41

Ik staarde naar de agenten alsof ze krankzinnig waren. Ik was zo geschokt dat ik geen woorden kon vinden, dus ik staarde ze alleen maar aan, zonder iets te antwoorden.

‘Kom, Mrs. Prasad.’ Een van de agenten wilde mij bij mijn arm pakken en me bij de voordeur wegtrekken. ‘Laten we het niet moeilijker maken dat het is.

Zijn agressieve houding zorgde ervoor dat ik eindelijk mijn stem hervond. ‘Mijn kind ligt boven te slapen. Ik moet hem gaan halen.’

‘Maakt u zich daarover geen zorgen. Er komt zo iemand langs om hem op te halen.’

‘Nee!’ schreeuwde ik en ik probeerde me los te rukken. ‘Ik kan hem hier niet achterlaten. Ik moet hem nu halen!’

De greep op mijn arm werd sterker toen ik worstelde om los te komen. De tweede agent pakte mijn andere arm vast en duwde mij de voordeur door. Toen schoven ze mij achter in de auto en reden mij van jou weg.

Mijn herinneringen vanaf dat moment zijn vaag. Misschien heb ik een groot deel ervan verdrongen, zoals iedereen zou doen. Tijdens die vreselijke reis die mij van de heide wegvoerde, dacht ik Donald te zien op Glory, net voordat we door het dorp Astbury reden. Ik draaide me naar hem om en schreeuwde uit alle macht jouw naam naar hem, voor een ruwe hand over mijn mond werd gelegd.

Ik herinner me echter heel duidelijk dat het zingen luid bleef klinken in mijn oren. Ik weet het aan mijn eigen vreselijk ontdane toestand.

Toen ik eenmaal formeel in staat van beschuldiging was gesteld, werd ik naar de Holloway-gevangenis in Londen gereden, een oord dat je je alleen in je ergste nachtmerries kunt voorstellen. Ik herinner me vooral de kou en de natheid van het regenwater dat door het ijzeren rooster in de muur van mijn cel naar binnen stroomde, en de onophoudelijke geluiden van zielen in geestelijke en lichamelijke nood, overal om mij heen. De eerste paar dagen kon ik alleen maar aan jou denken en aan waar je was en ik mengde me in de kakofonie en schreeuwde je naam steeds weer. Ik smeekte iedereen die mijn cel binnenkwam om iets over jou te weten te komen. De gedachte aan jou, alleen achtergelaten in het huisje op de heide, achtervolgde me elke seconde van mijn bestaan.

Ik weet niet hoelang het duurde voor ik mijn eerste bezoek ontving; misschien waren er maar een paar dagen voorbijgegaan, maar het leek een eeuwigheid voor een moeder die bij haar kind is weggerukt en geen idee heeft waar het verblijft.

Toen Selina de donkere bezoekersruimte binnenkwam als een engel van genade, viel ik op mijn knieën en huilde, mijn armen om haar benen geslagen.

‘Dank de goden, dank de goden dat je hier bent! Mijn zoon, Selina, ik weet niet wat ze met Moh hebben gedaan!’

Ik werd van haar af getrokken door een bewaker en weer op de stoel gezet, met de waarschuwing dat als ik haar nog een keer dreigde aan te raken, mijn armen erachter zouden worden vastgebonden.

‘O, Anni… ik…’

Ik zag dat Selina ook huilde.

‘Het spijt me zo, het spijt me zo,’ zei ze.

‘Maak je alsjeblieft geen zorgen over mij, ik wil alleen dat je mijn zoon vindt,’ zei ik. Mijn stem brak.

‘Anni, o hemel, o hemel…’

Ik herinner me dat ik hysterie in me voelde opkomen en ik wist dat ik moest proberen me te beheersen om te zorgen dat zij het begreep. ‘Selina, alsjeblieft, weet je waar hij is? Misschien is hij nog steeds in het huisje bij de beek. Ik denk dat ik Donald zag toen ze mij wegreden in de auto, maar misschien heeft hij mij niet horen schreeuwen. Alsjeblieft, Selina, ga kijken of Moh daar niet nog is. Hij zal zoveel honger hebben, en zo bang zijn…’ Ik begon te snikken, met mijn hoofd in mijn handen.

‘Vergeef me, Anni. Henri en ik waren op reis in Europa. We kwamen een paar dagen geleden pas terug in het chateau in Frankrijk en ik kreeg beide telegrammen. Natuurlijk ben ik onmiddellijk naar Engeland vertrokken. Ik ben nog steeds in shock. Wat een tragedie. Zo’n verschrikkelijke tragedie… ik kan het nauwelijks geloven.’

‘Geloof me alsjeblieft, Selina, ik heb Violet niet vermoord. Niets had haar kunnen redden. Dr. Trefusis was erbij en hij wist het ook. Ik heb haar niets gegeven wat haar schade had kunnen toebrengen.’

‘Ik ben ervan overtuigd dat je alles hebt gedaan wat je kon, Anni,’ zei Selina.

‘Dat is zo, ik zweer het je. En Donald? Hoe is het met hem?’

‘O, Anni, ze hebben je niets verteld, hè?’

‘Wat hebben ze me niet verteld? Ik heb niemand gezien sinds ik in dit vreselijke oord ben aangekomen.’

Selina legde haar vingers tegen haar slapen. ‘Dan moet ik het doen, Anni. Het spijt me zo vreselijk, maar Donald moet zijn teruggereden naar het huisje om Moh te halen. En ik… Goede God, hoe kan ik je dit vertellen?’

‘Selina, alsjeblieft,’ smeekte ik. ‘Wat het ook is, zeg het gewoon.’

‘Anni, niemand weet wat er gebeurd is, maar Donald en Moh zijn samen bij de beek gevonden. We kunnen alleen maar aannemen dat Glory is gestruikeld en dat ze gevallen zijn. Toen ze uiteindelijk zijn ontdekt, was Donald al… weg. Hij was met zijn hoofd tegen een rots geslagen en ze denken dat hij direct is overleden. En Moh…’ Selina probeerde zichzelf te herstellen om de woorden te kunnen uitspreken. ‘Ze denken dat toen hij van Glory viel, hij in de beek terecht is gekomen. En… is verdronken.’

Ik staarde naar haar alsof ze krankzinnig was. ‘Vertel je mij nou dat mijn zoon dood is? En Donald ook? Zeg me dat je liegt, Selina, in godsnaam, zeg het me… zeg het me…’

‘Nee, Anni. Het spijt me zo vreselijk. Ik…’

Een diepe, jammerende keelklank echode langs de muren toen ik van de stoel op de grond viel. Ik zag Selina’s geschokte gezicht, toen een van de bewakers me optilde en de kamer uit sleepte, waarna hij mij half struikelend door de gangen sleurde, de trappen af en mij weer in mijn cel gooide.

‘Kom er maar weer uit als je bent afgekoeld,’ zei hij toen hij de deur dichtsmeet. Het jammeren bleef in mijn oren galmen en het duurde even voordat tot mij doordrong dat ik het zelf was.

Daarna ging er enige tijd voorbij voor de hysterie mij eindelijk verliet en ik in plaats daarvan onverschillig werd. Ik herinner mij dat ik af en toe werd meegenomen naar de bezoekersruimte, waar vreemde, duistere figuren met mij probeerden te praten en uit te leggen wat er gebeurde, maar ze konden mij niet bereiken. Ik verdween diep in mijzelf in een leegte van niets. Ik bestond gewoon niet, want als ik bestond, dan wist ik dat de pijn die ik zou voelen te erg zou zijn. De vreemden praatten over de aanklacht die tegen mij was ingediend en hoe ik mij moest verdedigen, want als ik dat niet deed, zou ik waarschijnlijk tot de strop worden veroordeeld. Dat als ik niet reageerde, ze mij naar een gesticht zouden sturen tot het proces zou beginnen.

Mijn zoon, misschien vind je je moeder heel zwak, omdat ze niet voor zichzelf opkwam. Het nieuws over jouw dood en die van je vader had me echter volledig gebroken. Ik lag alleen in mijn cel en bad dat de dood me snel zou komen halen, zodat ik bij jullie zou kunnen zijn.

‘Sta op! Je hebt bezoek.’

Ik herinner me dat een van de bewakers op me neerkeek. Ik lag opgerold op mijn brits en schudde lusteloos mijn hoofd.

Hij trok me overeind, maakte een vuile doek, alles wat ik had om mij mee te wassen, nat en haalde die over mijn gezicht.

‘We kunnen niet hebben dat iemand beweert dat we hier niet voor onze gevangenen zorgen,’ zei hij toen hij mij omhoogtrok tot een staande positie en me als een pop mijn cel uit trok.

‘Deze keer geen schreeuwpartij ten overstaan van je bezoeker,’ waarschuwde hij mij.

Hij zette me op de stoel in de bezoekruimte en ik liet mijn hoofd op mijn borst hangen, te zwak om het rechtop te houden en totaal niet geïnteresseerd in wie mijn bezoeker zou kunnen zijn. Als deze nieuwe beproeving voorbij was, kon ik tenminste terugkeren naar de eenzaamheid van mijn vacuüm.

Ik hoorde iemand binnenkomen en een bekende geur bereikte mijn neus, al kon ik niet thuisbrengen waar ik die van kende.

‘Anni? Anni, kijk naar me.’

De stem herkende ik ook, maar ik dacht dat het een droom was en ik tilde nog steeds mijn hoofd niet op.

‘Ik ben het, Anni, Indira. Zeg me alsjeblieft dat je weet wie ik ben.’

Een stem in mijn hoofd grinnikte om het belachelijke idee dat Indira hier in dit afschuwelijke oord was. Ik wist dat mijn geest een wreed spelletje met mij speelde, want alles aan mijn liefste vriendin bracht herinneringen boven aan warmte, veiligheid en geluk.

‘Anni,’ smeekte de stem voor de derde keer, ‘kijk alsjeblieft naar me.’

‘Je bent het niet echt,’ fluisterde ik tegen mijzelf en ik trok aan de dunne katoenen rok die mijn knieën bedekte. ‘Het is een begoocheling… een begoocheling.’

Ik hoorde het geluid van voetstappen die naar mij toe liepen en toen een paar warme handen die de mijne pakten.

‘Anni, open je ogen nu eens! Je droomt niet, ik zweer het je. Ik ben hier echt. En doe het snel, anders begin ik te geloven dat je echt zo gek bent als ze zeiden dat je was.’

Eindelijk vatte ik de moed om te doen wat de stem vroeg en ik bereidde me voor op het feit dat als ik dat deed, ze er niet echt zou zijn.

‘Hallo, Anni. Zie je? Ik ben er echt.’

Indira zat op haar hurken voor me, haar ogen vol zorg.

‘Ja, ik ben het! Vertel me alsjeblieft dat je weet wie ik ben, Anni.’

Ik knikte, nog steeds niet in staat iets te zeggen.

‘Nou, godzijdank!’

En toen zij haar armen naar mij uitstrekte om mij te omhelzen, begon ik eindelijk te geloven dat ze echt was.

‘O, Anni, wat hebben ze met je gedaan?’ fluisterde Indira, toen ze even afstand nam om naar me te kijken. De tranen stonden in haar ogen. ‘Maar nu ben ik er en hoef je je nergens meer zorgen om te maken.’

‘Van wie heb je het gehoord?’ fluisterde ik toen ik mijn stem terugvond.

‘Selina. We zagen elkaar in Frankrijk, vlak voor zij het verschrikkelijke nieuws kreeg. Ze belde me daar wanhopig op, ongeveer een week geleden om mij en mijn familie om hulp te vragen. Gelukkig trof ze me nog, want we stonden net op het punt om naar India te varen. En dus… hier ben ik!’

‘Hoelang…’ Ik bevochtigde mijn droge lippen met mijn tong om de woorden te vormen. ‘Hoelang ben ik hier?’

‘Ongeveer drie weken, denk ik. Maar we kunnen alles bespreken als we je hieruit hebben gekregen.’

‘Nee, Indy.’ Ik schudde verdrietig mijn hoofd. ‘Ze laten me niet gaan. Ik ben beschuldigd van de moord op Violet Astbury. Ik denk dat ze me spoedig zullen ophangen, maar ik vind het niet erg. Moh… mijn zoon, is dood. Donald ook. Ik wil echt niet meer leven.’

Ze keek me streng aan. ‘Anahita Chavan, weet je nog dat ik een paar jaar geleden exact hetzelfde tegen je zei toen je naar India was gekomen om mij te helpen?’

‘Ja.’

‘Nou, ik ben hier om hetzelfde voor jou te doen, mijn liefste vriendin.’

‘Nee, Indy. Het is anders. Moh is er niet meer, en Donald. Ik wil sterven, echt. Laat me met rust.’

‘Ja, ik geef toe dat het een afschuwelijke toestand is. Maar Anni, ik ken je sinds je een klein meisje was. Ik heb gezien hoe je anderen moed insprak, ook mij, en nu moet je jezelf moed inspreken. Dat kun je, ik weet dat je het kunt.’

‘Indy, dank je wel,’ antwoordde ik, ineens heel moe, ‘maar je kunt niets doen. Ik zal bij de rechtszaak de doodstraf krijgen, ik weet het zeker.’

‘Anni, er komt geen rechtszaak. De aanklacht is ingetrokken. Ik ben hier om je mee naar huis te nemen.’

Ik staarde niet-begrijpend naar haar. ‘Maar ik kan toch niet terug naar het huisje aan de beek? Dat zullen ze toch niet toestaan?’

‘Nee, Anni, ik neem je mee naar huis. Je echte huis. We gaan terug naar India.’

Alweer zijn mijn herinneringen aan mijn vrijlating uit Holloway en mijn aankomst in het huis van Indira’s familie in Knightsbridge, waar ik als kind had gelogeerd, vaag. Ik weet alleen nog dat ik opeens werd omringd door een heerlijke zachtheid – lieve handen, donzen kussens en stemmen die zacht tegen mij praatten. Er werd geen verdriet meer uitgeschreeuwd, er was alleen stilte. Ik denk dat ik voortdurend heb geslapen – dat is hoe de natuur lichaam en geest heelt.

Ik herinner mij wel dat elke keer als ik wakker werd, Indira naast mijn bed zat. Ze drong dan teder aan dat ik mijn mond zou openen, zodat ze mij bouillon kon voeren, en met haar eigen handen verzorgde en waste ze mijn wonden, veroorzaakt door weken van vervuiling, die over mijn hele lichaam zaten. Terwijl ze mij verzorgde, haalde ze leuke gebeurtenissen op uit ons verleden en vroeg ze of ik nog wist hoe ze bij Pretty in het olifantenverblijf had geslapen voor we naar kostschool in Engeland vertrokken, of hoe we Miss Reid voor de gek hadden gehouden op de boot en zij de perzikkleurige chiffon jurk had aangetrokken en het hart van haar prins had gewonnen.

Ik reageerde niet, maar ik luisterde wel.

Terugkijkend weet ik zeker dat Indira en de liefde die ze mij toonde mij gered hebben. En uiteindelijk wist ik dat ik mij niet langer kon verschuilen achter mijn sluier van slaap en de kracht moest vinden om terug te keren tot de levenden.

‘Anni, volgens mij gaat het beter met je,’ zei Indira op een ochtend toen ik de soeplepel van haar overnam en aankondigde dat ik zelf kon eten.

‘Ja, ik geloof het ook,’ zei ik.

‘Godzijdank. Eerlijk gezegd waren er momenten waarop ik er niet meer in geloofde. Ik begon mijn eigen kwaliteiten als verpleegster in twijfel te trekken.’ Ze grijnsde. ‘Voor anderen zorgen is nooit mijn sterkste punt geweest.’

‘Indy…’ De tranen sprongen in mijn ogen. ‘Je was geweldig. Als jij er niet geweest was…’ Ik maakte mijn zin niet af.

‘Laat maar. Ik weet dat je nog zwak bent, Anni, maar ik wil onze terugreis naar India zo snel mogelijk boeken. Ik wil niet dat die heks in Astbury weer iets uithaalt.’

‘Wat bedoel je?’ vroeg ik. De schrik sloeg mij om mijn hart. Ik had niet naar de details rond mijn vrijlating gevraagd en die waren mij ook niet verteld.

‘O, maak je geen zorgen over haar.’ Indira wuifde het probleem luchtig weg. ‘Het punt is dat ik gewoon wil dat je thuis bent. Als je eraan toe bent, vertel ik je het hele verhaal.’

‘Ja,’ zei ik. Ik wist dat ik dat nu nog niet aankon. ‘Weet je moeder dat ik hier bij jou ben?’ vroeg ik.

‘Natuurlijk weet ze dat! Zij is degene die je vrij heeft gekregen.’

‘Ze heeft me dus vergeven?’

‘O, Anni, natuurlijk. En mij ook, wat niet onbelangrijk is. Het moment waarop haar kleinkind geboren werd, moest ze hem komen opzoeken. Ze schrijft elke dag, stuurt haar liefde en zegt dat ze je gauw zal zien. Goed, Anni, laten we eens zien of je kunt staan en misschien het eindje naar de badkamer kunt lopen.’

De dagen die volgden begon mijn sterke, jonge lichaam snel te herstellen en was ik fysiek gesproken weer in orde. Ik stemde ermee in dat Indira zo snel mogelijk onze reis naar India boekte. Ik was echter onzeker over mijn mentale en emotionele toestand en schrok ervoor terug om de vragen te stellen waarop ik de antwoorden moest kennen voor ik Engeland verliet.

Op een middag kwam Indira mijn kamer binnen en zei dat ik bezoek had.

‘Het is Selina, Anni, en ik denk dat je haar moet spreken voor we weggaan.’

De angst sloeg om mijn hart en ik voelde hoe het bloed uit mijn gezicht wegtrok. Indira pakte mijn hand. ‘Ik blijf de hele tijd bij je. Echt, Anni, we vertrekken over twee dagen en je moet met haar praten.’

Ik wist dat ze gelijk had en vijf minuten later daalden Indira en ik de trap af naar de woonkamer.

‘Anni.’ Selina stond op en liep naar me toe. Haar gezicht zag net zo bleek als het mijne. ‘Hoe gaat het met je?’ vroeg ze. Ze greep mijn hand vast.

‘Het gaat beter, dank je wel.’

‘Godzijdank! Ik was helemaal van de kaart nadat ik je in dat vreselijke oord had gezien.’

‘Ik kan me alleen maar verontschuldigen dat ik zoveel ellende veroorzaak,’ antwoordde ik verdrietig.

‘Anni, je mag jezelf nooit de schuld geven van wat er is gebeurd,’ zei Selina met ongewone heftigheid. ‘Deze afschuwelijke tragedie is het werk van slechts één persoon. Kom…’ Ze pakte me bij de arm. ‘Laten we gaan zitten.’

We gingen samen op de chesterfieldbank zitten, mijn handen nog steeds in die van Selina. Indira zat tegenover ons in een stoel, als een beschermende tijgerin die over haar kwetsbare welp waakt.

‘Dank je wel dat je mij helpt, Selina.’

‘Nou, je hoeft mij niet te bedanken. Indira en haar familie hebben hier de wonderen verricht.’

‘Selina, zeg me alsjeblieft dat je weet dat ik Violet niet heb geprobeerd te vermoorden. Ze was mijn vriendin, ik zorgde voor haar en op het eind heb ik alles gedaan wat ik voor haar kon doen, ook al wist ik dat het hopeloos was.’

‘Natúúrlijk weet ik dat, mijn liefste Anni. Jouw hart is uitsluitend gevuld met goedheid. Maar laat ik bij het begin beginnen. Het maakt alles gemakkelijker uit te leggen. Toen ik uiteindelijk in Frankrijk de twee telegrammen ontving die mij op de hoogte stelden van de dood van Violet en van mijn broer, ben ik onmiddellijk naar Astbury gegaan. Toen pas hoorde ik over jouw arrestatie op beschuldiging van moord. Ik wist dat er maar één iemand was die daar verantwoordelijk voor kon zijn. En dus ging ik naar haar toe.’

‘Je bedoelt je moeder?’ vroeg ik.

‘Ja. Natuurlijk zei ze me dat ze er helemaal niets mee te maken had. Ze zei dat het dr. Trefusis was geweest die als eerste zijn twijfels had uitgesproken over de remedies die je Violet had voorgeschreven tijdens haar zwangerschap en op de dag van haar dood. Violets ouders waren inmiddels gearriveerd voor de begrafenis en dr. Trefusis sprak met hen. Zij wilden graag iemand de schuld geven, en dus zeiden zij en mijn moeder tegen dr. Trefusis dat hij naar de politie moest gaan met zijn verdenkingen.’

‘Maar hij wist dat hij zelf schuldig was,’ viel Indira haar in de rede. ‘Hij was tenslotte de verantwoordelijke arts.’

‘Die twee hadden een heleboel redenen om jou weg te willen hebben, Anni,’ zei Selina met een zucht. ‘Dr. Trefusis gebruikte jou als zondebok, en mijn moeder… nou ja, we weten allemaal waarom zij van je af wilde.’

‘Ze heeft me een paar dagen na Violets dood bezocht,’ zei ik zacht. ‘Ze was als de dood dat nu Violet er niet meer was, Donald met mij zou trouwen, zoals ooit de bedoeling was geweest.’

‘En als hij was blijven leven, dan had hij dat waarschijnlijk ook gedaan,’ zei Selina. Ze probeerde me te troosten. ‘Hij hield zoveel van je.’

‘En ik van hem…’ Mijn stem stierf weg en ik voelde de paniek opkomen bij de gedachte aan wat ik was kwijtgeraakt. Ik wist dat ik mezelf moest beheersen en niet hysterisch moest worden.

‘Selina, ik moet je vertellen dat voor je moeder mij kwam opzoeken, ik al had besloten om Astbury voorgoed te verlaten. Ik begreep dat geen van ons ooit over Violets dood heen zou komen. Maar hoe zouden ze ooit enig bewijs hebben gevonden dat ik haar had vergiftigd?’

‘Anni, weet je nog dat dr. Trefusis een keer bij je langskwam om stekjes te nemen van de planten en de kruiden in je tuin?’

‘Ja. Hij zei dat hij meer wilde weten over hun geneeskrachtige eigenschappen.’

‘Helaas,’ zei Selina, ‘nam de goede dokter niet alleen stekjes van onschuldige kruiden, maar ook van soorten die blijkbaar bekendstaan om hun gevaar, met name bij zwangerschap. En deze gaf hij als bewijs aan de politie. Een daarvan was polei, een muntsoort waarvan bekend is dat hij schadelijk kan zijn voor zwangere vrouwen. Op de dag van Violets dood gaf jij haar een kruidendrank die je zelf had gemaakt voor haar dikke enkels en liet je haar muntthee drinken tegen haar misselijkheid.’

‘O mijn god.’ Ik sloeg mijn hand voor mijn mond en mijn ogen vulden zich met tranen. ‘Ja, dat is zo, maar niet polei! Die thee was van gewone muntblaadjes gemaakt, die ook in mijn tuin groeien. Selina, ik ben opgegroeid met ayurvedische geneeskunde. Polei kan normaal in een thee worden gedronken, in kleine hoeveelheden. Het groeit in het wild in Devon en is heel goed om verkoudheid en griep mee te behandelen. Natúúrlijk weet ik hoe gevaarlijk het kan zijn voor een zwangere vrouw. Het kan een miskraam veroorzaken, toevallen, bloedingen…’ Ik zweeg toen tot mij doordrong hoe goed het allemaal uitkwam.

‘Anni, alsjeblieft, maak jezelf niet van streek. We weten allemaal dat je niets hebt gedaan om iemand kwaad te doen,’ zei Indira in een poging mij te troosten.

‘En om het nog erger te maken,’ vervolgde Selina, ‘kon dr. Trefusis een document laten zien, geschreven door een eminente professor in Amerika, met specifieke details over de schadelijke effecten van polei voor zwangere vrouwen. Dr. Trefusis kwam ook met zilverkaarswortel, nog een kruid dat als gevaarlijk wordt beschouwd bij zwangerschap. Iemand van het personeel zei dat jij haar onlangs thee van zilverkaarswortel had gegeven.’

‘Ja, omdat het heel goed is tegen reumatiek!’ Ik voelde mijn hart in mijn lijf bonken.

‘En dus is de politie naar je huis gegaan en zag dat je die kruiden inderdaad kweekte in je kas en je tuin,’ zei Selina.

‘Maar zelfs met de stekjes uit mijn tuin kan toch niet worden bewezen dat ik ze daadwerkelijk aan Violet heb gegeven?’

‘Liefste Anni, wees niet zo naïef.’ Indira schudde gefrustreerd haar hoofd. ‘Er was echt niets meer nodig. Maud Astbury regeert daar ter plekke als een koningin en heeft de autoriteiten in haar zak. Violet was dood en als Maud beslist dat er iemand beschuldigd wordt van moord, dan gaat de plaatselijke politie onmiddellijk daarin mee, hoe weinig bewijs er ook is.’

‘Ja.’ Ik zuchtte hulpeloos. ‘Ik denk dat ik dat begrijp. Hoe is de aanklacht komen te vervallen?’

‘Ik ben onmiddellijk naar mijn moeder gegaan om haar te confronteren en smeekte haar de politie ervan te overtuigen dat ze de aanklacht moesten intrekken. Ze wilde er niets van horen. Ze zei dat ze er geen invloed op had en dat het recht zijn loop moest hebben.’ Selina trok een gezicht. ‘Anni, ik moet je bekennen dat ik die dag wel even uit mijn slof ben geschoten. Ik ben bang dat ik toen tegen haar gezegd heb wat ik haar al jaren had willen zeggen, dat ze een bittere, bevooroordeelde, zelfzuchtige vrouw was en dat ze wat mij betreft dood was, net als mijn arme broer. Ik zei haar dat ik zolang zij leefde nooit meer naar Astbury zou komen.’

‘En toen nam Selina contact op met mij.’ Indira vervolgde het verhaal. ‘En gelukkig is mijn moeder veel intelligenter en heeft ze vrienden op veel hogere posities dan Maud,’ legde ze uit met een triomfantelijke glinstering in haar ogen. ‘Ik geloof dat ze maar één telefoontje nodig had om de aanklacht te laten verdwijnen. De enige voorwaarde was dat jij terug moest gaan naar India en nooit naar Engeland mocht terugkeren.’

‘Oké. En de Drumners? Denken zij nog altijd dat ik hun dochter heb vermoord?’

‘Ik denk dat zij al genoeg zorgen aan hun hoofd hebben,’ zei Selina. ‘Sissy is helemaal niet in orde, maar niettemin stonden ze erop dat hun kleindochter met hen meeging naar New York en bij hen kwam wonen. Mijn moeder weigerde dat natuurlijk en zei dat Daisy in Astbury Hall moet blijven, onder haar toezicht, omdat ze haar wettelijke erfgename is. Ze zijn naar New York teruggekeerd om daar allerlei gerechtelijke acties in gang te zetten om de voogdij over hun kleindochter te krijgen.’

‘Dus dat arme kleine baby’tje zal worden opgevoed door Maud?’ zei ik vol afgrijzen.

‘Vrijwel zeker ja,’ zei Selina. ‘Daisy is tenslotte een Brits staatsburger en zelfs het fortuin van de Drumners zal ze niet helpen om voogdij over haar te krijgen. Ik heb moeder die vreselijke dag gesmeekt om Daisy aan mij mee te geven, zodat ik haar in mijn huis kon opvoeden met haar nichtjes, maar daar wilde ze natuurlijk niets van horen. Ze is al terugverhuisd naar Astbury Hall en staat weer aan het hoofd van haar koninkrijk, met vrije hand om de volgende generatie naar haar hand te zetten. Ik heb haar in jaren niet zo energiek gezien,’ zei Selina bitter.

We zaten met zijn drieën zwijgend bij elkaar en ik voelde me misselijk. Maud Astbury had een generatie te gronde gericht en kreeg nu de macht om de volgende te verwoesten.

‘Ik heb altijd al gedacht dat ze zo gek was als een deur,’ zei Indira met een lach, altijd erop uit om de sfeer luchtiger te maken.

‘Je zegt dat misschien voor de grap, maar ik denk dat je gelijk hebt,’ zei Selina. ‘Ik zag het in mijn moeders ogen toen we met elkaar praatten. Iets wat leek op echte krankzinnigheid.’

‘Zij is een vleesgeworden duivel,’ zei ik zacht en ik huiverde. ‘Het spijt me, Selina,’ zei ik er snel achteraan.

‘Neem geen blad voor je mond,’ stelde ze mij gerust. ‘Ik kan je verzekeren dat ik precies hetzelfde voel. Henri en ik hebben zelfs besloten dat we permanent met de kinderen naar Frankrijk verhuizen. Ik wil niet eens in hetzelfde land zijn als zij.’

‘Heksen kunnen tenminste niet over glinsterend water heen,’ zei ik met het begin van een glimlach.

Selina keek naar de klok op de schoorsteen. ‘Het spijt me, maar ik moet weg. Houd alsjeblieft contact, Anni. Kom, als je ook maar enigszins kunt, bij ons op bezoek in Frankrijk. Waar gaan jullie naartoe als jullie in India zijn?’

‘Eerst naar het paleis van mijn ouders in Cooch Behar,’ antwoordde Indira. ‘Ma wil Anni heel graag zien en het betekent ook dat ik nog even niet terug hoef naar de zenana in het paleis van mijn man.’ Ze lachte ondeugend naar Selina.

We stonden op en Selina sloeg haar armen om mij heen. ‘Het spijt me zo vreselijk dat je zoveel pijn hebt moeten doorstaan. Ik weet zeker dat, waar ze ook zijn, Donald en jouw kleintje op je neerkijken en van je houden.’

‘Dank je, Selina, voor alles,’ fluisterde ik. Toen ze naar de deur liep, wist ik dat ik de vraag moest stellen die zo zorgvuldig door ons allemaal was vermeden sinds haar komst.

‘Selina, waar is mijn zoon begraven?’

Ze stond stil bij de deur, haalde diep adem en draaide zich om. ‘Ik heb dezelfde vraag gesteld toen ik op Astbury was. Anni, de dorpelingen en het personeel weten niet dat Moh dood is. Hen is verteld dat hij met jou is meegegaan toen jij werd gearresteerd. Mijn moeder wilde natuurlijk niet dat bekend werd dat Donald is verongelukt toen hij naar jouw huis reed om zijn eigen zoon te redden. De enige andere persoon die de waarheid kent is dr. Trefusis, die mij vertelde dat Moh discreet ter aarde is besteld in een hoek van de parochiekerk in het dorp. Toen ik ernaartoe ging, was er verse aarde op een graf te zien, maar de priester zei me dat toen hij de begrafenis hield en vroeg of er een grafzerk nodig was, dr. Trefusis zei dat dat niet nodig was. Hij kreeg te horen dat het kind bij de geboorte was overleden en geen naam had. Het spijt me zo, Anni,’ zei ze, haar ogen vol tranen.

‘Zelfs in de dood moest zijn bestaan een geheim blijven,’ fluisterde ik.

‘Ik weet dat het geen troost kan bieden, maar hij ligt op een heel rustige plek, Anni. Ik heb prachtige rozen op zijn graf gelegd, uit jouw naam. Ik weet dat jij een andere religie hebt, maar ik hoop dat ik er goed aan gedaan heb. Ik… Er zijn geen woorden voor hoe erg dit voor jou moet zijn, Anni. Ik vind het zo verschrikkelijk.’

Ik had met haar te doen, hoe ze over haar woorden struikelde in een poging mij niet nog meer pijn te doen. Zij was ook een moeder.

‘Dank je wel, Selina. Wat je gedaan hebt, was goed.’

‘Ik heb Indira een exemplaar van Mohs overlijdensakte gegeven, ondertekend door dr. Trefusis,’ voegde ze eraan toe. ‘Vaarwel, Anni, pas goed op jezelf.’

Toen ze wegging, zag ik de bezorgdheid op Indira’s gezicht. Ik wist dat ze bang was dat ik, als ik de realiteit van het overlijden van mijn kind onder ogen zag, opnieuw zou instorten. Het was tenslotte de eerste keer dat ik erover was begonnen.

‘Ik ga naar boven om wat te rusten,’ zei ik tegen haar.

‘Anni, gaat het?’

‘Ja,’ verzekerde ik haar en ik verliet de woonkamer.

Als ik terugkijk, weet ik dat ik inderdaad heel rustig was toen ik de trap op liep en de stille slaapkamer binnenging waar Indira mij weer terug tot de levenden had gebracht met haar goede zorgen.

Maar waarom?

Toen we twee dagen later de Engelse kust achter ons lieten, en de afschuw en pijn van de afgelopen weken geleidelijk aan uit mijn geteisterde brein wegtrokken, wist ik waarom.

Ik wist dat ik het zingen voor Donald had gehoord, die laatste nacht die we samen hadden doorgebracht. Maar ik had het nooit voor jou gehoord, Moh. Op die laatste ochtend, vlak voor de politie kwam, toen ik je in je bedje had gelegd en je op je voorhoofd had gekust, zoals ik altijd deed, had ik niets gevoeld of gehoord.

Elke avond, als ik op het dek stond en aan degenen boven ons om raad vroeg, luisterde ik naar de stemmen die mijn zintuigen waarschuwden als iemand was overgegaan, net zoals ze dat bij Violet en bij Donald hadden gedaan, maar ik hoorde niets voor jou.

Vlak voor we aanlegden, overhandigde Indira – die mijn nieuwe kalmte aanzag voor acceptatie – mij op een avond, voor het diner, twee enveloppen.

‘Maak die als eerste open,’ moedigde ze me aan en ze wees naar de kleinste.

Ik deed het en mijn vingers herkenden de gladde, koele textuur van de parels die Donald mij had gegeven.

‘Ze zaten bij je kleren toen we de gevangenis verlieten, maar ik dacht dat je van streek zou raken als je ze zag. Zal ik je helpen met de sluiting?’ zei Indira toen ik ze uit de envelop haalde.

‘Dank je.’ Het gevoel van het bekende gewicht om mijn hals troostte me en ik raakte ze aan met mijn vingertoppen, zoals ik dat zo vaak had gedaan.

Indira wees naar de andere envelop. ‘Daarin zit een foto van jou en Moh. En zijn overlijdensakte, Anni. Ik dacht dat je die wilde bewaren.’

Ik wachtte even voor ik antwoord gaf. Ik glimlachte in mezelf. ‘Dank je, Indy, maar ik hoef zijn overlijdensakte niet te hebben.’

‘Ik begrijp het,’ zei ze meelevend.

‘Omdat mijn zoon niet dood is. Ik weet dat hij nog leeft.’

Astbury Hall

Juli 2011