29
De volgende ochtend voelde Rebecca weer de inmiddels bekende misselijkheid en het begin van een opkomende hoofdpijn. Ze nam twee ibuprofen bij de kop thee die Mrs. Trevathan haar had gebracht en ging naar beneden, naar de make-up.
‘Je ziet er weer bescheten uit, Becks,’ merkte James op toen ze samen naar de woonkamer liepen om hun volgende scène op te nemen.
‘Ik raak die hoofdpijn maar niet kwijt,’ zei ze, ‘maar ik ben oké.’
‘Weet je, ik vind echt dat je Steve moet vragen of hij de dokter kan laten komen om je na te kijken. Je bent jezelf gewoon niet.’
‘Zeg alsjeblieft niets,’ vroeg Rebecca. ‘Ik wil niet dat ze denken dat ik een typische aanstellerige Amerikaanse ben.’
‘Ik denk niet dat iemand dat zal denken, gegeven je huidige toestand,’ zei James geruststellend. ‘Je hebt gewoon kippenvel, en het is hier bloedheet.’
‘Ik beloof dat ik naar een dokter zal gaan als ik me niet snel beter voel.’
‘Wanneer komt mijn nieuwe maat Jack eigenlijk terug uit Londen?’
‘Ik weet het niet. Ik begreep dat jullie een leuke avond hebben gehad,’ antwoordde ze sarcastisch.
‘Dat hadden we zeker. Een man naar mijn hart, die verloofde van je. En ik neem alles terug wat ik heb gezegd over dat mensen uit Hollywood niet drinken. Bij Jack vergeleken ben ik een amateur.’ Hij grijnsde.
Na de lunch had Rebecca vrij tot de avond. Dan zou de cast samen op het terras eten ter ere van Robert Hope’s verjaardag. Ze ging naar beneden en besloot, in een impuls, om naar de bibliotheek te gaan. Eenmaal binnen liep ze naar de schoorsteen en keek omhoog naar het portret van Violet Astbury.
‘Ja, de gelijkenis is opvallend,’ zei een stem achter haar.
Rebecca draaide zich om en zag Ari Malik, die van achter een leren stoel met hoge rug naar haar lachte.
‘Je maakt me aan het schrikken. Ik had je niet gezien.’
‘Sorry.’ Ari stond op en liep naar haar toe. Toen hij naast haar stond, keek hij ook op naar het portret. ‘De voor de hand liggende vraag is: ben je verwant aan Violet Astbury?’
‘Zoals ik al tegen Anthony zei, toen hij mij het portret liet zien, mijn familie komt uit Chicago en is niet rijk. Dus, voor zover ik weet, nee.’
‘Die arme Anthony moet wel het gevoel hebben dat het verleden van zijn familie hem aan alle kanten inhaalt.’ Ari zuchtte.
‘Ja, ik sprak hem gisteravond en hij is er duidelijk door van slag. Hij lijkt de herinnering aan Violet en aan zijn moeder, Daisy, hoog te willen houden,’ zei Rebecca. ‘Heb je vandaag een afspraak met hem?’
‘Ja, ik denk het wel, al heb ik hem niet gezien sinds ik ben gearriveerd. Ik kreeg gisteravond opeens een telefoontje van hem en hij nodigde me uit om hier te komen logeren tot ik naar India vertrek. Mrs. Trevathan leek er niet zo gelukkig mee toen ze me daarnet mijn kamer wees.’
‘Heb je gevonden wat je hier zocht?’
‘Ik heb genoeg gezien om er tamelijk zeker van te zijn dat mijn overgrootmoeder hier inderdaad geweest is en dat haar verhaal grotendeels klopt. Ik ben hier niet gekomen om dingen in de war te schoppen en Anthony is begrijpelijkerwijs erg terughoudend in het vrijgeven van informatie over het verleden van zijn familie. Volgens mij denkt hij dat ik een achterliggend motief heb.’
‘En is dat zo?’
‘Nee,’ zei Ari en hij schudde zijn hoofd, ‘ik wil alleen bevestigen dat mijn overgrootmoeder hier op Astbury is geweest en dat haar zoon inderdaad heel jong gestorven is, zoals in zijn overlijdensakte staat.’
‘Denk je dat Anthony meer weet dan hij loslaat?’
‘Soms denk ik van wel, maar aan de andere kant, toen ik hem sprak tijdens het diner laatst, nadat hij was begonnen het verhaal te lezen, vertelde hij me dat hij het niet aankon om verder te lezen en ik geloofde hem. De hele gebeurtenis was een tragedie voor alle betrokkenen,’ verzuchtte Ari. ‘Ik geloof dat Anthony gelijk heeft als hij zegt dat de dood van zijn grootouders, Violet en Donald, het begin van het einde betekende voor de Astbury’s.’
‘Ari, ik ken het verhaal niet helemaal, maar van wat ik heb gelezen, denk ik dat de relatie van Anahita en Donald aan het begin stond van alles wat er daarna is gebeurd. Klopt dat?’
‘Ja,’ knikte Ari.
‘Ik wil niet nieuwsgierig zijn, maar betekent het dat jij en Anthony misschien aan elkaar verwant zijn?’
‘Het is ingewikkeld, Rebecca. Het roept allemaal zoveel vragen op.’
‘De eerste die bij mij opkomt is of het feit dat jullie misschien familie zijn betekent dat je wettelijk aanspraak kunt maken op dit landgoed,’ probeerde ze.
‘Daar heb ik nog niet eens aan gedacht,’ zei Ari. De verbaasde uitdrukking op zijn gezicht was oprecht.
‘Misschien heeft Anthony dat wél gedaan. Het is misschien een goed idee om hem gerust te stellen. Zoals je ziet, is Astbury zijn leven.’
‘Je hebt gelijk. Eerlijk gezegd begrijp ik weinig van Anthony.’
‘Misschien is het onderwerp te pijnlijk voor hem. Soms is dat zo met het verleden,’ antwoordde Rebecca.
‘Ik beloof je, ik zal hem niet verder onder druk zetten. Er zijn nog enkele onderzoekslijntjes die ik zelf kan nazoeken. Maar goed, genoeg over mij en de geheimen van het verleden. Hoe gaat het met jou? Gaat het goed met de film?’ vroeg Ari haar.
‘Met mij gaat het goed en met de film ook. Al heb ik wel last van migraine sinds ik hier ben.’
‘Dat is vreemd. Heb je daar eerder ook last van gehad?’ vroeg hij. Hij keek haar onderzoekend aan.
‘Nee, het is de eerste keer dat ik daar last van heb. Maar ik ben vastbesloten er mijn verblijf in Engeland niet door te laten verpesten.’
‘En je verloofde?’
‘Hij is op dit moment in Londen, waar hij met een regisseur praat over een film. En als ik helemaal eerlijk ben, Ari, het zit niet goed tussen ons.’ Ze zuchtte.
‘Ik dacht dat je juist zei dat het beter leek te gaan toen hij eenmaal hier was?’
Rebecca schudde langzaam haar hoofd. ‘Ik denk dat ik dat alleen maar wilde geloven. En ik denk dat ik mezelf moet gaan vertrouwen en mijn eigen beslissingen moet gaan nemen.’
‘Je hebt zojuist een regel uit een gedicht geciteerd wat ik onlangs las. ‘If’ van Rudyard Kipling. Het favoriete gedicht van mijn vader. Ken je het?’
‘Nee,’ zei Rebecca. ‘Ik ben bang van niet.’
‘Nou, je moet het maar eens lezen. Het gedicht gaat helemaal over dat je eerlijk moet zijn tegen jezelf.’
‘Ik zal het opzoeken,’ zei ze. ‘Ik moet ervandoor. Er is vanavond een etentje voor onze regisseur op het terras en ik moet me klaarmaken.’
‘Ik ga naar het plaatselijke kerkhof om te zien of ik daar een spoor van Anahita’s zoon terugvind en dan door naar Exeter om te kijken of zijn dood officieel is aangegeven.’ Hij liep naar de deur en Rebecca volgde hem.
‘Laat je me weten of je iets ontdekt? Het klinkt misschien gek, maar ik voel me betrokken. Ik denk dat dat er ook mee te maken heeft dat ik zoveel op Violet lijk. Heeft je overgrootmoeder haar gekend?’
‘Ja, daar lijkt het wel op,’ zei Ari toen ze de bibliotheek verlieten en naar de hal liepen. ‘Fijne avond, Rebecca, en als die hoofdpijn niet weggaat, ga dan alsjeblieft naar een dokter.’
‘Ja, dat doe ik. Dank je.’
Ari keek haar na toen ze sierlijk de grote trap op zweefde. Hij begreep heel goed dat Anthony getroffen was door haar aanwezigheid in het huis. Zelfs hij, een buitenstaander, viel haar gelijkenis met Violet op. Er hing ook, ondanks al haar succes en beroemdheid, een natuurlijke kwetsbaarheid om haar heen. Hij voelde dat het lot haar naar Astbury had gebracht, als een onschuldige pion in een ingewikkeld schaakspel.
Hij – laat staan Anthony – kon onmogelijk negeren dat het voelde alsof de geschiedenis zich herhaalde: Donald en Anthony, de ongetrouwde erfgenamen van Astbury Estate, Violet en Rebecca, de mooie, rijke Amerikanen, en hij en Anahita, afkomstig uit een ver, exotisch land…
Ari keek omhoog naar de grote centrale koepel en dacht dat als Anahita echt daarboven was, bij de geesten van wie ze beweerde dat ze haar haar hele leven de weg hadden gewezen, ze nu met grote belangstelling omlaag zou kijken terwijl een nieuwe generatie menselijke spelers het gecompliceerde spel dat leven heette speelde.
Ook al had Rebecca zoveel pijnstillers genomen als ze durfde om haar hoofdpijn eronder te krijgen, kostte het haar nog steeds de grootste moeite om die avond Roberts verjaardagsetentje te overleven.
‘Je bent erg stil,’ zei James. Hij legde zijn arm om haar schouders. ‘Voel je je nog niet beter?’
‘Ik ben in orde, James. Echt. Dank je wel.’
‘Die kwajongen Jack komt straks weer terug, hè?’
‘Dat denk ik, maar hij kan me hier op Astbury niet bereiken om te zeggen hoe laat hij terug is.’
‘Ik zou het maar als een compliment beschouwen dat jij hem eronder hebt gekregen, Becks. Die avond in het café kwamen er van alle kanten vrouwen op hem af en hij keurde ze geen blik waardig. Hij houdt echt van je, schat.’
‘Echt?’
‘God, ja!’ James nam een slok van zijn champagne. ‘Ik bedoel, er is echt wel een heel bijzondere vrouw voor nodig om mij voorgoed aan zich te binden!’
‘Ik vat dat dan maar op als compliment,’ zei Rebecca. ‘Ik ga er nu vandoor en probeer wat te slapen. Ik zie je morgenochtend.’
Toen ze naar boven liep, naar haar kamer, met het geluid van lachende mensen dat van het terras klonk op de achtergrond, dacht Rebecca na over wat James gezegd had. Jack hield dan misschien wel van haar, hij was dan misschien wel bereid om de toenaderingspogingen van andere vrouwen te negeren – voor nu – maar het feit bleef bestaan dat hij problemen had die onoverkomelijk waren als hij ze niet onder ogen kwam.
Of was haar oordeel te hard?
Rebecca voelde zich te ziek om vanavond nog ergens iets van de vinden, maar wilde ook niet dat haar eerdere besluit om hem te confronteren zou wegebben. Ze kleedde zich uit en kroop in bed, nam een slokje van de nog warme kamillethee die Mrs. Trevathan had neergezet, keek op haar horloge en vroeg zich af waar Jack in ’s hemelsnaam was. Toen ze het licht uitdeed, hoopte ze half dat hij vanavond weg zou blijven, zodat ze kon doorslapen.
Het was al na middernacht toen hij in de kamer verscheen.
‘Hé schat!’ Hij stampte door de kamer, kuste haar en sloeg zijn armen om haar heen. Hij stonk naar verschaalde alcohol en Rebecca, toch al misselijk, wendde zich van hem af.
‘Gaat het, Becks? Je hebt zo’n rare kleur.’
‘Het is die hoofdpijn weer, die maakt me misselijk. Ik ga naar een dokter als hij morgen niet weg is.’
‘Ja, dat moet je doen.’ Jack ging op de rand van het bed zitten en pakte haar hand. ‘Arme schat,’ zei hij. ‘Je denkt toch niet dat ik je zwanger heb gemaakt, hè?’
‘Nee, Jack. Dat kan niet. Ik neem de pil, weet je nog wel?’
‘Dat weet ik, maar zou het niet geweldig zijn? Het zou het knapste kind ter wereld worden, denk ik. En ik beloof je dat als het zo is, ik er geen problemen mee zou hebben. Het wordt tijd dat ik een papa word.’
‘Jack, ik ben er bijna honderd procent zeker van dat het niet zo is,’ antwoordde Rebecca vermoeid. ‘Hoe is je gesprek gegaan?’
‘Geweldig. Die regisseur en ik konden het uitstekend met elkaar vinden. Na afloop zijn we gaan lunchen en hadden we wat je noemt een mannenuitje,’ zei hij, glimlachend bij de herinnering.
‘Wanneer hoor je meer over die rol?’
‘In de komende paar dagen. Goed, ik ga een bad nemen in die oude badkuip verderop in de gang, want er is hier geen douche. Christus, wat een idiote plek om te logeren.’ Hij kuste haar op haar neus. ‘Rust jij maar lekker uit.’
Rebecca knikte en sloot haar ogen toen Jack zijn toilettas pakte en de kamer verliet.
Een kwartier later was hij terug en kroop naast haar in bed.
‘Kun je genoeg energie opbrengen om vannacht nog een baby te maken?’ fluisterde hij en hij stak zijn handen naar haar uit.
‘Alsjeblieft, Jack, ik voel me echt niet goed. Kun je me alsjeblieft met rust laten, zodat ik kan slapen?’
‘Spelbreker.’ Toen hij zich over haar heen boog om haar te kussen, zag ze tot haar afgrijzen een restje wit poeder aan de binnenkant van zijn neusvleugel.
‘Het spijt me, Becks, maar je moet begrijpen dat ik in bed stap bij de vrouw die de hele westerse wereld zou willen neuken, omdat ze zo gruwelijk mooi is. Het is niet gek dat ik opgewonden raak.’
‘Alsjeblieft! Ik zei dat ik me niet goed voelde en dat ik wil slapen!’
‘Sorry, hoor’ zei hij beledigd, toen hij van haar weg rolde en het licht uitdeed.
In de ochtend vroeg Rebecca Steve om een dokter te bellen. Het was niet mogelijk om in bed te blijven liggen, want ze kon de arts moeilijk ontvangen met een verloofde naast zich die nog van de wereld was door drugs- en alcoholgebruik, dus ze strompelde naar beneden en wachtte op hem in de woonkamer.
Twintig minuten later kwam er samen met Steve een lange man van middelbare leeftijd binnen met een dokterstas in zijn hand.
‘Ik laat jullie alleen,’ zei Steve vanuit de deuropening, toen de dokter naast haar ging zitten.
‘Hallo, Miss Bradley. Mijn naam is dr. Trefusis. Wat kan ik voor u doen?’
Rebecca beschreef haar symptomen en de dokter onderwierp haar aan een uitgebreid onderzoek.
‘Goed,’ zei hij. ‘Uw hartslag is sneller dan ik zou verwachten en uw bloeddruk is ook aan de hoge kant. Dat kan echter het gevolg zijn van stress, zeker als je op een onbekende arts moet afgaan om erachter te komen wat eraan scheelt,’ zei hij. Hij glimlachte vriendelijk naar haar.
‘Ik begrijp het gewoon niet. Ik ben haast nooit ziek,’ zei ze zuchtend.
‘Helaas zijn we mensen en het overkomt ons allemaal. Ik wil nu graag een urinemonster en ik zal wat bloedonderzoek doen om een paar mogelijkheden uit te sluiten. Maakt u zich alstublieft geen zorgen, Miss Bradley. U hebt naar alle waarschijnlijkheid een virusje te pakken. U hebt geen verhoging, maar dat kan komen doordat u, zoals u mij vertelde, eerder ibuprofen hebt genomen.’
Rebecca ging met een potje naar de wc en deed wat haar gevraagd werd, en keek vervolgens de andere kant op toen de dokter de naald in haar ader stak. De aanblik daarvan bracht herinneringen aan haar moeder naar boven.
‘Goed, we zijn klaar. Hier is mijn nummer voor het geval het erger wordt. Ik bel zo snel mogelijk met de uitslagen van uw tests. Het kan wel enkele dagen duren. Tot dan schrijf ik bedrust voor. Drink veel, blijf ibuprofen gebruiken en we zullen zien of u opknapt.’
‘Bedrust? Dat kan helemaal niet! Mijn opnameschema is de komende twee dagen helemaal vol, dokter, en ik wil het filmen niet ophouden,’ zei Rebecca vol schrik.
‘U kunt er niets aan doen dat u ziek bent, Miss Bradley. U bent niet in staat tot welke opnames dan ook. Laat mij maar even praten met de man die mij binnenliet. Ik leg hem uit hoe de situatie ervoor staat.’ Dr. Trefusis sloot zijn tas en liep naar de deur. Hij stond stil alsof hem iets te binnen schoot. ‘Is het misschien mogelijk dat u zwanger bent?’
‘Ik gebruik de pil,’ zei Rebecca.
‘We doen vanmiddag toch maar even een zwangerschapstest met het urinemonster, gewoon om het uit te sluiten. Tot ziens, Miss Bradley.’
Rebecca leunde achterover op de bank. Ze voelde zich in gelijke mate ziek én schuldig omdat ze ziek was. Ze wilde dat ze naar boven kon gaan, naar haar kamer, de gordijnen dicht kon doen en kon gaan slapen. De gedachte Jack onder ogen te komen terwijl ze zich zo breekbaar voelde, was echter niet aanvaardbaar.
Tien minuten later kwam Steve de kamer binnen. ‘Goed, het is allemaal geregeld, lieverd. Ik heb even met Robert gepraat en we stellen een nieuw schema op, zodat je een paar dagen vrij hebt en kunt herstellen.’
‘Het spijt me, Steve, ik vind het zo erg dat ik al dit gedoe veroorzaak.’
‘Rebecca, wees niet zo paranoïde. Iedereen op de set houdt van je en ze hebben gezien hoe toegewijd je bent en hoe hard je werkt. We vinden het alleen naar voor je dat je je ziek voelt. Laten we maar hopen dat een paar dagen rust je goed doen.’
‘Ja,’ zei ze dankbaar. ‘Dank je.’
‘Waarom ga je niet naar je kamer om wat te slapen?’ stelde Steve voor.
‘Jack slaapt nog. Hij was uitgeput na Londen. Ik blijf hier wel beneden tot hij wakker wordt.’
‘Oké…’ Steve keek haar raar aan. ‘Maar onze prioriteit ligt bij jou en jij hoort in bed te liggen. Ik praat wel even met Mrs. Trevathan om te zien of ze nog een kamer heeft die je ondertussen kunt gebruiken.’
Rebecca schaamde zich dood. Ze was te ziek om te werken en had ook nog eens een lastige vriend die in haar bed lag te slapen.
‘Hallo, liefje.’ Mrs. Trevathan kwam een paar minuten later de woonkamer binnen met een medelevende blik in haar ogen. ‘Hoe voel je je?’
‘Afschuwelijk,’ zei Rebecca. Haar reserve verdween als sneeuw voor de zon toen ze de moederlijke figuur zag. Haar ogen vulden zich met tranen; ze veegde ze weg.
‘Ach lieverd.’ Mrs. Trevathan legde een hand op die van Rebecca. ‘Steve vertelde me wat er aan de hand was, dus ik heb een andere kamer voor je in orde gemaakt.’
Een half uur later lag Rebecca in een enorm hemelbed, terwijl Mrs. Trevathan in en uit liep met water, thee, geroosterd brood en tijdschriften waarvan ze dacht dat Rebecca ze zou willen lezen.
‘Volgens mij sta je er zelf in,’ zei ze plagerig toen ze ze aan haar gaf.
‘Dit is een prachtige kamer. Volgens mij heb ik een upgrade gehad,’ zei Rebecca met een vage glimlach.
‘Ja, hè? Dit waren de vertrekken van Lady Violet Astbury en in de veertig jaar dat ik hier werk heb ik nog nooit meegemaakt dat ze gebruikt werden. His Lordship stelde zelf voor dat je hiernaartoe zou verhuizen, toen ik hem vroeg waar ik je vanochtend zou onderbrengen. Deze kamer heeft het mooiste uitzicht over de tuin en de heide en is de enige met badkamer. Achter die deur vind je ook een eigen zitkamer en een kleedkamer,’ zei ze en ze wees naar een deur.
‘Nou, bedank Anthony maar van me. Ik beloof dat het alleen is tot Jack wakker wordt.’
‘Als ik jou was, zou ik hier blijven tot je je beter voelt. Doe nou je ogen maar dicht.’
‘Dank u wel voor al uw vriendelijkheid.’
‘Doe niet zo gek. Daar ben ik toch voor.’ Mrs. Trevathan glimlachte naar haar en verliet de kamer.
Toen Rebecca later wakker werd, voelde ze zich iets beter en ging rechtop zitten. Ze nam een slokje van de thee die Mrs. Trevathan had gebracht. Ze keek nu pas beter naar de details van de kamer waarin ze verbleef. Het was nauwelijks te geloven dat hij zo lang onbewoond was geweest. Alles was onberispelijk – zelfs het schilderwerk op de plinten zag er vers uit. Haar blik viel op een glimmend gewreven art-decokaptafel en ze zag parfumflesjes, een haarborstel en een kralenketting die over een van de spiegels hing. Ze stapte uit bed, liep ernaartoe, pakte een parfumflesje en rook eraan. Met een schok herkende ze de lichte bloemengeur die sommige nachten in haar kamer had gehangen.
Ze liep op blote voeten naar de ernaast gelegen badkamer en weer werd ze verrast door hoe onderhouden die eruitzag. De badkuip was oud, maar zonder enige slijtage, terwijl die elders in het huis juist zo overheersend was. Een lange rij kledingkasten met spiegelende deuren strekte zich uit langs een van de muren. Rebecca opende er een en keek verbijsterd naar de prachtige kleren, onberispelijk opgeborgen in doorzichtige plastic hangtassen.
‘Violets kleren,’ zei ze zacht. Ze sloot de deur snel weer en liep door de slaapkamer naar de andere deur. Erachter was een kleine, maar prachtig ingerichte zitkamer. Foto’s in zilveren lijstjes stonden op het bureau en ze herkende Violets gezicht – haar eigen gezicht. Naast haar stond een knappe jonge man in avondkledij; het moest Donald zijn, Anthony’s grootvader.
Een andere deur gaf toegang tot een sober gemeubileerde kleinere kamer – een mannenkamer, zonder vrouwelijke opsmuk. Rebecca besefte dat dit Donalds kleedkamer geweest moest zijn. Ze zag een smal houten bed, een mahoniehouten kledingkast, een ladekast en een volgepakte boekenplank. Rebecca las de titels op de plank, die alles bevatte van kinderboeken tot Thomas Hardy. Een titel in het bijzonder trok haar aandacht: ‘Rudyard Kipling – If’ stond in gouden letters op de rug van een dik, in bruin leer gebonden boek. Ze herinnerde zich het gedicht waar Ari het gisteren over had gehad en dat door de beroemde schrijver was geschreven, en ze haalde het boek voorzichtig van de plank. Er zat een verfijnde gouden ex libris voorin. Ze ging op het bed zitten en opende het boek voorzichtig. Aan de binnenkant van de omslag stond in verbleekte inkt een opdracht geschreven:
..
Kerstmis 1910
..
Mijn liefste Donald, dit zeer bijzondere geschenk kreeg ik van Zijne Hoogheid, de maharadja van Cooch Behar, toen ik weer naar Engeland vertrok nadat ik daar vijf jaar resident was geweest. Hij heeft het speciaal voor mij laten maken, want hij wist dat Rudyard Kipling mijn favoriete schrijver en dichter is. Het bevat een prachtig, handgeschreven gedicht voor in het boek, maar het is eigenlijk een dagboek. Gebruik het zoals je wilt.
..
Je toegewijde vader,
..
George
Rebecca herinnerde zich van de stenen plaquette in het mausoleum dat George Astbury slechts twee weken later was overleden, in januari 1911.
Ze sloeg de eerste vergeelde bladzijde om en zag het gedicht, zoals Donalds vader had aangegeven, met de hand geschreven en met een weelderige gouden versiering op de bladzijde. Ze las de verzen door en wist dat er nooit een veelzeggender geschenk van een vader aan een zoon zou zijn.
De woorden gaven, honderd jaar nadien, ook háár kracht. Ze stond op en wilde het boek terugzetten op de plank, toen een inktvlek aan de onderkant van een van de latere bladzijden haar door deed bladeren.
Ze ging weer zitten en las het eerste, keurig geschreven stukje tekst.
..
Januari 1911
..
Vader is vier dagen geleden overleden. Het werd mij op school verteld en nu ben ik thuis voor de begrafenis. Moeder is bijna de hele dag in de kapel en staat erop dat wij met haar meegaan. Eerlijk gezegd heb ik op dit moment weinig geloof in Hem, maar ik zal mijn best doen om haar te steunen in haar rouw. Ook Selina is buiten zichzelf. Ik begrijp dat ik nu de man in huis ben en moedig en sterk moet zijn. Vader, werkelijk, ik mis je vreselijk en ik weet niet hoe ik de vrouwen moet troosten.
De rest van de bladzijde was leeg, maar toen ze doorbladerde, zag Rebecca dat het dagboek in 1912 opnieuw begon en in de drie jaren daarna regelmatig was bijgehouden. In februari 1919 namen de bijdragen toe. Rebecca besefte dat de Eerste Wereldoorlog toen net was afgelopen.
Rebecca hoorde haar naam roepen. Ze zette het dagboek met tegenzin terug op de plank en liep snel terug naar de slaapkamer.
‘Hoe voel je je, lieverd?’ zei Mrs. Trevathan, die net was binnengekomen.
‘Iets beter.’
‘Je hebt in ieder geval meer kleur op je wangen. Rebecca, Jack is wakker en wil je graag zien. Ik heb gezegd dat je nog slaapt. Ik wilde vragen of je al klaar bent voor bezoek?’ Aan de blik die Mrs. Trevathan haar gaf kon Rebecca zien dat ze het wel begreep.
‘Nee, niet echt,’ zei ze naar waarheid.
‘Wil je dat ik ervoor zorg dat hij tot morgen bezig is? Ik kan voorstellen dat hij later met zijn vriend de acteur meegaat naar het hotel in Ashburton. Mr. James vroeg trouwens net nog naar je en stuurt je zijn beste wensen,’ voegde ze eraan toe.
‘Dat is heel vriendelijk van u. Als Jack inderdaad uitgaat met James, komt hij waarschijnlijk weer heel laat terug. En…’
‘Ja, lieverd, ik begrijp het,’ zei Mrs. Trevathan. ‘Maak je geen zorgen. Ik vang hem wel op.’
‘Stuur hem alstublieft naar mij, als hij problemen maakt.’
‘Ik kan je verzekeren dat ik in mijn tijd met veel ergere mannen te maken heb gehad dan die van jou,’ merkte ze vinnig op. ‘Goed, ik heb avondeten voor je neergezet, veel water, en een glas warme melk. His Lordship stond erop dat ik je die melk bracht. Hij laat je ook groeten en hoopt dat je spoedig herstelt. O, en die Indiër die nu ook bij ons logeert was erg bezorgd en wil je graag zien,’ voegde ze eraan toe. ‘Goed, ik ga nu maar en zorg ervoor dat je vanavond niet wordt gestoord door je bewonderaars.’ Mrs. Trevathans ogen glinsterden. ‘Als je iets nodig hebt, trek dan aan de bel naast je bed.’
Rebecca keek ernaar. ‘Werkt die nog?’
‘Ja hoor, lieverd, die werkt nog steeds,’ antwoordde Mrs. Trevathan. ‘Waarom neem je niet een lekker lang bad en ga je niet vroeg slapen? Ik kan je je spullen uit je vorige kamer brengen.’
‘Dank u, dat zal ik doen. En u hebt gelijk, ik heb rust nodig.’
‘Dat weet ik, lieverd, ik kan het zien. Zoals ik al zei, laat het maar aan mij over.’
Rebecca liep spontaan naar Mrs. Trevathan toe en omhelsde haar. ‘Dank u wel.’
Mrs. Trevathan was duidelijk verrast door deze vertoning en trok zich snel terug uit Rebecca’s armen en liep naar de deur. ‘Welterusten, lieverd, slaap lekker.’
‘Dat zal wel lukken.’
Ze voelde zich rustiger nu ze wist dat Jack niet elk moment kon opduiken, dus nam ze een bad en haalde toen het in leer gebonden dagboek uit Donalds kleedkamer. Ze kroop weer in bed en bladerde door de bladzijden die na de Eerste Wereldoorlog waren geschreven. In de eerste bijdrage was er sprake van een ‘A’ die aan boord ging van een schip naar India.
Rebecca bedacht opeens dat Donald hier toch zeker Anahita mee bedoelde?
Als dat zo was, dan kon dit onschuldige boek, dat tientallen jaren onopgemerkt tussen de andere boeken op de plank had gestaan, het bewijs leveren dat Ari nodig had om Anahita’s verhaal te bevestigen.
Rebecca hoefde niet lang te lezen voor ze zeker wist dat ‘A’ inderdaad Anahita was. Ze keek omhoog en glimlachte naar de hemel.
‘Je hebt ons allebei hiernaartoe gebracht, Anni, en ik heb het gevonden,’ fluisterde ze terwijl ze zich installeerde en zich door Donalds woorden het verleden in liet voeren…
Donald
Februari 1919