33
1 september
..
Ik ben nog helemaal van slag van wat Selina me vertelde over dat A haar in Londen heeft opgezocht. En het allerergste, over dat ze mij heeft geschreven. De woede die ik voor mijn moeder voel, als het waar is wat Selina opperde en ze mijn brieven heeft onderschept, kent geen grenzen. Tot ik haar ermee confronteer, weet ik het natuurlijk niet zeker. Dat zal nu even moeten wachten, want het belangrijkste is nu dat ik A vind. Misschien is ze niet meer op het adres dat ze Selina gaf, maar ik hoop dat zij daar een adres voor mij hebben waar ik haar kan vinden. Ik heb V gezegd dat ik nieuwe machines voor de boerderij ga bekijken. Ik vind het vreselijk om tegen haar te liegen, maar ik doe alles om A te vinden…
Donald zette zijn auto neer bij de pastorie in Oxenhope, een mooi dorpje in Yorkshire, midden op de heide. Zijn hart klopte sneller toen hij uitstapte en naar het houten hek liep. Hij keek omhoog naar het huis en durfde nauwelijks te geloven dat de vrouw die hem de afgelopen negentien maanden in zijn dromen had achtervolgd daarbinnen kon zijn.
‘Alsjeblieft, God, laat haar nog hier zijn,’ fluisterde hij.
Hij verzamelde al zijn moed en belde aan.
Even later kwam er een meid aan de deur. ‘Kan ik u helpen?’
‘Ja. Ik ben op zoek naar Anahita Chavan. Ik heb gehoord dat ze hier woont.’
‘Het spijt me, ik heb die naam nog nooit gehoord. Dominee Brookner en zijn dochter wonen hier nu. Ik ben nog maar twee maanden in dienst, maar ik heb begrepen dat het huis altijd van hem is geweest.’
‘Ik begrijp het. Is de eerwaarde of zijn dochter thuis?’
‘De predikant is aan het werk, maar zijn dochter is in de tuin.’
‘Mag ik dan alsjeblieft binnenkomen en haar spreken?’ Hij gaf haar zijn kaartje.
De meid bekeek het en deed toen een stap opzij, zodat Donald kon binnenkomen. Ze ging hem voor een duistere woonkamer binnen. ‘Wacht alstublieft hier, dan haal ik Miss Brookner.’
‘Dank je wel.’
Donald wachtte braaf tot Charlotte verscheen. Eindelijk kwam er een eenvoudige jonge vrouw met warme, intelligente ogen de kamer binnen.
‘Lord Astbury?’ vroeg ze, toen ze de deur achter zich sloot. ‘Ik neem tenminste aan dat u het bent, als u op zoek bent naar Anahita.’
‘Ja,’ zei hij en hij stak zijn hand uit. ‘En u bent Miss Brookner, Anni’s vriendin?’
‘Inderdaad. Gaat u alstublieft zitten.’
‘Dank u. U weet natuurlijk waarom ik hier ben?’ vroeg Donald. Hij ging vol spanning op een stoel zitten.
‘Ja, ik denk het wel.’ Ze keek naar hem. Haar bruine ogen stonden verdrietig.
‘Weet u waar ze is?’
‘Ja, maar ik heb gezworen dat ik dat geheim zou houden.’
‘Is ze in orde? Mijn zuster zei dat ze heel erg ziek was geweest.’
‘Toen ik haar voor het laatst zag, was ze redelijk gezond.’
‘Ze vertelde mijn zuster dat u heel goed voor haar geweest bent.’
‘Ik heb gedaan wat ik kon om haar te helpen in haar… moeilijke omstandigheden. Toen mijn vader twee maanden geleden echter terugkeerde uit Afrika was het, gegeven de situatie, tijd dat Anni vertrok.’
‘Mag ik vragen op welke situatie u doelt?’ vroeg Donald.
‘Mijn vader is een man van de kerk, Lord Astbury, en ook al voelt hij medeleven voor arme zielen die in moeilijkheden zijn geraakt, zou het bij parochianen met een minder open geest niet zijn gewaardeerd als hij een vrouw in haar toestand onderdak bood. Dit is een klein dorp in Yorkshire, we zijn hier niet in Londen.’ Charlotte zweeg en voegde er toen aan toe: ‘Ik moet zeggen dat het mij verbaast dat u hier bent.’
‘Geloof me, als ik de brieven had gekregen die ze mij blijkbaar heeft gestuurd, dan was ik hier al vele maanden eerder geweest.’ Donald haalde zijn schouders op. ‘Helaas is dat niet zo.’
‘Ik kan bevestigen dat ze u inderdaad geschreven heeft, Lord Astbury. Ik heb zelf nog een brief aan u gepost, toen ze boven lag, te ziek om uit haar bed te komen.’
‘Ik kan u alleen maar smeken te geloven dat ik de waarheid spreek. Ik heb meer dan een jaar lang geen enkele brief van haar ontvangen.’
‘Als ik eerlijk mag zijn ben ik bang dat ik niet meer in u geloofde, na al die maanden waarin Anni geen antwoord kreeg. En ik heb Anni gezegd dat ze hetzelfde moest doen. Ze weigerde en daarom besloot ze naar Londen te gaan om u te zoeken.’
‘Ja.’ Donald voelde vijandigheid doorschemeren in Charlottes beleefde woorden.
‘U was blijkbaar op huwelijksreis,’ voegde ze eraan toe. ‘Hebt u een mooie reis gemaakt?’
‘Ja, ik… Luister eens, Miss Brookner, Charlotte… u moet me vertellen waar Anni is, dan kan ik haar in ieder geval uitleggen dat ik haar brieven niet negeerde. Ik ben gek geweest van ongerustheid. Ik had geen idee of ze nog leefde. Ik zou er nooit mee hebben ingestemd een andere vrouw te trouwen als ik niet oprecht had geloofd dat ik Anni kwijt was.’
‘Ze hield meer van u dan van wie ook en zou nooit een kwaad woord over u accepteren. Ook al heb ik maar al te vaak tegen haar gezegd dat u dat verdiende.’
‘Ik accepteer dat u denkt dat ik een schoft ben en haar in de steek heb gelaten…’
‘Nee, Lord Astbury, ik dacht dat uw sociale status het nooit zou hebben toegestaan dat u ook maar overwoog een Indiase te trouwen,’ antwoordde ze heel eerlijk.
‘Anni heeft toch zeker wel verteld dat ik haar ten huwelijk heb gevraagd voor ze naar India vertrok?’
‘Ja, natuurlijk, maar ik was niet verbaasd dat u, toen het erop aankwam, van gedachten veranderde.’
‘Dat is gewoon niet waar!’ protesteerde hij. ‘Als u het echt wilt weten, ik ben er haast van overtuigd dat het mijn moeder is geweest die ervoor heeft gezorgd dat ik geen post van Anni ontving toen zij eenmaal in India was aangekomen. En het klopt dat het háár niet goed was uitgekomen als ik met Anni was getrouwd. Of als ik Astbury had verkocht, wat ik van plan was te doen.’
‘En dus trouwde u een paar maanden later met een Amerikaanse erfgename?’
‘Ja, maar pas nadat ik langer dan een jaar had gewacht zonder ook maar iets te horen. Op dat moment kon het me niet schelen met wie ik trouwde, als het niet met Anni was.’ De tranen sprongen Donald in zijn ogen. ‘In godsnaam, Miss Brookner, u móét me geloven. Het spijt me, ik…’
Toen ze Donalds oprechte emotie zag, leek Charlottes houding wat minder hard te worden. Ze klopte voorzichtig op zijn hand. ‘Als het waar is wat u mij vertelt, is het ongetwijfeld een tragische loop van omstandigheden. Het verdrietige eraan is dat ik niet weet hoe die ooit nog kan worden rechtgezet.’
‘Ik smeek u, vertel me waar ze is en dan kunnen zij en ik die beslissing nemen.’
‘Ik heb gezworen dat ik nooit…’
‘U móét!’ drong Donald aan.
Uiteindelijk knikte ze. ‘Ik zeg het u. Ik denk dat u in ieder geval de kans moet krijgen om het uit te leggen, of Anni het nu wil of niet. Wat ze heeft doorstaan kan nooit meer worden rechtgezet, maar het helpt haar misschien als ze weet waarom de dingen zo gelopen zijn.’
‘Dank u,’ zei Donald met een zucht. Opluchting overmande hem toen Charlotte opstond en naar een bureautje liep in de hoek van de kamer. Ze pakte er een adresboek en blocnote uit en schreef een adres voor hem op.
‘Ze woont in Keighley, een industriestadje op ongeveer drie kwartier van hier. Ik moet toegeven dat ik haar niet meer heb opgezocht sinds ze daarnaartoe is verhuisd. Ik heb het nogal druk gehad met de zorg voor mijn vader, die praktisch als invalide uit Afrika is teruggekomen.’
Donald was al overeind gesprongen. ‘Ik kan u niet genoeg bedanken dat u mij heeft ontvangen en mij dit hebt gegeven, Miss Brookner,’ zei hij toen hij het adres in zijn borstzak stak. ‘Ik ga er onmiddellijk naartoe.’
‘Misschien wilt u me laten weten hoe het met haar is?’ vroeg ze toen ze hem voorging naar de deur. ‘Ik heb geen idee hoe haar situatie nu is. Ze is zo trots, weet u. Ik heb haar geld aangeboden, maar dat wilde ze niet aannemen.’
‘Ja, dat klinkt als Anni.’ Donald zuchtte. ‘Vaarwel, Miss Brookner, en nogmaals bedankt.’
Donald reed de korte afstand over de Yorkshire Moors en huiverde toen hij het donkere industriestadje Keighley naderde. Hij parkeerde zijn auto en zocht zijn weg door het labyrint van smalle straatjes, met aan weerszijden gebouwen die zwart zagen van het roet van de katoenfabrieken. Vuile kinderen zaten buiten op de stoepen, met blote voeten, ook al was de septemberavond fris.
Onderweg vroeg hij de weg en bereikte uiteindelijk Lund Street. Hij liep erdoorheen tot hij het juiste nummer vond. Nadat hij op de deur had geklopt, werd er opengedaan door een slonzige vrouw met een baby op haar heup en een peuter die aan haar rokken hing. Ze bekeek hem argwanend.
‘U bent toch niet de nieuwe huurbaas, hè? Ik zei al tegen de laatste dat die pas vrijdag kon worden betaald. Mijn man is net zijn baan in de fabriek kwijtgeraakt, ziet u.’
‘Ik heb gehoord dat Anahita Chavan op dit adres woont,’ zei Donald. ‘Misschien ben ik verkeerd.’
‘Nee, dat klopt. Anni is onze onderhuurder, maar zeg niks tegen de huurbaas. We mogen niet onderhuren, maar met zeven monden om te voeden, moet je soms wel. Bent u een vriend van haar?’
‘Ja, mijn naam is Donald. Is ze thuis?’
‘Ze komt bijna nooit buiten, is nogal op zichzelf, onze Anni. Een lieve meid, hoor. Kom maar binnen,’ zei de vrouw en Donald wurmde zich door de smalle gang een klein kamertje binnen dat dienstdeed als keuken. ‘Ga daar maar zitten, meneer, dan ga ik haar halen.’
Toen de vrouw vertrokken was, zag Donald een aantal heldere ogen met belangstelling naar hem kijken vanuit de deuropening.
‘Hoe heet u, meneer?’ vroeg een van de kinderen, een jongen van een jaar of zeven.
‘Donald. En jij?’
‘Ik ben Tom,’ zei de jongen. Hij kwam dichterbij. ‘U praat heel duur en u hebt mooie kleren. Hebt u een fabriek?’
‘Nee, ik heb geen fabriek.’
‘Als ik groot ben, dan heb ik mijn eigen fabriek,’ zei Tom, ‘en dan ben ik heel rijk, net als u.’
Een peuter was de kamer binnengekropen en trok zich op aan Donalds broekspijp om te gaan staan. Haar dikke handjes lieten vieze sporen achter.
‘Joanna, laat die arme man met rust!’ zei de moeder, toen ze de keuken weer binnenkwam. ‘Anni komt er zo aan, en ze zegt dat ze u in de voorkamer wil ontvangen. Ze leek er niet erg gelukkig mee dat u er bent. Goed, kom maar mee, ik wijs u de weg.’
‘Dank u,’ zei Donald.
De vrouw ging hem voor door de gang en liet hem binnen in de relatieve rust van de salon. Toen ze de deur achter zich dichtdeed, huiverde Donald. Hij had nog nooit zo’n afschuwelijk huis gezien. Wat was er van Anni geworden sinds hij haar voor het laatst zag?
De deur ging open en daar stond Anni. Haar exotische schoonheid vormde een groot contrast met de akelige kleurloosheid van haar omgeving. Ze was zo afgevallen dat haar jukbeenderen en haar enorme, amberkleurige ogen nog meer opvielen.
Ze sloot de deur met een sierlijke beweging – Donald herinnerde zich nog heel goed dat al haar bewegingen sierlijk waren geweest – en bleef daar doodstil staan.
‘Anni, ik ben er.’ Donald haatte zichzelf omdat hij niets beters wist te zeggen op zo’n belangrijk moment.
‘Ja,’ antwoordde ze uiteindelijk. ‘Je bent er.’
‘Ik… gaat het goed?’
‘Het gaat goed,’ zei ze koud. ‘Met jou?’
‘Ja, ja. Anni…’ Donald ging zitten. Zijn benen konden hem niet langer dragen. ‘Ik weet niet wat ik moet zeggen.’ Hij sloeg zijn handen voor zijn ogen.
‘Nee, vast niet.’
‘Je moet me geloven als ik zeg dat ik niet een van je brieven heb gekregen vanaf het moment dat je van boord bent gegaan. Ik had geen idee of je nog leefde. Ik ben zelfs naar het ziekenhuis gegaan waar je werkte en ben bij Scotland Yard langs geweest. Ik was wanhopig. Uiteindelijk moest ik wel aannemen dat je mij niet langer wilde. En dat je misschien iemand anders was tegengekomen in India.’
‘En dus trouwde je maar met iemand anders?’ zei ze op harde, bitse toon, zo anders dan haar normale, zachte stem.
‘Ja,’ bevestigde hij verdrietig. ‘Als ik niet met jou kon trouwen, maakte het mij niet uit met wie dan wel. Grof gezegd, het geld van mijn vrouw kon Astbury redden.’
‘Ik las in het tijdschrift dat je nieuwe vrouw een erfgename is. Ik hoop dat jullie erg gelukkig zijn samen,’ zei ze op dezelfde emotieloze toon.
‘Natuurlijk ben ik niet gelukkig!’
‘Je zag er anders heel gelukkig uit op de foto’s.’
‘Ja, waarschijnlijk wel,’ gaf Donald toe. ‘Iedereen moet lachen voor de camera’s.’
Er viel een stilte en Anni keek alle kanten op, behalve naar hem. Hij kon zijn ogen niet van haar af houden. ‘Wat kom je mij zeggen?’
‘Ik heb geen idee!’ Donald liet een verstikt lachje horen. ‘Ik wilde je uitleggen dat ik er zeker van ben dat mijn moeder jouw brieven aan mij heeft onderschept.’
‘Donald, ook al had ik niets van jou gehoord, ik zou een eeuwigheid hebben gewacht en nooit met iemand anders zijn getrouwd. Maar wat maakt dat allemaal nog uit?’
De afstandelijke kilte die hij bij haar voelde, was volstrekt nieuw voor hem. Het liefst wilde hij zijn armen om haar heen slaan, op zoek naar de warme, levendige vrouw die ze vroeger was. ‘Kunnen we tenminste ergens anders naartoe gaan en praten?’ smeekte hij. ‘Het is hier niet uit te houden.’
‘Er zijn hier geen hotels waar we thee kunnen gaan drinken,’ antwoordde ze op licht sarcastische toon. ‘Bovendien is dit mijn huis.’
‘Anni, alsjeblieft, ik weet hoe je geleden hebt en hoe je over mij denkt, maar ik beloof je dat ik nooit ben opgehouden van je te houden en dat er geen moment is geweest in de afgelopen negentien maanden dat ik niet aan je heb gedacht.’
Anahita keek naar hem. ‘Wat er ook gebeurd is in het verleden, Donald, ik ben hier en jij bent daar, getrouwd met een ander.’
‘Wat mijn situatie ook is, mijn gevoelens voor jou zijn onveranderd. Alsjeblieft, ik ben het met wie je praat,’ zei hij dringend. ‘Jij, meer dan wie ook, weet wie ik ben.’
‘Ik dacht dat ik het wist, ja. Maar wat doet het er nu nog toe?’
‘Het gaat erom, lieverd, dat ik je na al die vreselijke maanden heb gevonden en dat we in dezelfde kamer zitten en met elkaar praten. Begrijp je dan niet wat dat voor mij betekent?’
Ze gaf geen antwoord. Er werd zachtjes geklopt en de deur ging open. Anni’s huisbazin kwam binnen, met een huilend kind in haar armen.
‘Sorry dat ik je moet storen, Anni, maar hij schreeuwt alles bij elkaar in de keuken en niemand kan zichzelf meer horen nadenken.’
Donald keek toe hoe Anni het kind in haar armen nam. ‘Dank je,’ zei ze tegen haar huisbazin, die nog een argwanende blik op Donald wierp en toen op de baby, en de kamer weer verliet.
Donald was in de war. ‘Is dat haar baby?’
Anni nam hem zorgvuldig in zich op, alsof ze iets overwoog. Ten slotte zuchtte ze. ‘Nee, hij is van mij.’
Donald staarde naar de baby, en hij nam langzaam de mooie, honingkleurige huid, de bos donker haar en de helderblauwe ogen die hem nieuwsgierig aankeken, in zich op.
Hij vond zijn stem terug. ‘Ik… is hij…’
‘Ja, Donald, dit is Moh, je zoon.’