22

November 1918, Noord-Frankrijk

Mijn kind, ik wil niet in details treden over wat ik in mijn tijd als verpleegster heb gezien. Je hebt vast in de geschiedenisboeken gelezen hoe afschuwelijk het was. Ik kan alleen maar zeggen dat alles wat daarin geschreven staat nooit de echte gruwel waar ik getuige van ben geweest kan weergeven.

Een paar weken na mijn eerste training werd ik naar Frankrijk gestuurd. Ik bleek geschikt en ze zaten om verpleegsters te springen om de gewonden in de frontlinie te verzorgen. Net als bij iedereen die daar was liet het herinneringen achter die onuitwisbaar in mijn ziel staan gegrift. De enorme wanhoop die je voelt als je ziet hoe het menselijk ras zichzelf vernietigt stelde mijn geloof op de proef. Ik was alleen dankbaar dat mijn moeder mij toen ik klein was had meegenomen naar de dorpen in Jaipur en dat ik eerder lijden had gezien. Ik was er tenminste meer dan de meesten op voorbereid.

Ik vertel je wel dat ik Ned tegenkwam, de tweelingbroer van mijn vriendin Charlotte. Hij was een paar dagen in mijn veldhospitaal met een flink gat in zijn voorhoofd. Ik heb het voor hem verbonden en het was fijn om een bekend gezicht te zien uit een rustiger periode in mijn leven.

Ned moet hetzelfde hebben gevoeld, en omdat hij vlak bij ons hospitaal achter de linies was gestationeerd, nam hij mij in onze schaarse vrije tijd mee naar het stadje Albert, waar we een paar uur respijt hadden. We praatten over boeken, kunst, theater – alles wat niets te maken had met de akelige realiteit die wij allebei dagelijks moesten ondergaan.

Ik was met hem op de dag dat de wapenstilstand eindelijk werd uitgeroepen. Tegen die tijd waren de loopgraven halfleeg, gedeeltelijk door de gruwelijke Tweede Slag aan de Somme en omdat het weinig zin leek te hebben om weer extra kanonnenvoer aan te voeren, omdat het steeds duidelijker werd dat de Duitsers geen andere keus hadden dan zich over te geven.

Wij bevonden ons te midden van de menigte verpleegsters en soldaten die in jeeps naar Albert reden. Geen van ons durfde te geloven dat het echt waar kon zijn. Soldaten van alle nationaliteiten – Engelsen, Fransen, Amerikanen en zelfs Indiërs – en van overal langs de frontlinie stroomden het plein op en een ter plekke samengestelde band speelde die nacht in een euforische kakofonie van vreugde.

Ik herinner me levendig dat iemand vuurwerk afstak en het hele plein plotseling stilviel. Onze zintuigen waren alert, bang dat we verkeerd geïnformeerd waren en dat het het geluid was van Duitse raketten. Toen het vuurwerk de lucht in vloog, verzekerden de vonkende kleuren en patronen van licht ons dat dat niet zo was.

Vlak na dat vuurwerk werd ik op mijn schouder getikt.

Ik was op dat moment in Neds armen en danste op de tonen van de Dixieland Jazz Band. We stopten en ik keek om, en daar zag ik, als een verouderde schaduw van zijn vroegere jongensachtige zelf, Donald Astbury.

‘Anahita? Ben jij het?’

‘Donald?’ Ik hield mijn adem in, durfde het nauwelijks te geloven.

‘Ja.’ Hij lachte. ‘Selina schreef me en vertelde me dat je bij de vad’s was gegaan, maar wat een toeval dat ik je hier vanavond tegenkom!’

Ned stond in de houding – Donald was zijn meerdere in rang – dus ik stelde ze aan elkaar voor en de twee schudden elkaar de hand.

Donald keek op mij neer met affectie in zijn ogen. ‘Weet je, sergeant Brookner, de laatste keer dat ik deze jongedame zag, was ze bijna vijftien jaar oud. En kijk nou eens naar je, Anni!’ Zijn ogen gingen bewonderend op en neer langs mijn lichaam. ‘Helemaal volwassen. Ik herkende je haast niet. En,’ vervolgde Donald tegen Ned, ‘het was ook Anni die mij vertelde dat ik de oorlog veilig zou doorkomen. Ik heb zo vaak in de loopgraven naar jouw brief gekeken, Anni, om te geloven dat ik erdoor zou komen.’ Donald lachte opeens en zijn vermoeide, grijze gezicht lichtte op. ‘Dus hier ben ik!’

De muziek zette het refrein in van ‘Let Me Call You Sweetheart’.

‘Sorry, ouwe jongen, maar mag ik deze dans van Anni?’ vroeg Donald aan Ned.

‘Natuurlijk, sir!’ zei Ned, maar hij klonk een beetje verdrietig.

‘Dank je wel. Kom, Anni, laten we dit blijde moment vieren.’ Donald pakte me bij de hand en trok me de menigte in.

Ik schaam me te moeten zeggen dat ik die avond niet meer in Neds armen terugkeerde. Donald en ik dansten de hele nacht op dat dorpsplein in Noord-Frankrijk alsof ons leven nog maar net begon. En misschien was dat ook wel zo.

‘Ik kan niet geloven hoe volwassen je bent geworden!’ zei hij wel honderd keer tegen me. ‘Anni, je bent zo mooi geworden!’

‘Alsjeblieft…’ Ik bloosde elke keer als hij dat zei. ‘Mijn jurk is drie jaar oud en mijn haar is al meer dan anderhalf jaar niet geknipt.’

‘Je haar is prachtig,’ zei Donald en hij haalde zijn vingers erdoorheen. ‘Jij bent prachtig. We waren voorbestemd om elkaar hier vanavond te ontmoeten.’

Ik begreep dat iedereen zich die avond liet meeslepen in een soort euforie die onmogelijk te beschrijven is. Toen Donald mij overstelpte met complimenten en mij vertelde dat hij de afgelopen drie jaar elke dag aan mij had gedacht, sloot ik dat allemaal weg in een doosje, ver van mijn hart vandaan, want ik wist waarom hij dat zei.

Toen het plein langzaam leegliep in die ijskoude novembernacht, zaten Donald en ik op de rand van de fontein in het midden en staarden omhoog naar de sterren aan de heldere hemel.

‘Sigaret?’ bood hij aan.

Ik nam er een en we zaten dicht bij elkaar te roken.

‘Ik kan echt nauwelijks geloven dat het voorbij is,’ zei hij ongelovig.

‘Nee, maar ik moet natuurlijk wel snel weer terug naar het hospitaal. Ik heb nog steeds veel zieke en gewonde patiënten die mij nodig hebben. Wapenstilstand of niet.’

‘Zij hebben het vast goed gedaan onder jouw handen, Anni. Echt, jij bent een geboren verpleegster.’

‘In de toekomst zou ik graag zien dat meer van mijn patiënten blijven leven.’ Ik huiverde. ‘Ik deed wat ik kon, maar in veel gevallen kon ik gewoon niet helpen. Ik denk dat ik er wel mee verder wil als de oorlog voorbij is.’

‘De oorlog ís voorbij, mijn liefste Anni,’ plaagde Donald mij, en we grinnikten allebei om de zin die de wereld de afgelopen vier jaar elke dag had gebruikt.

‘Ik moet nu echt terug. Het hoofd vilt me levend.’

‘Welnee, niet vanavond. Maar als je moet gaan, dan loop ik met je mee.’

‘Dat is toch een heel eind om?’ zei ik toen ik opstond.

‘Maakt niet uit. Vannacht zou ik een miljoen kilometer kunnen lopen.’

We liepen arm in arm het dorp uit over de verlaten weg, de lucht rook nog scherp van maandenlang granaatvuur.

‘Weet je, ik denk echt dat jij mijn talisman was,’ zei Donald toen we de ingang naderden van het kamp waarin mijn hospitaal lag. ‘Ik ben talloze malen de loopgraven uit gestuurd, maar heb nog geen schram opgelopen.’

‘Ik wist dat je voor het geluk geboren was.’ Ik grijnsde naar hem.

‘Misschien, maar jij hielp me daarin te geloven. En dat is het belangrijkste. Welterusten, Anni.’

Donald boog zich naar me toe en kuste me. En ik schaam me een beetje te zeggen dat die kus heel lang duurde.

De twee weken die volgden waren druk voor me. We lapten de mannen die nog in ons hospitaal lagen op ter voorbereiding op hun reis terug naar Engeland. Donald kwam me elke avond ophalen met zijn jeep. De andere verpleegsters trokken hun wenkbrauwen op en roddelden onder elkaar.

‘Onze Anni heeft een jongeman, en een officier nog wel! En hij heeft ook nog eens twee armen en twee benen! Geluksvogel!’ zei een van de verpleegsters, niet onvriendelijk.

Ik probeerde wanhopig om mijn hart af te sluiten voor Donald en de schade die hij zou kunnen aanrichten. Geen van ons tweeën sprak in de kostbare momenten dat we samen waren – een wereld zonder regels of conventies, of een maatschappij die ons vertelde hoe we ons moesten gedragen en van wie we moesten houden – over de toekomst. We leefden gewoon in het moment en genoten van elke seconde.

Toen het einde in zicht kwam en ik zou terugreizen over het Kanaal naar Engeland op een hospitaalschip met enkele van mijn patiënten, nam de intensiteit tussen ons koortsachtige vormen aan.

‘Ik zie je in Londen, toch?’ vroeg Donald mij wanhopig tijdens onze laatste avond samen. ‘En je komt toch naar Astbury? Je weet hoe dol iedereen daar op je is.’

‘Behalve je moeder.’ Ik rolde met mijn ogen terwijl ik heerlijk in zijn armen lag in zijn jeep.

‘Trek je van haar niets aan, zij mag niemand. God, ik kon niet wachten tot de oorlog voorbij was toen hij nog bezig was, maar nu moet ik mijn moeder weer onder ogen komen en me met het landgoed bezighouden, en voel ik me minder euforisch.’ Hij trok een grimas. ‘Astbury is wettelijk op mij overgegaan toen ik een paar weken geleden eenentwintig werd. Dus nu is het volledig mijn verantwoordelijkheid.’

‘Ik denk dat je er wel wat werk aan zult hebben,’ antwoordde ik, en dat was natuurlijk een enorm understatement.

‘Waar woon je als je terug bent?’

‘Er is een verpleegstershuis, vlak bij het hospitaal waar ik naartoe word gestuurd met de patiënten,’ antwoordde ik. ‘Het is in Whitechapel, en daar zal ik in de nabije toekomst werken.’

‘Anni,’ zei Donald en hij had een plotselinge urgentie in zijn stem, ‘ga vanavond niet terug. Kom met mij mee naar het dorp. Ik heb daar een kamer. We kunnen daar tenminste nog een paar uur bij elkaar zijn.’

‘Ik…’

‘Echt, Anni, ik ben een heer en ik zou niets oneerbaars doen.’

‘Ssst,’ zei ik. Ik kon mijzelf niet stoppen. ‘Ik ga met je mee.’

Natuurlijk was het die nacht onmogelijk, zoals het altijd is geweest over de hele wereld, voor twee verliefde mensen om niet met elkaar verbonden te zijn op onze speciale, menselijke manier. In die kleine, verduisterde kamer, waarin het zachte licht tussen de luiken door naar binnen viel, voelde ik geen spoor van schuld toen Donald mij voorzichtig uitkleedde. Toen hij mij over mijn hele lichaam kuste en we één werden, voelde ik dat mijn geloof in de goden en in de mensheid werd hersteld.

‘Ik houd van je, mijn lieve Anni, ik moet bij je zijn,’ kreunde hij. ‘Ik heb je nodig, ik heb je zo nodig…’

‘Ik houd ook van jou,’ fluisterde ik in zijn oor toen onze urgentie toenam, ‘en dat zal ik altijd blijven doen.’