16

Ari zat in zijn auto, aan de kant van de weg die zich door Dartmoor slingerde en sloeg gefrustreerd met zijn vuist op de tomtom. Niet dat dat zou helpen, dat wist hij ook wel. Hij was het signaal al zo’n tien minuten geleden kwijtgeraakt – en dat was ook meteen de laatste keer dat hij iets had gezien wat op een bord leek. Hij was verdwaald.

Omdat hij niets beters wist om te doen, stapte Ari de auto uit en ademde de frisse heidelucht diep in. Het was een warme dag voor Engelse begrippen en toen hij over het glooiende landschap uitkeek, waardeerde hij de schoonheid die zijn overgrootmoeder zo levendig in haar verhaal had beschreven. De rust trof hem nog het meest; nauwelijks een zuchtje wind, de stilte werd alleen doorbroken door de roep van een buizerd die boven het ruwe, lege heidelandschap vloog – hij betwijfelde of het veranderd was sinds de tijd dat Anahita hier voor het laatst was.

Als gevolg van zijn hectische werkschema in Londen, in combinatie met een jetlag, had Ari haar verhaal nog niet uitgelezen. Wat hij in het vliegtuig had gelezen had hem echter voldoende geïntrigeerd om een auto te huren, naar Devon te rijden en zelf eens een kijkje te nemen in Astbury Hall. Nog voor hij zijn bestemming had bereikt, had hij al een vermoeden wat daar had plaatsgevonden.

Toen hij daar stond en over de moors uitkeek, besefte Ari dat de dagen die komen gingen de eerste vakantie zouden zijn die hij in vijftien jaar had genomen. Zelfs als hij erachter zou komen dat het verhaal van zijn overgrootmoeder niet de moeite waard was om te onderzoeken, dan zou het hem in ieder geval de tijd geven om zijn eigen gedachten te ordenen voor hij terugging naar het zootje wat hij in India van zijn leven had gemaakt.

Omdat… het ook jouw toekomst is.

Anahita’s laatste woorden hadden weer in zijn hoofd geklonken toen hij die ochtend naar Devon was gereden.

Ari stapte weer in en startte de auto. Hij zou gewoon net zo lang moeten rijden tot hij een dorp tegenkwam waar hij de weg kon vragen. Hij had voor de verandering eens geen deadline die hij moest halen, dus hij leunde achterover, ontspande zich en begon van het landschap te genieten.

Een uur later stopte hij voor een smeedijzeren hek en tuurde naar de oprit die erachter lag. Vanaf de weg was geen gebouw te zien, maar hij zag wel dat het hek stevig op slot zat en er een beveiliger naast stond. Toen hij zich afvroeg wat hij moest doen, stopte er een witte bestelbus aan de andere kant van het hek. De beveiliger knikte en opende het hek om het busje door te laten.

‘Alles in orde, vriend?’ vroeg de man in het busje toen hij langs Ari reed.

‘Ja, dit is toch Astbury Hall?’

‘Jazeker, en een nachtmerrie om te vinden. Ik heb net wat extra kabels afgeleverd en het kostte me ruim een uur om er te komen. Komt u voor de opnames?’

‘Ja,’ loog Ari.

‘Als u op zoek bent naar Steve Campion, de productiemanager, moet u de oprit volgen en dan rechts afslaan als u bij het huis bent. Hij is op de binnenplaats.’ De chauffeur reed verder. Toen het hek zich begon te sluiten, besloot Ari er snel doorheen te rijden.

‘Ik hoorde dat ik Steve Campion op de binnenplaats kon vinden,’ zei hij tegen de beveiliger.

De wacht knikte ongeïnteresseerd en wuifde hem door. Toen hij door het park dat het huis omringde reed, vermoedde Ari dat het landgoed nu voor zakelijke doelen werd gebruikt, misschien als hotel of congrescentrum. Dat was in ieder geval zo gegaan met veel van de grote oude paleizen in India.

Toen Astbury Hall eindelijk verscheen, was het niet alleen de grootsheid van het gebouw dat maakte dat Ari naar adem hapte. Op de stoep stond een aantal mannen met hoge hoed en in rokkostuum en vrouwen in vroeg-twintigste-eeuwse avondjurken. Er stond een oude Rolls-Royce voor het huis geparkeerd met een man ernaast in een ouderwets chauffeursuniform.

Ari ging langzamer rijden en knipperde met zijn ogen, want wat hij voor zich zag leek uit een andere tijd te zijn overgewaaid. Pas toen hij de camera’s rond de mensen opmerkte, grinnikte hij en begreep dat de man in het witte bestelbusje het over een film had gehad, niet over een ziekenhuisopname.

Hij zag iemand dringend naar hem zwaaien en gebaren dat hij naar rechts, om het huis heen, moest rijden. Ze zaten duidelijk midden in de opname van een scène. Toen hij deed wat hem gevraagd werd, kwam Ari terecht op een binnenplaats die bruiste van de activiteit. Hij vond een parkeerplaats voor zijn auto, stapte uit en liep langs een menigte medewerkers en acteurs die in kostuum in de rij stonden voor een cateringwagen. Niemand lette op hem. Hij zag een open deur aan de zijkant van het huis en liep voorzichtig een halletje in, waarna hij in een enorme, verlaten keuken stond.

Ari staarde naar de lange, geschuurde grenen tafel, het ouderwetse aanrecht en de piano die tegen de muur stond. Naast de open haard stond een tot op de draad versleten stoel. Hij vroeg zich af of dit dezelfde keuken was waar Anahita bijna honderd jaar geleden in had gezeten.

‘Kan ik u helpen?’

Een vrouwenstem deed hem opschrikken uit zijn gedachten.

Een stevig gebouwde vrouw van middelbare leeftijd keek hem vragend aan. ‘Er is hier geen eten te krijgen, mijn beste, alle filmmensen eten buiten bij de cateringwagen. En achter het huis staan toiletten,’ voegde ze eraan toe.

‘Neem me niet kwalijk,’ zei Ari, ‘ik hoor niet bij de film.’

‘Wat doet u dan in mijn keuken?’

‘Ik ben gekomen om Astbury Hall te zien.’

‘Het huis is niet open voor het publiek, dus dat kan niet.’ Ze staarde hem aan en haar ogen vernauwden zich argwanend. ‘U bent toch niet een van die journalisten, hè? Hoe bent u binnengekomen? Er zou een beveiliger bij het hek staan.’

‘Nee, nee,’ zei Ari snel. Hij vroeg zich af hoe hij zijn aanwezigheid in hemelsnaam zou moeten verklaren. ‘Het gaat om een… familieband. Daarom ben ik hier.’

‘Echt?’

‘Ja. Een van mijn familieleden heeft heel lang geleden op Astbury Hall gewerkt.’

‘Wie dan?’

‘Haar naam was Anahita Chavan.’

‘Nooit van gehoord,’ antwoordde de vrouw.

‘Het is meer dan negentig jaar geleden dat ze hier was. Ik ben een paar dagen voor zaken in Engeland en ik dacht dat het interessant was om het huis te zien waarover ik zoveel heb gehoord.’

‘Dus u liep gewoon maar naar binnen?’

‘Neem me niet kwalijk, ik wist niet aan wie ik het moest vragen. Is er een huidige Lord Astbury?’

‘Jazeker, maar hij heeft het veel te druk om u te ontvangen zonder afspraak.’

‘Natuurlijk.’ Ari begreep het. ‘Kunt u hem dan misschien dit geven?’ Hij haalde een visitekaartje uit zijn binnenzak. ‘Mijn mobiele telefoonnummer en e-mailadres staan erop.’

Toen ze het kaartje stond te bekijken, werd Ari gewaar dat er nog iemand in de keuken was. Hij draaide zich naar de deur naar de gang en zag een jonge vrouw, lang, slank en beeldschoon, staan. Ze droeg een ouderwetse jurk van de zachtste zijde, die elegant rond haar slanke enkels viel.

‘Stoor ik, Mrs. Trevathan?’

Ari hoorde dat de jonge vrouw met een licht Amerikaans accent sprak.

‘Nee, liefje, helemaal niet. Deze meneer ging net weg.’ De oudere vrouw richtte zich weer tot Ari. ‘Lord Astbury heeft geen e-mail en gebruikt zijn telefoon zelden. Ik stel voor dat u uw verzoek op schrift stelt en dat aan hem stuurt. Goed, Rebecca, wat kan ik voor je doen?’

‘Ik vroeg me af of u antihistamine heeft? Mijn neus jeukt en mijn ogen tranen. Bloeit de alsemambrosia hier op dit moment?’

‘Ik weet niet wat alsemambrosia is, maar juni is zeker hooikoorts­tijd. His Lordship heeft er soms ook last van.’ Mrs. Trevathan liep naar een kast en haalde een plastic doosje uit een la. Ze vond de tabletten en gaf het doosje aan de jonge vrouw.

‘Dank u, Mrs. Trevathan. Ik neem er een bij de lunch. Ik moet zo weer op.’

‘Het spijt me dat ik u heb lastiggevallen,’ zei Ari. ‘Ik zal doen wat u voorstelde en Lord Astbury schrijven. Tot ziens.’ Hij volgde de jonge vrouw naar de deur. ‘Mag ik?’

‘Dank u,’ zei ze en toen hij de deur voor haar openhield, keek ze keek hem aan met haar reusachtige bruine ogen.

‘Vergeef me als ik brutaal ben,’ zei Ari toen ze in de felle zon van de binnenplaats stapten, ‘maar u komt me zo bekend voor. Is het mogelijk dat wij elkaar ergens hebben ontmoet?’

‘Dat betwijfel ik,’ antwoordde ze. ‘Veel mensen schijnen te denken dat ze mij kennen. Hoort u bij het productieteam?’

‘Nee, ik ben hier vanwege mijn familie. Ik had een familielid dat lang geleden in dit huis heeft gewerkt. Ik zou heel graag met Lord Astbury praten, maar ik krijg het gevoel dat dat moeilijk gaat worden.’

‘Mrs. Trevathan is heel beschermend over hem, dus dat gevoel van u klopt,’ antwoordde de jonge vrouw toen ze naast Ari’s auto stilstonden.

‘Dat is heel jammer,’ zei Ari, ‘want hij is misschien wel geïnteresseerd in een stukje familiegeschiedenis waar hij niets over weet. Nou ja, ik zal doen wat die vrouw in de keuken voorstelde en mijn verzoek op schrift stellen.’

‘Ik zie Lord Astbury regelmatig, dus misschien kan ik zeggen dat u hier was?’

‘Dat zou bijzonder behulpzaam zijn, want ik denk niet dat ik nog heel lang in Engeland ben.’ Hij haalde een pen en nog een visitekaartje uit zijn binnenzak en schreef er iets op. ‘Kunt u hem dit geven? Dit ben ik, Ari Malik, en de naam van mijn overgrootmoeder die hier gewerkt heeft. Je weet nooit, misschien heeft hij wel van haar gehoord.’

Toen Ari de deur van zijn auto opende, bekeek de vrouw het kaartje. ‘Anahita Chavan. Zeker, Mr. Malik, ik zorg dat hij dit krijgt.’

‘Dank u.’ Toen, in een opwelling, pakte hij de plastic dossiermap met het verhaal van zijn overgrootmoeder van de achterbank. Hij scheidde de bladzijden die hij al gelezen had van die die hij nog moest lezen en gaf ze aan haar. ‘Misschien kunt u hem dit ook geven? Het is een fotokopie van een deel van het levensverhaal van mijn overgrootmoeder. Het geeft een beeld van Astbury Hall en zijn bewoners in de jaren twintig van de vorige eeuw.’

‘Dat is de periode waarin het verhaal speelt dat wij hier opnemen,’ zei ze en ze pakte de bladzijden van hem aan. ‘Brengt het nog lijken in de kast van Astbury aan het licht? Volgens mij heeft dit huis een heleboel geheimen.’

‘Ik ben nog niet aan het eind van het verhaal, maar ik heb wel het gevoel dat dat zo is, ja.’ Ari glimlachte naar haar.

Hij stapte in de auto. ‘O, dat is ook wat, ik heb uw naam niet meegekregen.’

‘Rebecca, Rebecca Bradley. Ik zie u vast nog, Mr. Malik.’ En met een glimlach en een opgestoken hand zweefde ze bij hem vandaan.

Ari keek haar na in de achteruitkijkspiegel. Hij vroeg zich nog steeds af waarom ze hem zo bekend voorkwam. Ze was zeker een schoonheid, hoewel hij eigenlijk niet zo van blond hield, dacht hij toen hij de auto van de binnenplaats af reed en over de oprit terugreed, om op zoek te gaan naar het dichtstbijzijnde hotel.

Toen ze klaar was met filmen voor die dag, liep Rebecca door de hal naar de donkere studeerkamer, waar de enige telefoon in het huis stond. Ze sloot de deur achter zich, ging zitten in de versleten leren fauteuil en draaide Jacks nummer. Het was tien uur ’s ochtends in la en zelfs Jack zou nu wel in het land van de levenden zijn.

‘Hallo?’ Zijn bekende stem klonk slaperig.

‘Ha, ik ben het, Rebecca.’

‘Jezus, Becks! Ik begon me af te vragen of je nog wel leefde.’

‘Ik heb voicemailberichten ingesproken, Jack. Heb je ze niet gekregen?’

‘Ja hoor… Hoe is het? Regent het daar?’

‘Nee, waarom?’

‘Het regent toch altijd aan de andere kant van de grote plas, of niet soms?’

‘Niet altijd, nee,’ antwoordde ze, geïrriteerd door zijn opmerking. ‘Hoe gaat het bij jou?’

‘Ach, je weet wel, scripts doornemen, op zoek naar een goed project – ik heb een paar dingen die er oké uitzien, maar mijn agent is niet tevreden over mijn betaling.’

‘Wat jammer.’

‘En jij, Becks? Mis je me?’

‘Natuurlijk. Ik zit hier in een schitterend huis waar de media me niet kunnen vinden. Het is heel erg rustig. Het filmen gaat goed en volgens mij is Robert Hope wel blij met hoe ik tot nu toe heb gespeeld.’

‘Goed zo, goed zo. Hoelang blijf je nog?’

‘Nog een maand, denk ik.’

‘Dat is heel lang, lieverd. Hoe moet ik het zonder jou uithouden?’

‘Je redt het wel, Jack,’ flapte ze eruit.

‘Nou, misschien vlieg ik wel naar je toe. We hebben tenslotte plannen te bespreken, data te prikken.’

‘Jack, ik…’ Rebecca’s stem stierf weg en ze zuchtte. Hij leek voor het gemak te zijn vergeten dat de media hen verloofd hadden verklaard en zij hem nog geen definitief antwoord had gegeven. ‘Laten we zien hoe het gaat, goed? Mijn filmschema is zo dichtgetimmerd de komende weken. Je weet toch hoe dat is?’

‘Ja, natuurlijk, maar ik mis je echt, schat.’

‘Ik jou ook. Ik moet nu gaan, ik probeer je in het weekend weer te bellen.’

‘Ja, doe dat, alsjeblieft. Het voelt idioot dat ik je niet te pakken kan krijgen als ik je wil spreken. Weet je zeker dat dat echt komt doordat je daar geen bereik hebt?’

‘Natuurlijk, Jack. Daar zou ik toch niet over liegen. Luister, ik moet echt gaan.’

‘Oké, ik houd van je.’

‘Ik ook van jou. Dag!’

Rebecca legde de hoorn op de haak en liep langzaam naar boven, naar haar kamer. Ze viel met een zucht op de stoel naast de open haard. Wat mankeerde haar toch? Een paar maanden geleden was ze nog hopeloos verliefd op Jack. En nu kon ze het nauwelijks opbrengen om met hem te praten, laat staan om lieve dingen tegen hem te zeggen of te zeggen dat ze hem miste.

Misschien, zei ze tegen zichzelf, kwam het omdat ze zich in de hoek gedreven voelde. Als een hert in het licht van de koplampen, ze voelde zich gevangen. En hier in Engeland verkeerde ze in het gezelschap van mannen die zichzelf veel minder serieus leken te nemen dan Jack.

Rebecca had er nooit aan kunnen wennen dat hij meer vochtinbrengers en huidverzorgingsproducten gebruikte dan zij. Ze giechelde bij de gedachte dat Lord Anthony zoiets zou doen. Waarschijnlijk was zijn enige concessie aan persoonlijke verzorging de aanschaf van een scheerapparaat dat hij al sinds hij zich begon te scheren gebruikte.

Dat herinnerde haar eraan dat ze Anthony moest opzoeken en hem het kaartje van Mr. Malik en de papieren die hij haar had toevertrouwd moest geven. Ze keek uit het raam en zag dat Anthony in de tuin bezig was met het snoeien van de rozen. Ze verliet haar kamer en liep naar beneden, naar het terras. Toen ze naar buiten kwam, zag hij haar en liep door de tuin en het terras op naar haar toe.

‘Hoe is het, Rebecca?’

‘Het was een goede dag,’ zei ze. ‘En jij?’

‘Ach, zijn gangetje,’ zei hij vriendelijk.

‘Heeft Mrs. Trevathan het nog over de bezoeker gehad die hier eerder vandaag was?’

‘Nee, wie?’

‘Een jonge Indiër, Ari Malik, die ons vertelde dat een familielid van hem hier lang geleden heeft gewerkt. Hij vroeg me of ik je deze bladzijden wilde geven. Ze zijn geschreven door zijn overgrootmoeder over haar tijd in Astbury Hall, begin twintigste eeuw. Ze heette zo.’ Rebecca gaf hem het visitekaartje en Anthony bestudeerde het.

‘Anahita Chavan… ik ben bang dat er geen bellen gaan rinkelen. Als ze een bediende was, dan moet haar naam in de oude leggers waarin het loon van het personeel werd bijgehouden te vinden zijn. Ze liggen in de bibliotheek.’

‘Misschien dat deze bladzijden je meer vertellen. Mr. Malik zei dat je ze misschien zou willen lezen.’

Anthony wierp er een blik op en Rebecca zag dat hij aarzelde. ‘Niet echt mijn ding, om in de familiegeschiedenis te duiken. Wat heeft het voor zin om het verleden te herbeleven als het zoveel pijn doet?’

‘Het spijt me, Anthony, ik wilde je niet van streek maken.’

‘Vergeef me.’ Anthony herpakte zich en glimlachte vaag. ‘Ik heb er al moeite mee om met het heden om te gaan.’

‘Ik begrijp het. Zou je het erg vinden als ik ze lees? Het geeft me misschien meer inzicht in de tijd waarin Elizabeth leefde.’

‘Elizabeth?’

‘Mijn personage in de film,’ verduidelijkte Rebecca.

‘O, natuurlijk. Zeker, ga je gang,’ stemde Anthony in. ‘Misschien wil je mij het plezier doen eens een drankje met mij te drinken als je opnameschema dat toestaat?’

‘Natuurlijk. Heel graag.’

‘Ik kijk ernaar uit. Tot dan,’ zei hij toen hij het kaartje dat ze hem gegeven had in zijn zak stak en weer de traptreden van het terras af liep naar zijn dierbare tuin.

Rebecca bracht het volgende half uur door met toekijken hoe het dorpsfeest werd gefilmd. Het was gesitueerd in het park voor het huis. Jonge kinderen – inwoners van de omringende dorpen – renden opgewonden tussen de verschillende opgestelde kramen heen en weer en Rebecca zag de verpleegster die ze de eerste dag in de keuken had gezien een oude vrouw in een rolstoel voortduwen. Ze keek vol bewondering toe hoe Marion Devereaux – een legendarische Britse actrice – een lange, ingewikkelde dialoog in één enkele perfecte take voltooide.

Ze geeuwde opeens en keerde terug naar haar kamer. Ze rolde zich op op het bed en nam nog een half uur haar tekst door. Toen werd haar aandacht getrokken door de plastic map die Ari Malik haar gegeven had.

Toen ze weer opkeek, zag ze dat het voorbij middernacht was. Ze kroop onder de dekens en viel onmiddellijk in slaap. Ze droomde die nacht van maharadja’s, robijnen en een exotische Indiase prins met blauwe ogen…