18
‘Rebecca? Rebecca?’
Ze hoorde hoe een stem haar riep. Toen ze haar ogen opende, zag ze Mrs. Trevathan die op haar neerkeek.
‘Je hebt meer dan drie uur geslapen. Ik dacht dat ik je maar wakker moest maken, want het is bijna zeven uur, en je krijgt anders later nooit je rust als je nog meer slaapt. Ik heb thee en scones voor je.’
‘O… dank u wel.’ Rebecca voelde zich gedesoriënteerd en verward.
‘His Lordship zei dat je last had van hoofdpijn. Heb je nog iets nodig? Je ziet erg bleek, lieverd.’
‘Nee, het gaat wel, dank u,’ antwoordde Rebecca. Ze zwaaide haar benen over de rand van het bed en liep naar de tafel. ‘Ik voel me veel beter nu ik geslapen heb.’
‘Zal ik de thee voor je inschenken?’
‘Alstublieft.’
‘Ik hoor dat we morgen een extra gast voor de lunch hebben. Jij hebt His Lordship blijkbaar verteld over die Indiër die hier laatst was.’
‘Ja, dat heb ik gedaan.’ Rebecca zag de afkeuring die op het gezicht van Mrs. Trevathan geschreven stond. ‘Is dat een probleem?’
‘Nee, nee. Het is alleen zo druk op het moment. Ik denk dat we er gewoon niet aan gewend zijn dat onze routine zo verstoord wordt.’
‘Dat kan ik me voorstellen,’ zei Rebecca meelevend. Ze zweeg even. ‘Anthony is zo aardig voor me. Hij lijkt me alleen erg eenzaam. Het gaat me natuurlijk niet aan, maar ik vroeg me af… heeft Anthony ooit een vriendin gehad?’
‘Niet echt, nee. Ik denk dat je zou kunnen zeggen dat His Lordship is wat ze een verstokte vrijgezel noemen. Hij is een bijzonder iemand.’ Mrs. Trevathan glimlachte in zichzelf.
‘Ik weet niet of ik altijd alleen door het leven zou willen gaan,’ verzuchtte Rebecca en ze nam een slokje van haar thee.
‘Nou ja, ieder het zijne, zeg ik altijd maar. We kunnen niet allemaal gelukkig zijn in de liefde, nietwaar? Bovendien heeft hij altijd mij als gezelschap. Goed dan, ik laat je weer met rust.’
‘O, dat is waar ook, ik had beloofd om Anthony het manuscript te geven dat ik van Mr. Malik had gekregen, zodat hij het voor morgen kon lezen.’ Rebecca pakte de stapel papieren van het nachtkastje naast het bed en gaf ze aan Mrs. Trevathan.
Ze keek er argwanend naar. ‘Wat moet dit voorstellen?’
‘Het gaat voornamelijk over het leven in India. En, natuurlijk, ook over Astbury Hall.’
‘Aha. Er staat toch niets in wat His Lordship van streek kan maken? Hij is erg…’ Ze zocht naar het juiste woord. ‘… gevoelig, en ik wil niet dat hij gekwetst wordt.’
‘Nee, niets.’
‘Wat wil die Indiër eigenlijk, denk je?’ drong Mrs. Trevathan aan.
‘Hij wil alleen meer weten over het verleden van zijn overgrootmoeder. Wat zou het anders kunnen zijn?’
‘Niets… niets,’ mompelde Mrs. Trevathan. Ze was duidelijk niet overtuigd. ‘Goed, ik laat je nu echt met rust.’
Toen Rebecca de heerlijke scones opat, dacht ze na over de bezitterige manier waarop Mrs. Trevathan over Anthony sprak. Je zou haast denken dat ze man en vrouw waren. Zij deed tenslotte alle huishoudelijke taken die een vrouw van oudsher uitvoert, en ze waren duidelijk al heel lang samen. Rebecca vroeg zich vervolgens af hoe Mrs. Trevathan het zou vinden als er opeens wél een andere vrouw op de proppen kwam. Ze kon zich er niet aan onttrekken dat zij hun relatie vreemd vond. Hij was zo… intiem, ze leunden allebei enorm op elkaar, maar stonden toch zo ver van elkaar af. Misschien, dacht ze met een grimas, waren veel huwelijken zo.
Rebecca zette haar lege bord op het blad en zette dat buiten de deur, als teken dat ze niet gestoord wilde worden. Ze ging in de stoel zitten en probeerde er rationeel over na te denken hoe haar leven eruit zou zien als ze met Jack getrouwd was. Er zou geen meester-en-dienaar-verhouding zijn, omdat zij gelijkwaardig waren. Was dat eigenlijk mogelijk? Jacks ego was zo groot als de Titanic, en omdat haar eigen ik minder uitgesproken was en het haar natuur was om conflict tegen elke prijs uit de weg te gaan, ging ze ervan uit dat zij het zou zijn die het eerste zou toegeven.
Rebecca stond op en nam een bad. Vervolgens kroop ze met haar script in bed. Ze vond het moeilijk om zich te concentreren. Haar gedachten gingen steeds weer naar Jack en zijn aanzoek. Uiteindelijk, toen haar oogleden zwaar werden en ze bijna in slaap viel, besefte ze dat het enige wat ze zeker wist was dat ze niet klaar was om zich levenslang vast te leggen.
‘Ah, Rebecca, ik wilde net Mrs. Trevathan naar boven sturen om je te roepen.’ Anthony stond op van de eettafel om haar te begroeten. ‘Je ziet er veel beter uit vandaag. Is de hoofdpijn over?’
‘Ja, gelukkig wel, dank je,’ beaamde Rebecca toen ze de kamer binnenliep.
‘Jullie hebben elkaar volgens mij eerder ontmoet. Rebecca, dit is Mr. Malik,’ zei Anthony.
‘Hallo,’ zei Rebecca. Ze glimlachte en stak haar hand uit naar Ari.
‘Rebecca,’ zei Ari ietwat opgelaten. ‘Ik moet me verontschuldigen voor het feit dat ik laatst volhield dat ik je ergens van kende. Later besefte ik pas wie je bent.’
‘Echt, dat geeft niet. Het is weer eens wat anders,’ zei ze lachend.
‘Ik zag toevallig pas gisteren een foto van jou en je verloofde in een krant,’ vervolgde Ari. ‘Mag ik je feliciteren?’
‘Bedankt.’ Rebecca bloosde ongemakkelijk.
‘Ben je verloofd?’ Anthony staarde Rebecca verbaasd aan. ‘Dat wist ik niet.’
‘Ik… ja.’
‘Oké. Zullen we gaan zitten?’ zei Anthony bruusk. ‘Mr. Malik, ik weet niet of het eten naar uw smaak is. Mijn huishoudster kookt nogal traditioneel Engels.’
‘Alstublieft, noem mij Ari. En maak je geen zorgen, ik ben aan Engels eten gewend geraakt toen ik op Harrow zat.’
‘Zat je op Harrow?’ Anthony leek nogal onder de indruk.
‘Ja, mijn ouders vonden dat een Engelse opleiding de beste in de wereld was. En dus…’
Ari praatte verder, maar zijn woorden gingen aan Rebecca voorbij, omdat haar nu pas opviel hoe knap hij eigenlijk was. Hij had dik, golvend zwart haar dat glansde met een blauwe gloed in het zonlicht dat door het raam naar binnen viel. Het was zo lang dat het net over de kraag van zijn overhemd viel, maar hij zag er toch mannelijk uit. Zijn huid was licht honingbruin en hij droeg een onberispelijk geperst en gesteven wit overhemd. Het waren echter vooral zijn ogen waar Rebecca door werd aangetrokken – ze wist niet hoe ze de kleur zou moeten beschrijven, want ze waren blauw, maar bevatten ook groene en amberkleurige vlekjes. Ze deden haar denken aan wat ze zag toen ze als kind in haar caleidoscoop keek.
‘Wat denk jij, Rebecca?’ vroeg Anthony haar.
‘Neem me niet kwalijk.’ Ze richtte zich met moeite weer op de conversatie. ‘Ik ben bang dat ik dat even gemist heb.’
‘Ik zei tegen Ari dat sinds de neergang van het Britse rijk veel van onze tradities in de wereld niet meer zo hoog in aanzien staan als vroeger.’
‘Nou, daar ben ik niet zo zeker van.’ Rebecca glimlachte. ‘Wij Amerikanen houden nog altijd van jullie Britten. Ik bedoel, kijk naar mij: hier ben ik, ik maak een film over jullie aristocratie voor de Amerikaanse markt.’
‘Rebecca heeft gelijk,’ zei Ari. ‘Veel van de gewoonten die in mijn land het meest zijn ingesleten komen van die tientallen jaren Britse overheersing. Tegenwoordig denk ik echter dat wij ze hoger houden dan jullie zelf doen. Kijk maar naar cricket,’ plaagde hij.
‘Woon je in India?’ vroeg Rebecca, toen Mrs. Trevathan de soep voor hen neerzette.
‘Ja, ik woon in Mumbai, maar ik ben ook veel in het buitenland.’
‘Wat doe je precies?’ vroeg Anthony.
‘Mijn bedrijf biedt technologische oplossingen aan andere bedrijven. We ontwerpen software op maat.’
‘Echt? Ik vrees dat ik een dinosaurus ben,’ zei Anthony. ‘Ik heb niet eens een computer en dat zal ook nooit gebeuren. Ze jagen me angst aan, als ik eerlijk moet zijn.’
‘En toch kan mijn zesjarige neefje net zo snel van programma wisselen op een computer als hij de bladzijden van een boek kan omslaan,’ zei Ari. ‘Of je het nu wilt of niet, de digitale wereld heeft ons leven onherroepelijk veranderd.’
‘Het mijne niet,’ antwoordde Anthony zonder rancune. ‘Zoals je misschien is opgevallen, zijn mijn huis en ik allebei hopeloos ouderwets en dat houden we zo. En nu gaan we eten. Eet smakelijk!’
Tijdens de lunch zat Rebecca stil te luisteren hoe de mannen over Engelse en Indiase geschiedenis praatten en over de vreemde, maar blijvende verbondenheid die die had voortgebracht.
Na het eten zei Anthony: ‘Zullen we voor de koffie naar de zitkamer gaan?’
Toen ze daar eenmaal zaten en Mrs. Trevathan koffie voor de mannen had ingeschonken en kamillethee voor Rebecca, pakte Anthony de bladzijden van een bureau en gaf ze terug aan Ari.
‘Dank je dat ik dit heb mogen lezen. Ik vond het fascinerend, zeker het inzicht dat het bood in het India van 1911. Het is de wereld waar mijn overgrootvader deel van uitmaakte.’
‘Ja, ik heb ook een heleboel over mijn eigen cultuur geleerd van deze bladzijden,’ knikte Ari.
‘Maar,’ vervolgde Anthony, ‘ik zie nog niet wat dit verhaal te maken heeft met mijn familie of met Astbury Hall.’
‘Nee, dat begrijp ik,’ zei Ari. ‘Nu ik het verhaal van mijn overgrootmoeder helemaal heb uitgelezen, kan ik je verzekeren dat er zeker een grote relevantie bestaat.’
‘Je overgrootmoeder beschrijft dat ze hier werkte, maar ik zei al tegen Rebecca, ik heb geen enkele vermelding van haar gevonden in de personeelsleggers uit die periode.’
‘Het zou me niets verbazen als je geen spoor van haar terugvindt in de documenten van Astbury Hall. Helaas had haar tijd hier voor geen van de betrokkenen een gelukkige afloop.’
‘Dan weet ik niet of ik het wel wil weten,’ merkte Anthony op.
‘De reden waarom ik naar Astbury ben gekomen was eigenlijk om te zien of je mij kon helpen het ontbrekende stukje van de legpuzzel van mijn eigen familiegeschiedenis te vinden,’ zei Ari.
‘En wat kan dat zijn?’
‘Om een lang verhaal kort te maken, Anahita kreeg, kort na de dood van Violet Astbury, te horen dat haar eigen zoon was overleden. De rest van haar leven heeft ze geweigerd dat te accepteren.’ Hij wees naar de map waarin de rest van het verhaal was opgeborgen. ‘Het is gecompliceerd, maar volgens mij legt zij het allemaal veel beter uit dan ik ooit zou kunnen. Zou je de rest ook willen lezen?’
‘Misschien.’ Anthony stond abrupt op, duidelijk van streek. ‘Rebecca, je zei gisteren dat je wel een ritje over de moors zou willen maken.’
‘Ja, dat is zo.’
‘Rijd jij paard, Ari?’ informeerde Anthony.
‘Ja.’
‘Waarom gaan jullie dan niet even uitwaaien? Ik heb werk te doen in de tuin.’
‘Het is zo’n mooie dag, dat lijkt me heerlijk,’ zei Rebecca. ‘Wil je met mij meegaan, Ari?’ drong ze aan. Het was duidelijk dat Anthony hen weg wilde hebben.
‘Ja, natuurlijk, als jullie dat allebei willen. De lunch was heerlijk, Anthony, bedankt voor je gastvrijheid,’ zei Ari. Hij begreep de hint en volgde Rebecca door de kamer naar de openslaande deuren die op het terras uitkwamen. ‘Ik heb alleen geen laarzen of rijkleding bij me.’
‘Als je naar links gaat, vind je de stallen iets verderop,’ zei Anthony. ‘Zeg maar tegen Debbie dat ik jullie gestuurd heb. Zij heeft rijkleding voor jullie. Geniet ervan.’
‘Dank je,’ zei Rebecca. ‘Tot straks.’
‘Ik heb hem duidelijk van streek gemaakt,’ zei Ari toen ze buiten gehoorsafstand waren.
‘Misschien weet hij meer dan hij wil zeggen?’ Ze haalde haar schouders op.
‘Mogelijk. Logeer jij hier bij hem?’
‘Ja. Ik weet dat Anthony een beetje vreemd overkomt, maar hij is heel vriendelijk en gastvrij voor mij. Dank je wel dat je mee wilde paardrijden, trouwens,’ zei ze toen ze bij de stallen aankwamen. ‘Ik denk dat hij even alleen wilde zijn.’
‘Het plezier is geheel aan mijn kant.’ Ari glimlachte naar haar.
‘Wacht hier even. Dan ga ik Debbie zoeken,’ zei ze en ze liep langs de paarden, terwijl ze hun fluwelige neuzen aaide.
Debbie, het stalmeisje, gaf Rebecca een slanke schimmelmerrie en Ari een vosruin. Toen ze de paarden opzadelde, wees ze hen de weg naar de moors. ‘Volg gewoon het pad als je daar bent,’ adviseerde ze. ‘Als je het terrein niet kent, zou ik niet van de paden gaan. Het kan je anders eindeloos veel tijd kosten voor je de weg terugvindt. Ik ben hier tot een uur of zes,’ zei ze toen ze met zijn tweeën de stal uit reden.
‘Wat een prachtige middag,’ merkte Ari op. ‘Het Engelse klimaat is zo mild – het wordt zelden extreem. Net als de mensen die er wonen,’ voegde hij er licht ironisch aan toe.
‘Ik herinner me dat je overgrootmoeder vrijwel hetzelfde schreef. De Engelsen zijn in ieder geval veel minder demonstratief dan wij Amerikanen.’
‘En wij Indiërs ook. Maar ik ben hier opgeleid, en ik heb geleerd mijn emoties te beheersen.’ Hij lachte. ‘Goed,’ zei hij toen ze de rand van de moors bereikten. ‘Hoe voel je je? Zin in een galopje?’
‘Ik probeer het, maar als ik je niet kan bijhouden, moet je maar gewoon doorrijden als je dat wilt.’
Ari tikte met zijn been tegen de flank van zijn paard en de vosruin galoppeerde weg. Rebecca drukte zacht met haar kuiten en volgde hem, maar in een iets rustiger tempo. Toen ze zich zekerder begon te voelen, verhoogde ze de snelheid en al snel vloog ze naast hem voort. Geen van hen zei een woord toen de paarden voort daverden. Uiteindelijk, toen ze alle vier buiten adem waren, zag Ari een beekje dat door een spleet in de heidevelden stroomde.
‘Zullen we de paarden daar wat laten drinken en van dit schitterende landschap genieten?’ stelde hij voor.
‘Prima,’ antwoordde Rebecca. Ze stapte af en leidde haar schimmel naar de rand van de beek. Ze plofte neer in het ruwe gras en staarde omhoog naar de wolkeloze hemel. Ari deed hetzelfde en ze lagen naast elkaar in een stilte die prettig aanvoelde.
‘Hoor je dat?’ zei Ari.
‘Wat?’
‘Precies.’ Hij lachte naar haar. ‘Niets.’
‘En ik vind het heerlijk.’ Rebecca zuchtte. ‘Hoelang ben je nog in Engeland?’
‘Ik geef het nog een paar dagen om te zien of Anthony zin heeft om meer van Anahita’s verhaal te lezen. Ik kan zelf nog wat onderzoek ter plaatse doen om te proberen haar zogenaamde verloren zoon te vinden. Het kwam trouwens wel goed uit. Ik moest even weg uit India.’
‘Waarom dat?’
‘Ik denk…’ Ari zuchtte. ‘Ik was op een keerpunt aangekomen, in elk aspect van mijn leven. Misschien heb ik wel een vroege midlifecrisis, maar alles wat ooit belangrijk was, was dat opeens niet meer.’
‘Weet je ook hoe dat kwam?’ vroeg Rebecca hem voorzichtig.
‘Helaas, ja. Ik ben een geweldige vrouw kwijtgeraakt, omdat ik zo vol was van mijn carrière en succes. Pas achteraf kan ik zien wat ik had en wat ik kwijt ben.’
‘Waarom kun je haar dat dan niet vertellen?’
‘Ze is twee weken geleden met iemand anders getrouwd. Ik kan het haar niet kwalijk nemen dat ze het met mij heeft opgegeven. Ze stond de hele tijd naast me toen ik mijn bedrijf opbouwde en ik heb haar gewoon niet gezien,’ verzuchtte hij verdrietig. ‘Nou ja, gedane zaken nemen geen keer en het helpt niet om achterom te kijken.’
‘Ik ben hier niet gekomen om antwoorden te vinden,’ zei Rebecca en ze kwam wat overeind en steunde haar hoofd op haar handen, ‘maar ik heb er wel een paar gevonden.’
‘Zoals?’ drong Ari aan.
Rebecca zuchtte. ‘Het moet tussen ons blijven, maar ik heb besloten dat ik nog niet wil trouwen.’
‘Oké. Geeft dat geen problemen? Ik begreep uit de berichten in de kranten dat de wereld je huwelijk al aan het voorbereiden is.’
‘Ja. Maar ik heb dat probleem liever nu dan over vijf jaar een akelige scheiding. Misschien kunnen Jack en ik nog een tijdje verloofd blijven.’ Rebecca rolde op haar buik en trok aan het ruwe gras. ‘Maar ik weet niet of dat het antwoord is.’
‘Houd je van hem?’ vroeg Ari.
‘Ik… ik weet het niet meer.’
‘Zorg dat je het zeker weet voor je iets beslist.’ Ari ging op zijn rug liggen, sloot zijn ogen en vouwde zijn armen onder zijn hoofd. Rebecca keek naar hem en weer vond ze hem heel erg aantrekkelijk. Ze was tegelijkertijd opgelucht en een beetje teleurgesteld dat hij duidelijk had gemaakt dat hij treurde over het verlies van iemand die hij had liefgehad. Hij was niet in haar geïnteresseerd, zoveel was duidelijk. Ook zij rolde zich op haar rug en sloot haar ogen. Ze liet deze wonderlijke toestand op zich inwerken. Nadat mannen jarenlang bij de eerste gelegenheid voor haar waren gevallen, was het verfrissend dat Ari alleen maar leek te willen praten.
‘Je glimlacht,’ zei hij opeens. ‘Waarom?’
Ze opende haar ogen en zag dat Ari op haar neerkeek. ‘Ik voel me rustig en gelukkig.’
‘Genieten van het moment, zullen alle goeroes je vertellen, is het geheim van een gelukkig leven. Ga je mee nog een stukje rijden? Ik wil nog wel een eindje.’
‘Natuurlijk,’ zei ze en ze stapten weer op hun paard.
‘Eens kijken,’ Ari speurde de horizon af, ‘als dit de beek is die mijn overgrootmoeder beschrijft in haar verhaal, dan moet het huisje vlakbij zijn. Laten we eens zien of we het kunnen vinden.’
Rebecca volgde Ari van het pad af, de heide op. Iets leek hem de weg te wijzen, want na slechts een paar minuten zoeken zagen ze al de schoorstenen van een gebouw dat half verscholen lag in een dalletje te midden van de ruige omgeving.
‘Dat is het,’ zei Ari. ‘Ik weet het zeker.’
‘Wat?’
‘Het huisje waar Anahita woonde. Kom!’
‘Ik dacht dat ze in het huis woonde. Je kunt het niet maken dat je zoiets zegt en me niet vertelt wat je bedoelt!’ riep ze toen Ari ernaartoe reed.
‘Ik vertel het je zo!’ riep hij over zijn schouder. Rebecca draafde achter hem aan, de helling af en naar de voorkant van het huisje.
‘Dit moet het zijn,’ zei Ari toen hij van zijn paard sprong. ‘Laten we eens een kijkje nemen.’ Hij hielp Rebecca afstappen en liep met haar naar het hek. De tuin was allang overgenomen door heide en wilde planten.
‘Het is bijna alsof de moors het weer hebben opgeëist,’ zei hij toen hij met al zijn kracht het hek openduwde. ‘Het lijkt erop dat hier jaren niemand heeft gewoond. Misschien wel sinds Anahita hier was, negentig jaar geleden,’ merkte hij op toen hij het gras platstampte om een pad voor hen te maken naar de voordeur.
Elke centimeter van het huisje was overdekt met klimop. Hij probeerde die met zijn handen weg te trekken van de ramen, maar het was ondoordringbaar. Toen probeerde hij de deur en gebruikte al zijn kracht om die door de klimop heen open te duwen, maar dat lukte evenmin.
Rebecca stond te wachten, tot haar middel in bramen en gras, toen plotseling een diepe kleur haar aandacht trok tussen het struikgewas. Ze duwde de takken opzij en schrok toen ze een kleine, perfecte roos zag, identiek van kleur aan de roos die Anthony haar had gegeven toen ze net op Astbury was aangekomen. Toen ze zich vooroverboog om beter te kijken, zag ze dat er meer knoppen aan de plant zaten, die dolgraag wilden bloeien, en ze voelde opeens verdriet dat iets wat zo mooi was toch kon bloeien in de verstikkende chaos die het omringde.
‘Misschien moeten we een ruit inslaan?’ stelde hij voor. ‘Of misschien is er aan de achterkant nog een deur?’
‘Ik denk niet dat we met geweld naar binnen moeten gaan,’ zei Rebecca nerveus. ‘Iemand is de eigenaar.’
‘Ja, Anthony,’ zei Ari.
‘Laten we hem dan om een sleutel vragen,’ zei Rebecca. Ze wilde weg. Er was iets met dit huisje wat haar een heel ongemakkelijk gevoel gaf.
‘Ik loop even om naar de achterkant om te zien of ik daar kan binnenkomen.’ Ari draaide zich om en liep langs haar heen naar het hek.
‘We moeten terug,’ zei ze. ‘Het is al na zessen en we hebben Debbie beloofd dat we terug zouden zijn.’
Ari keek op zijn horloge. ‘Ja, je hebt gelijk. We weten nu tenminste waar het huisje is. Misschien kan ik Anthony om toestemming vragen om terug te komen en er rond te kijken.’
‘Wat wil je vinden?’ vroeg ze hem toen ze weer op hun paard klommen. Ze voelde een grote opluchting toen ze weg draafden van het huisje.
‘Of er iets binnen is wat nog wijst op de aanwezigheid van mijn overgrootmoeder.’
‘Dat kan toch bijna niet, als het negentig jaar geleden was?’
‘Je hebt waarschijnlijk gelijk, maar ik zou mijn nieuwsgierigheid toch graag bevredigen.’
Toen ze terug waren bij de stallen, droegen ze de paarden over aan Debbie, met uitgebreide verontschuldigingen omdat ze haar hadden laten wachten, en liepen terug naar het huis. Toen ze de treden naar het terras op liepen, zag Rebecca dat Anthony aan het werk was in de ommuurde tuin. Hij wenkte hen.
‘Mooie rit?’ vroeg hij.
‘Ja. Bedankt dat we de paarden mochten gebruiken,’ zei Ari.
‘Geen probleem. Die arme dieren krijgen tegenwoordig te weinig beweging. Voel je vrij om ze mee te nemen wanneer je maar wilt. Hoelang ben je nog hier?’
‘Ik weet het niet,’ zei Ari.
‘Ik heb nagedacht terwijl ik hier aan het spitten was. Ik moet me niet verstoppen voor het verleden van mijn familie. Ik zal het verhaal van je overgrootmoeder uitlezen. En als ik het uit heb, praten we verder.’
‘Dank je, daar ben ik blij om. Dan wacht ik tot ik van je hoor.’
‘En voel je ondertussen vrij om op het terrein van Astbury rond te lopen. Het is in deze tijd van het jaar op zijn mooist. Voor nu groet ik je.’ Anthony trok zich weer terug in de tuin.
Rebecca grijnsde naar Ari. ‘Pas maar op. Als je hier morgen terugkomt, beland je misschien wel in de film.’
‘Ik denk het niet, tenzij er opeens een rol is voor een Indiase bediende. Goed, ik ga ervandoor. En bedankt, Rebecca. Het is volledig aan jou te danken dat Anthony mij heeft willen ontvangen.’
‘Geen probleem. Tot gauw, Ari.’
‘Ja, dat hoop ik.’ Hij glimlachte toen hij wegliep.