43
Het duurde even voor hij de trap had ontdekt die naar de zolder van Astbury Hall leidde, maar uiteindelijk bereikte Ari een donkere, smalle gang. Hij dwaalde door een labyrint van gangen en vroeg zich af in welke kamer Anahita haar eerste zomer hier had doorgebracht.
Opeens trok het geluid van een televisie Ari in de richting van het gedeelte van de zolder dat op dit moment werd bewoond en hij klopte op een deur. Een paar seconden later verscheen er een vrouw in een verpleegstersuniform.
‘Kan ik u helpen?’ vroeg zij argwanend.
‘Ja, ik vroeg me af of ik Mrs. Trevathans moeder misschien even kon spreken. Ik geloof dat ze hier woont.’
‘Dat klopt, maar mag ik vragen waar het over gaat?’
‘Ik logeer op dit moment hier in het huis en doe onderzoek naar de geschiedenis van de familie Astbury. Ik weet dat zij hier heeft gewerkt en ik vroeg mij af of zij mij met een paar dingen kon helpen.’
‘Oké.’ De verpleegster aarzelde.
‘Wie is daar, Vicky?’ zei een stem met een zwaar Devon-accent vanuit de kamer.
‘Een meneer die met u wil praten over de tijd toen u hier werkte, Mabel,’ antwoordde de verpleegster.
‘Laat hem dan maar binnen,’ zei de stem.
De verpleegster deed een stap opzij, zodat Ari kon passeren. Hij betrad een gezellige, veel te warmgestookte woonkamer en zag een oude vrouw in een stoel voor een televisie zitten. Het geluid stond op de hoogste stand. Haar witte haar was opgestoken in een knot in haar nek en Ari zag dat ze dezelfde onderzoekende groene ogen had als haar dochter.
‘Hallo,’ zei ze. ‘En wie bent u?’
‘Mijn naam is Ari Malik. Uw dochter vertelde me dat u hierboven woont. Ik logeer hier als gast van Lord Astbury in Astbury Hall.’
‘O ja, volgens mij heeft Brenda, mijn dochter, het over u gehad, al vertelde ze er niet bij dat ik bezoek kon verwachten,’ zei de oude vrouw. ‘Geeft niet, hoor. Ik zag u in de tuin vanuit mijn raam. Doe dat uit, Vicky, ik kan mezelf niet eens horen denken,’ zei ze tegen de verpleegster. ‘Wat wilde u me vragen?’
‘Mag ik even gaan zitten?’ vroeg Ari.
‘Natuurlijk. En mijn naam is trouwens Mabel Smerden.’
‘Aangenaam kennis te maken, Mrs. Smerden, en wat fijn dat ik even met u mag praten. Ik ben naar Astbury gekomen omdat ik erachter ben gekomen dat een van mijn voorouders de eerste drie jaar van zijn leven op het landgoed heeft doorgebracht. Zijn naam was Moh Prasad, en volgens mij was Anahita, zijn moeder, goed bevriend met Tilly, uw moeder. U hebt als jong kind zelf met Moh gespeeld.’
Terwijl hij sprak, verdween Mabels glimlach van haar gezicht en ze zakte achterover in haar stoel. ‘Mijn moeder is dood, en ik herinner me niets.’
‘Nee, dat begrijp ik,’ antwoordde Ari vriendelijk. Hij voelde haar ongemak. ‘Maar alles wat u zich misschien wél herinnert, ook al is het maar een detail, kan me helpen in mijn zoektocht naar wat er met hem is gebeurd. Ik vroeg me bijvoorbeeld af of er ooit een foto is gemaakt van Moh. Ik weet dat hij bij u in huis was als uw moeder op hem paste.’
De vrouw snoof. ‘Er is misschien wel een foto,’ zei ze, ‘ergens tussen de rommel van mijn moeder.’
‘Die zou ik heel graag willen zien,’ antwoordde Ari.
‘Vicky?’ riep ze dwingend naar de verpleegster. ‘Haal die oude kartonnen doos eens die onder mijn bed staat.’
De verpleegster deed wat haar gevraagd werd en kwam even later met de doos de kamer in.
‘Geef hem aan Mr. Malik, Vicky. U vindt er misschien een paar van uw familielid. Er zijn er in ieder geval enkele van toen ik een baby was.’
‘Dank u.’ Ari maakte de doos open en zag de zwart-witte overblijfselen van een voorbije tijd. De meer recente, waarop Mrs. Trevathan als kind te zien was, lagen bovenop. Ari bekeek alles zorgvuldig en mompelde gefascineerd terwijl de kwaliteit en de inhoud van de foto’s hem verder terugvoerde in de tijd. Hij zag een ingeblikte versie van de enorme veranderingen die in de afgelopen honderd jaar hadden plaatsgevonden. En daar, bijna onderop, was een foto van een vrouw die onmiskenbaar zijn overgrootmoeder Anahita was, naast een vrouw die waarschijnlijk Tilly was. Ze zaten wat stijfjes op een stoel voor een natuurstenen huisje, elk met een baby – Mabel en Moh – op de knie. Ari staarde naar de zoon van Donald en Anahita. Hij was engelachtig, zoals alle kleine baby’s, en zijn donkere haren en enorme ogen toonden een grote gelijkenis met zijn moeder. Er waren nog andere foto’s van Anahita met Moh op een kerstfeest. Toen hij de foto’s goed bekeek, zag hij dat ze een echte schoonheid was geweest.
‘Dus je hebt er een gevonden?’ vroeg Mabel.
‘Ja, ze zien er zo gelukkig uit,’ zei Ari, toen hij haar de foto liet zien.
‘Zeker. U kunt hem houden, hoor, als u wilt. Ik heb er geen behoefte aan.’
‘Dank u!’ zei hij. ‘Dit betekent meer voor me dan u zich kunt voorstellen.’
‘Wil je wat drinken, lieverd? Ik drink nu meestal een kop warme chocolade. Ik krijg tegenwoordig niet vaak meer bezoek.’
‘Een kop thee zou heel lekker zijn.’
‘Prima. Vicky zet het water op, wil je?’
Toen de verpleegster de kamer uit was, zei Ari: ‘Ik weet dat u nog maar een baby was toen dit allemaal speelde, Mabel, maar heeft uw moeder het ooit gehad over de omstandigheden waaronder Moh is overleden? Ik weet dat hij van een paard gevallen is vlak bij het huisje op de heide waar hij met zijn moeder woonde.’
‘Dus daar weet je van?’ Mabel keek hem verbaasd aan. ‘Hoe?’
‘Vlak voor haar dood overhandigde Anahita mij haar levensverhaal. Zij had van Lady Selina gehoord dat Donald Moh uit het huisje was komen halen, vlak nadat zij was gearresteerd, en dat vader en zoon samen zijn verongelukt nadat Donalds paard ze had afgeworpen. Moh zou schijnbaar in de beek zijn verdronken…’
‘Ik… O jee…’ Mabels ogen schoten vol tranen. ‘Mr. Malik, beseft u wel dat u hiermee een hele beerput opent?’ zei ze toen de verpleegster terugkwam met de drankjes. ‘Dank je.’ Mabel herstelde zich toen ze haar chocolademelk aanpakte van Vicky. ‘Waarom ga jij niet even naar je kamer, terwijl ik met Mr. Malik praat,’ zei ze tegen de verpleegster.
‘Roep me als u mij nodig hebt,’ zei Vicky en ze verliet de kamer.
‘Mabel, u weet toch wel waarover ik het heb?’
‘Ja, helaas weet ik dat,’ antwoordde ze na een korte stilte. ‘Ze moesten toch iets tegen zijn arme moeder zeggen, hè? Anders had ze niet gerust tot ze hem gevonden had. Dat had geen enkele moeder gedaan.’
‘De treurige waarheid is, Mabel, dat Anahita inderdaad nooit heeft gerust. Ook al heeft ze de overlijdensakte van Moh gekregen voor ze terugging naar India, ze weigerde te geloven dat hij die dag samen met Donald is overleden.’
Mabel staarde in de verte en zuchtte toen diep. ‘Die vrouw,’ zei ze uiteindelijk zachtjes, ‘schrok nergens voor terug om te krijgen wat ze wilde.’
‘Bedoelt u Lady Maud?’
‘Ja, die bedoel ik. Ze zat voortdurend in de kapel, maar ze had bijzonder weinig van de Heer in haar, en dat is de waarheid,’ mopperde Mabel. ‘Ik heb het met mijn eigen ogen gezien toen ik door Daisy werd aangenomen om voor die arme Anthony te zorgen toen hij een baby was. We hebben allemaal onder haar geleden.’
‘Ja, dat geloof ik graag,’ knikte Ari grimmig, ‘van wat ik over haar lees. Anahita’s verhaal geeft me een heel helder beeld van wie Maud Astbury was.’
‘Nou, ik kan je zeggen dat ze met de jaren niet zachter is geworden,’ zei Mabel. ‘Donald en Violet waren er niet meer, dus Lady Maud had de vrije hand om hun kind op te voeden zoals zij dat wenste. Dat arme, kleine meisje dat helemaal alleen opgroeide in dit grote huis… Daisy moest drie of vier keer per dag naar de kapel om te bidden en kreeg van haar grootmoeder te horen dat alle mannen slecht waren. Geen wonder dat Daisy er zo’n moeite mee had om haar eigen zoon op te voeden, Lord Anthony, bedoel ik,’ zei Mabel. ‘Ik werd als kindermeisje aangenomen en moest het allemaal aanzien, zonder dat ik een woord kon zeggen. Die arme jongen…’ Ze zuchtte. ‘Hij wist echt niet meer wat voor of achter was, zoals Daisy hem behandelde. En al zijn problemen gaan terug naar één slechte vrouw, die erin slaagde haar eigen familie te gronde te richten en als enige excuus voor haar gedrag opvoerde dat God het zo gewild had. Ze bedoelde de duivel zeker,’ mopperde ze somber.
‘Mabel,’ zei Ari. Hij wist dat hij het voorzichtig moest aanpakken. ‘U leek niet verbaasd toen ik zei dat Moh die dag met Donald in de beek zou zijn gestorven. Als het dorp en het personeel te horen hadden gekregen dat Moh met Anahita was meegegaan toen ze was gearresteerd, hoe kan het dan dat u de waarheid kende?’
‘Die ken ik niet,’ zei Mabel en ze haalde ongemakkelijk haar schouders op. ‘Het was allemaal roddel en achterklap toen ik opgroeide. U weet hoe bediendes zijn.’
‘Nou, ik kan u zeggen dat Moh die ochtend niet met Anahita is meegegaan. Ze mocht hem niet meenemen toen de politie haar kwam halen, en ze heeft hem daarna nooit meer gezien. Maar ik denk dat u dat al weet,’ voegde hij er zachtjes aan toe.
‘Ik zei dat ik niets zeker weet,’ herhaalde ze.
‘Mabel…’ Ari probeerde het nog een keer. ‘Ik vertrek over een paar dagen naar India. Ik kom nooit meer terug naar Astbury Hall. Het was de laatste wens van mijn overgrootmoeder dat ik de waarheid zou ontdekken over haar verloren zoon. Ik loop steeds weer tegen een muur aan. Anthony wil niets zeggen, ook al weet hij misschien meer, en…’
‘His Lordship weet niets!’ viel ze hem heftig in de rede. ‘Natuurlijk weet hij niets en waag het niet hem van streek te maken, Mr. Malik. Hij is kwetsbaar en mijn dochter heeft al genoeg met hem te stellen.’
‘Natuurlijk zal ik dat niet doen, maar u bent mijn laatste hoop. Alstublieft, Mabel, als u weet wat er echt met Moh is gebeurd die dag, dan smeek ik u mij het te vertellen. Ik zweer dat ik geen woord zal zeggen, maar ik denk dat na wat Anahita door toedoen van de familie Astbury is aangedaan, het alleen maar goed is als u het vertelt. Mabel, is Moh in de beek verdronken of had Anahita gelijk en heeft hij al die jaren geleefd?’
De oude dame zat stil. Ze knipperde nerveus met haar ogen en Ari wist dat ze het zich herinnerde.
‘Nee, kleine Moh is die dag niet overleden,’ verzuchtte ze eindelijk, ‘maar God verhoede dat u iemand iets vertelt. Brenda weet hier niets van, en His Lordship evenmin, begrijpt u?’
‘Ik begrijp het,’ zei Ari. Hij voelde dat hij door emotie werd overmand nu hij eindelijk wist dat Anahita’s instinct al die jaren gelijk had gehad. ‘Dank u, Mabel,’ zei hij zacht.
‘Stil maar, lieverd,’ zei Mabel, in een poging hem te troosten. ‘Je moet weten dat ik dit allemaal pas hoorde op mijn moeders… Tilly’s… sterfbed. Ze wilde het aan iemand opbiechten, begrijp je. Ze had het geheim haar leven lang bewaard en voelde dat ze haar vriendin Anahita had bedrogen. Maar wat had ze anders moeten doen? Als ze ook maar een woord had gezegd over wat mijn vader had gezien, dan was ze haar huisje kwijt geweest en had ze geen inkomen meer gehad.’
‘Wat uw vader had gezien?’ vroeg Ari. Hij begreep er nu helemaal niets meer van.
‘Ja. En misschien is het het noodlot dat mijn oude moeder het mij wél heeft verteld en dat u nu hier bent, op zoek naar Moh. Mijn hart zegt me dat ik u moet vertellen wat mijn vader die dag bij de beek heeft gezien. Hij was assistent-postmeester, weet u…’
Het huisje bij de beek
Augustus 1922