal je een maandelijkse toelage sturen, die genoeg moet zijn om in je behoeften te voorzien en als je wilt, schrijf ik aan Selina om haar te vertellen dat je haar aanbod aanvaardt.’

‘Ja, maar, Uwe Hoogheid, alleen voor de zomer,’ zei ik. ‘Daarna wil ik mij graag als verpleegster aansluiten bij de Voluntary Aid Detachment en helpen in de oorlog.’

‘Dat is heel bewonderenswaardig van je, Anni, en het bereidt je goed voor op de toekomst. Goed, dus dat is wat je wilt?’

‘Ja. Ik kan u niet genoeg bedanken voor alles wat u voor mij hebt gedaan. U bent zo ruimhartig geweest en zo goed.’ De tranen sprongen in mijn ogen en ik beet op mijn lip om ze terug te dringen.

‘Liefste Anni, vergeet niet dat ik je moeder heb beloofd om voor je te zorgen toen ze jou aan mij toevertrouwde. Ik wil dat je onthoudt dat ik er voor je ben, in haar plaats. Als er iets is wat je nodig hebt, beloof me dat je me schrijft, want ik weet niet hoelang het zal duren voor we elkaar weer zien. Kom.’

De maharani spreidde haar armen en omhelsde me. ‘Ik houd van je alsof je mijn eigen vlees en bloed bent, lieve Anni. Aarzel nooit mijn hulp te vragen, als je die in de toekomst nodig mocht hebben.’

‘Dank u, Uwe Hoogheid,’ fluisterde ik door mijn tranen heen. Ik dankte de hemel dat deze geweldige vrouw – zo’n zeldzame combinatie van kracht en goedheid – in mijn leven was gekomen. Op dat moment voelde ik mij oprecht gezegend.

Zoals de maharani al had voorspeld, was Indira niet erg onder de indruk toen ik haar vertelde dat ik in Engeland bleef om mijn school af te maken.

‘Je schrijft toch wel?’ vroeg ze. ‘Elke dag?’

‘Misschien niet elke dag, want ik moet hard studeren,’ zei ik glimlachend, ‘maar wel heel vaak.’

Toen mijn koffer werd gesloten en naar beneden werd gedragen, keek ze mij opeens aan. ‘Ik dacht dat je het vreselijk vond hier in Engeland. Waarom zou je in vredesnaam willen blijven?’

‘Omdat ik weet dat het de juiste beslissing is,’ antwoordde ik.

Pas nadat ik de maharani een afscheidskus had gegeven en Indira nog één laatste keer tegen mij aan had gedrukt, nadat ik achter in de auto was gestapt die mij bij hen weg zou voeren – misschien wel voorgoed – besefte ik hoe reusachtig de beslissing was geweest die ik had genomen.

Astbury Hall

2011