46

Terwijl ze samen met Alice thee zat te drinken, gingen er duizend dingen door Rebecca’s hoofd. Ze gaf de beleefde antwoorden die Alice nodig leek te hebben om haar tevreden te houden en ondertussen begon Rebecca’s langzaam ontwakende geest de afgelopen weken door te nemen en op alle vragen antwoorden te geven.

‘Is het niet gezellig zo? We hebben samen een theekransje!’

‘Ja.’

‘Mammie adoreerde je, weet je dat, Violet,’ zei Alice. ‘Ze liet je kamers onaangeroerd, ze zorgde ervoor dat de meisjes er elke dag stof afnamen, je bed verschoonden, bloemen in alle vazen zetten. Natuurlijk, je was dood, maar ze heeft altijd gezegd dat ik je op een dag zou tegenkomen. Ik dacht dat ze bedoelde in de hemel, maar hier ben je op aarde! Is dat niet heerlijk?’

‘Ja,’ antwoordde Rebecca gehoorzaam.

‘Natuurlijk, toen je nog niet hier was, maar toen je daarboven was, deed mammie graag of ík Violet was.’ Alice streelde haar haren. ‘Mammie zei altijd dat ik als kind precies op je leek. Ze liet mijn haren groeien en ik droeg er mooie zijden linten in. Ze kocht de prachtigste jurken voor me, die ze door Harrods liet opsturen, precies als de jurk die ik nu draag.’

‘Een hele mooie jurk,’ zei Rebecca. Ze had al snel begrepen dat Alice ervan hield te worden geprezen.

‘Dank je. Het is zo fijn om hier te zitten en een leuk gesprek te hebben met een andere jongedame. Mammie had het niet zo op jongens – of op mannen, wat dat aangaat. Ze waren lelijk, agressief en ze stonken, zei ze altijd. Het was veel beter om een meisje te zijn. Ik herinner me nog dat ze me vertelde dat ze maar voor één ding deugden, en ik denk dat we allebei weten wat ze daarmee bedoelde.’ Alice giechelde en er verscheen een echte blos op haar wangen.

‘Je moeder had vast gelijk,’ zei Rebecca. Hoe meer Alice zei, hoe beter Rebecca het begon te begrijpen.

‘Weet je, ik was zo eenzaam als kind. Mammie wilde nooit dat er andere meisjes kwamen spelen en dus had ik geen vriendinnen. Was je er toen maar geweest.’ Alice keek bedroefd voor zich uit. ‘We kunnen het heel goed met elkaar vinden, hè? We lijken zo op elkaar.’

‘Ja,’ zei Rebecca, ‘en wat naar dat je zo eenzaam was.’

‘Nou, uiteindelijk verzon ik een vriendinnetje dat ik Amy noemde. We praatten urenlang met elkaar, ook al wist ik dat ze niet echt was. En nu heb ik jou. Ik wil dat je altijd bij me blijft. Je gaat toch niet weg, hè?’ Opeens sprongen er tranen in haar ogen.

‘Nee, natuurlijk niet.’

‘Mijn moeder is weggegaan, weet je, en toen was ik helemaal alleen. En weet je, ik denk eigenlijk dat ze helemaal niet zoveel van me hield. Ze schreeuwde altijd tegen me. Ik…’

Rebecca zag dat Alice begon te huilen. De tranen trokken zwarte strepen van mascara over haar wangen.

‘Zal ik een zakdoek voor je pakken?’ bood Rebecca aan, op zoek naar een reden om op te staan van de stoel.

‘Dank je, je bent zo lief,’ antwoordde Alice dankbaar. ‘Ze liggen daar, in de la bij het bed.’

Rebecca begreep dat het nu of nooit was. Ze stond op en liep zo snel ze kon naar de slaapkamerdeur, gooide die open en strompelde de smalle trap af. Ze bereikte de voordeur en draaide wanhopig aan de deurknop, maar kreeg er geen beweging in.

‘Waar ga je naartoe? Kom terug!’

Toen Rebecca terugliep door het gangetje naar de achterkant van het huis en bad dat er een andere uitgang was, hoorde ze Alice achter haar de trap af komen stampen.

‘Help!’ gilde Rebecca in paniek toen ze in de keuken terechtkwam. Ze sloeg de deur dicht in het gezicht van Alice en zocht in het aardedonker op de tast naar een achterdeur. Ze hoorde dat Alice nu in dezelfde ruimte was als zij en over de meubels struikelde.

‘Waar ben je, Violet? Alsjeblieft, ik houd niet van dit spelletje. Ik ben bang in het donker…’

Het lukte haar niet een uitgang te vinden en Rebecca kroop in een hoek en liet zich langs de muur omlaag zakken toen ze Alice op zich af hoorde komen.

‘Daar ben je!’ De enorme handen trokken Rebecca weer omhoog. ‘Ik houd niet van dit spelletje. Waarom ga je niet terug naar boven met me? Dan houden we een verkleedpartijtje.’

‘Alsjeblieft… laat me gaan,’ jammerde Rebecca toen Alice haar onhandig door de keuken sleurde. Toen hoorde ze een deur opengaan, ergens in de ruimte.

‘Kom, lieverd, wees niet zo ondeugend en laat je vriendinnetje los,’ zei een bekende, zachte stem. ‘Ik weet dat je alleen maar wilt spelen, maar mammie zal helemaal niet blij zijn als ze dit hoort, denk je ook niet?’

Na een kort moment lieten de handen haar los. Rebecca viel op de grond als een afgedankte lappenpop.

‘Mr. Malik, wilt u het licht aandoen? Deze twee stoute kinderen hebben “moord in het donker” gespeeld.’

Opeens baadde de kamer in het licht en zag Rebecca Mrs. Trevathan en Ari in de keuken staan.

‘Het spijt me, Brenda,’ zei Alice, ‘ik ben een stoute meid geweest, hè?’

‘Ja, wel een beetje, maar als je lief bent en rustig met me mee gaat, beloof ik dat ik het niet aan mammie vertel. Kom maar, liefje.’ Mrs. Trevathan stak haar hand uit. ‘Het is tijd dat je nieuwe vriendinnetje naar huis gaat.’

‘Maar ik wil niet dat ze weggaat. Alsjeblieft, Brenda, kan ze niet blijven? Ik…’

Rebecca en Ari zagen hoe Alice’ onderlip begon te trillen en ze begon te huilen.

‘Als je lief bent, kan je nieuwe vriendin misschien morgen weer komen spelen.’

‘Ja, alsjeblieft? Ik ben zo eenzaam, zo helemaal alleen, zo eenzaam…’

‘Dat weet ik, lieverd, maar het is al erg laat. Goed,’ zei ze met vaste stem tegen Ari, ‘ik neem dit kind mee naar boven en maak haar klaar om naar bed te gaan. Waarom neemt u uw kleine meisje niet mee, dan kunnen ze misschien een andere keer nog eens met elkaar spelen. Is dat goed?’

Ari, die geschokt staarde naar het schepsel dat Mrs. Trevathan bij de hand hield, knikte zwijgend.

‘Goedenavond, en dank u voor uw komst,’ zei Mrs. Trevathan.

Toen Ari Rebecca omhoogtrok en haar door de achterdeur en naar zijn auto meevoerde, hoorden ze de stem van Mrs. Trevathan die rustig bleef praten. Hij zette Rebecca voorzichtig op de passagiersstoel.

‘Ben je gewond?’ vroeg hij toen hij achter het stuur ging zitten en de motor startte. ‘Zal ik je naar het ziekenhuis brengen?’

‘Haal me hier alleen maar weg,’ jammerde ze. ‘En weg van dat verschrikkelijke… monster!’

‘Heeft hij je iets gedaan, Rebecca? Echt, ook al heb ik Mrs. Trevathan beloofd dat ik niet de politie zou bellen als ze mij zou vertellen waar hij je naartoe had gebracht, gaat wat ik zojuist heb gezien alle perken te buiten.’

‘Ik ben niet gewond, echt niet. Haal me alleen maar weg!’ herhaalde Rebecca snikkend.

‘Oké,’ zei hij. ‘Maak je geen zorgen, ik breng je ergens naartoe waar je veilig bent.’

Toen hij over de heide reed, pakte Ari zijn mobiel en belde Steve.

‘Rebecca is bij mij. Ik zal niet op de details ingaan, maar ik moet haar naar een hotel brengen en ik wil dat je die dokter belt die laatst bij haar is geweest. Hij moet komen en controleren of ze in orde is.’

‘Is ze gewond?’

‘Ik denk het niet, nee, maar er moet wel even naar haar worden gekeken.’

‘Goed. Breng haar maar naar mijn hotel in Ashburton. Ik neem onmiddellijk contact op met de receptie. Ze hebben vast nog wel een kamer voor haar. Zo niet, dan mag ze de mijne hebben.’

‘En laat de dokter zo snel mogelijk komen.’

Steve gaf Ari het adres. Ari stelde zijn navigatie in en begon te rijden.

Toen ze in het hotel aankwamen, was Ari dankbaar dat Steve een suite had kunnen regelen voor Rebecca. Hij had een boodschap achtergelaten bij de receptie, waarin hij zei dat Ari hem kon bellen als er iets was wat hij kon doen.

Rebecca liet zich door Ari naar de lift brengen en vervolgens door een gang naar haar kamer begeleiden.

‘Ik heb niets bij me,’ zei Rebecca. Ze zuchtte diep toen Ari haar op het bed hielp.

‘Waar is je koffer?’ vroeg hij.

‘In een struik, ergens op het terrein van Astbury.’ Ze lachte vaag naar hem.

‘Geeft niet. Ik haal hem morgen op. Is er iets wat je dringend nodig hebt?’

Voor ze kon antwoorden, hoorden ze een klop op de deur. Ari ging ernaartoe om open te doen.

‘Goedenavond,’ zei dr. Trefusis, ‘of moet ik zeggen, goedenacht? Het spijt me dat het even duurde voor ik er was. Ik was bij een andere patiënt. Hoe gaat het met haar?’

‘Voor zover ik kan zien,’ zei Ari, ‘is ze fysiek in orde, maar heel erg van streek. Zal ik uitleggen wat er is gebeurd?’

‘Dat hoeft niet,’ zei de dokter zacht. ‘De patiënt van wie ik net vandaan kom is Lord Astbury. Mrs. Trevathan had me laten komen.’

‘Oké. Waar is hij nu?’

‘Nog in het huisje op de heide. Ik heb hem een zwaar slaapmiddel gegeven, waardoor hij in een diepe slaap blijft tot ik morgenochtend maatregelen voor hem tref. Mrs. Trevathan blijft bij hem. De kans is groot dat hij morgen wakker wordt en zich niets meer herinnert van wat er vanavond is voorgevallen. Goed, ik zal nu kijken hoe het met Miss Bradley is.’

‘Natuurlijk, ik zal jullie alleen laten.’ Ari verliet de kamer en dr. Trefusis liep naar Rebecca toe.

‘Ik hoor dat u vanavond het een en ander hebt meegemaakt,’ zei hij vriendelijk toen hij op de rand van het bed ging zitten en haar hand pakte om haar pols te voelen. ‘Heeft hij u iets gedaan?’

‘Nee.’ Rebecca was zo uitgeput dat ze nauwelijks nog iets kon uitbrengen. ‘Hij duwde een lap in mijn gezicht die sterk rook en ik verloor het bewustzijn en werd wakker in een huis. Ik weet nog altijd niet waar.’

‘Hij heeft vrijwel zeker chloroform gebruikt, wat chirurgen vroeger gebruikten om hun patiënten te verdoven. Het is onschuldig en heeft geen bijwerkingen. Mrs. Trevathan denkt dat hij het waarschijnlijk in de medicijnkast in de bijkeuken heeft gevonden. Het moet heel oud zijn geweest. Ze heeft me het flesje gegeven en ik laat de inhoud morgen analyseren om zeker te zijn.’

Rebecca likte aan haar droge lippen. ‘Ik dacht dat ik nooit aan hem zou kunnen ontsnappen.’

‘Dat geloof ik graag, Miss Bradley. Het moet een vreselijke ervaring voor u zijn geweest. Ik kan u alleen maar geruststellen en zeggen dat ik sinds ik de medische praktijk van mijn vader overnam van de toestand van Lord Astbury heb geweten. Het is uiterst onwaarschijnlijk dat hij u, hoe opgewonden en verward hij gisteren ook was, iets zou hebben aangedaan.’

‘Hij dacht dat ik zijn grootmoeder Violet was,’ zei Rebecca.

‘Ja, dat vertelde Mrs. Trevathan me.’

‘O mijn god! Hij weet toch niet waar ik nu ben? Hij komt toch niet achter me aan?’ Ze greep hem bij zijn armen, met angst in haar ogen.

‘U bent volstrekt veilig, Miss Bradley, geloof me. Hij heeft geen idee waar u bent en hij is op dit moment zo zwaar verdoofd dat hij ook niet weet waar hij zelf is. Goed… ik ga u wat u vanavond heeft meegemaakt niet laten herbeleven, maar wil u wel even nakijken.’

De dokter onderzocht haar en controleerde haar vitale functies. Rebecca lag stil. Er waren zoveel vragen die ze hem zou willen stellen, maar haar op de proef gestelde, uitgeputte brein kon de energie niet opbrengen ze onder woorden te brengen.

‘Hoe is de hoofdpijn nu?’ vroeg hij toen hij naar haar hartslag luisterde.

‘Op dit moment heel erg.’

‘Nou, de chloroform die Lord Astbury heeft gebruikt zal er ook geen goed aan hebben gedaan. Ik zou trouwens morgenochtend toch al langs zijn gekomen omdat ik denk dat ik heb ontdekt wat u zo ziek maakte.’

‘Echt?’

‘Ja. En ik kan u geruststellen. U hoeft zich nergens zorgen over te maken,’ zei hij met een glimlach.

‘Ben ik zwanger?’

‘Nee, Rebecca, dat is niet het geval. Alle tests zijn negatief bevonden. Ik zal morgen mijn theorie nader toelichten.’ Dr. Trefusis pakte zijn tas en haalde er wat tabletten uit. ‘Nu stel ik voor dat u deze neemt. Het is een licht slaapmiddel, waardoor u kalmeert en in kunt slapen.’

‘Wat is er met Anthony aan de hand? Waarom was hij als meisje verkleed? Hij noemde zichzelf Alice. Ik…’

‘Het is een lang verhaal, Miss Bradley. Ik zal het u morgen graag uitgebreid vertellen, als u bent uitgerust. Nu volsta ik ermee u te zeggen dat u fysiek in orde en hier volkomen veilig bent en dat u het beste kunt gaan slapen.’ Dr. Trefusis stond op. ‘Ik zal de jongeman op de gang zeggen dat hij weer kan binnenkomen. Goedenacht.’

Ari liep op en neer door de gang. ‘Hoe gaat het met haar?’

‘Zoals u al zei, ongedeerd, maar erg geschrokken. En dat is ook volkomen begrijpelijk.’

‘Ik zag hem in zijn… kostuum, en zelfs ik was bang,’ gaf Ari toe. ‘Ik weet dat Rebecca zich niet veilig kan voelen voor hij achter slot en grendel zit. We moeten de politie bellen na wat haar vanavond is overkomen. Hij heeft haar tenslotte ontvoerd!’

‘Als Miss Bradley dat wil, ja, dan moet ze de politie inschakelen,’ stemde dr. Trefusis in. ‘Ik wil haar nog wel even spreken voor ze dat doet. Ik kom morgenochtend vroeg nog even langs. Goedenavond.’

Ari keek de dokter na en ging toen de suite weer binnen. Hij ging op de rand van het bed zitten en nam Rebecca’s hand in de zijne. ‘Hoe gaat het?’

‘Goed,’ zei ze zacht, met gesloten ogen.

‘Vind je het goed als ik vannacht bij je blijf? Ik slaap op de bank in de kamer hiernaast.’

‘Nee!’ Haar hand greep de zijne stevig vast en ze opende haar ogen. ‘Laat me alsjeblieft niet alleen! Blijf hier, Ari!’

‘Natuurlijk, als je dat wilt.’

‘Ja, alsjeblieft,’ zei ze en haar greep ontspande zich weer. ‘Zoveel vragen,’ zei ze met een zucht.

‘Weet ik,’ zei hij, ‘maar niet nu. Alsjeblieft, Rebecca, probeer te slapen,’ zei hij toen hij naar de stoel in de hoek van de kamer liep.

‘Ari?’ vroeg ze verlegen.

‘Ja?’

‘Wil je me vasthouden? Dan weet ik het als je weggaat.’

‘Natuurlijk, maar mag ik dan in het bed naast je gaan liggen? Dat is gemakkelijker dan het vanuit deze stoel te proberen.’ Hij grijnsde naar haar.

‘Natuurlijk.’

Ari stapte in bed en Rebecca draaide zich om en kroop als een kind in zijn armen.

‘Dank je wel dat je er bent,’ mompelde ze half slapend.

‘Geen dank. Welterusten, Rebecca,’ fluisterde hij.

Een bleke, maar rustige Rebecca zat de volgende ochtend met een kop koffie in haar handen in haar suite, toen dr. Trefusis haar het verhaal vertelde.

‘Lord Astbury werd toen hij halverwege de dertig was gediagnosticeerd als schizofreen. Hij stortte in na de dood van zijn moeder en vertoonde vergelijkbaar gedrag met wat jij vannacht hebt gezien. Het is niet verbazingwekkend dat hij de weg kwijtraakte – zijn moeder, Daisy, had volledige controle over hem en heeft hem zijn hele leven nauwelijks uit het oog verloren. Hij werd naar de plaatselijke psychiatrische inrichting gebracht, waar hij bijna een jaar verbleef en werd gestabiliseerd met medicijnen en constante therapie. Niemand weet precies waar zijn ziekte door veroorzaakt wordt, of het aanleg is of hoe hij is opgegroeid, maar Lord Astbury heeft zo’n moeilijke jeugd gehad dat ik ervan overtuigd ben dat dat ermee te maken heeft.’

‘Hij praatte tegen me toen hij verkleed was.’ Rebecca slikte. ‘Hij zei dat zijn moeder mooie jurken voor hem bestelde bij Harrods. Dat kan toch niet waar zijn?’

‘Helaas is het de waarheid. De moeder van Lord Astbury, Daisy, is door haar grootmoeder opgevoed met de overtuiging dat alle mannen slecht zijn. Toen ze dus zelf werd gedwongen om te trouwen en een erfgenaam te produceren en die erfgenaam een jongen bleek te zijn, weigerde ze dat te accepteren,’ legde dr. Trefusis uit. ‘U kunt het aan Mrs. Trevathan vragen, of aan haar moeder Mabel, die hem allebei zijn hele leven hebben gekend. Ze deed linten in Lord Astbury’s lange haar en hij heeft zijn hele kindertijd jurken gedragen.’

‘O mijn god, dat arme kind,’ zei Rebecca. ‘Ik bedenk me opeens dat ik een foto in zijn studeerkamer heb gezien van een klein meisje dat precies op Anthony leek. Ik dacht dat het zijn zusje was, maar hij moet het zelf zijn geweest. En zijn vader?’ vroeg ze. ‘Had hij er dan niets over te zeggen?’

‘Van wat mijn eigen vader zei, die de praktijk heeft overgenomen van zijn vader en destijds Daisy’s dokter was, was Lord Astbury’s vader afwezig als echtgenoot en vader. Het huwelijk was van het begin af aan een pragmatische regeling geweest. Maud Astbury haatte mannen, maar ze kon er niet omheen dat er een nodig was om ervoor te zorgen dat haar kleindochter een erfgenaam kon voortbrengen. De man die ze voor Daisy had uitgezocht bleek een beruchte dronkaard te zijn die meestal in Londen verbleef, waar hij het geld van de Astbury’s erdoorheen joeg. Hij stierf toen Lord Astbury nog heel klein was.’

‘Ja, dat heeft Anthony me verteld. Dus het waren alleen Maud, Daisy en Anthony toen hij opgroeide?’

‘Ja, en toen overleed Maud, wat misschien een opluchting was, maar toen was het kwaad al geschied.’ Dr. Trefusis schudde langzaam zijn hoofd. ‘Daisy weigerde Anthony naar een school te sturen, en haalde in plaats daarvan een verzameling gouvernantes in huis die hem moesten onderwijzen. Haar obsessie met Violet, haar mooie, maar dode moeder, hield ook niet op. Lord Astbury werd geleerd haar te adoreren.’

‘Ja, zoveel heb ik ook begrepen,’ zei Rebecca licht sarcastisch.

‘Hoe dan ook, toen hij stabiel genoeg werd bevonden om terug te keren in de maatschappij, kwam hij weer op Astbury wonen, onder de hoede van Mrs. Trevathan, die al jaren als huishoudster in het huis had gewerkt en hem begreep. Echt, Miss Bradley, die vrouw is een heilige. Ze heeft haar leven grotendeels aan zijn verzorging gewijd.’ Dr. Trefusis zuchtte. ‘En zo lang alles rustig was en niets de kalmte en de privacy van Astbury Hall verstoorde, kon Lord Astbury uitstekend functioneren. Hij hield ervan een beetje te rommelen in zijn geliefde tuin en dat was al therapie op zichzelf. De medicijnen die hij elke dag nam stabiliseerden hem voldoende om een soort van normaliteit te behouden. Soms verdween hij naar het huisje op de heide om “vadertje en moedertje te spelen”, zoals Mrs. Trevathan het eufemistisch noemde. We vonden het allebei het beste als hij zijn neigingen ergens botvierde waar hij niet gezien werd. Ik hield hem in de gaten, net als zijn psychiater, en Mrs. Trevathan belde me als er reden was voor bezorgdheid. Hij had al jaren geen terugval gehad.’

‘Oké,’ zei Rebecca.

‘Begin dit jaar besloot hij echter om het landgoed ter beschikking te stellen aan de filmmaatschappij. Er is geldgebrek op Astbury en hij moest wat rekeningen betalen. Mrs. Trevathan was er van het begin af aan op tegen. Ze kende hem voldoende om te weten dat hij het vrijwel zeker niet aan zou kunnen, maar wat kon ze ertegen doen?’

‘Niets, denk ik.’ Rebecca haalde haar schouders op.

‘En toen kwam u. Onmiddellijk zag Anthony de gelijkenis met zijn dode grootmoeder Violet, die volgens zijn moeder de perfecte vrouw was geweest en naar wie hij zijn alter ego modelleerde.’

‘De eerste keer dat Anthony mij ontmoette in mijn gewone kleren, reageerde hij helemaal niet,’ dacht Rebecca hardop. ‘Pas toen hij mij zag met mijn haren blond geverfd en in mijn jarentwintigkostuum, vertelde hij me dat ik op haar leek.’

‘Ja, hij moet hebben gedacht dat hij een spook zag. En tegelijkertijd – en nu ben ik gedeeltelijk aan het invullen, want ik heb het rapport van de psychiater nog niet gelezen – voelde hij een normale, mannelijke reactie op u als vrouw. En dit bracht hem in een totale verwarring. Beide persoonlijkheden waren in conflict met elkaar, allebei waren ze gedestabiliseerd. Het mannelijke deel van Anthony werd verliefd op u, maar het “kleine meisje” begreep niet waarom Violet terug was, want die zou dood moeten zijn. Begrijpt u, Miss Bradley?’

‘Ja,’ zei Rebecca. ‘Helaas wel. En alles wat u zegt klopt met wat hij mij gisteravond vertelde. Weet u, ik heb hem de nacht ervoor ook verkleed gezien in het huis. Mrs. Trevathan zwoer dat het haar bejaarde moeder was geweest, maar dat was natuurlijk niet zo. En ik heb hem ook horen zingen, met een rare, hoge stem. Ik ben er ook van overtuigd dat hij ’s nachts in mijn slaapkamer is geweest,’ voegde Rebecca eraan toe en ze huiverde. ‘Ik rook het parfum.’

‘Het spijt me, Miss Bradley. Ik weet dat Mrs. Trevathan zich heel schuldig voelt dat ze het zo ver heeft laten komen zonder in te grijpen. Normaal gesproken verschijnt het alter ego van Lord Astbury niet in het huis zelf. En Mrs. Trevathan wilde hem alleen maar beschermen.’

‘Tja, ze wist het in ieder geval de dag nadat ik Anthony in die slaapkamer had gezien. Ik was er volledig van overstuur. Ze heeft tegen me gelogen, dokter,’ herhaalde Rebecca.

‘Ik weet het, Miss Bradley, maar probeer haar te vergeven. Ze probeerde Lord Astbury te beschermen, want ze wist dat als hij inderdaad een terugval had, hij weer in de inrichting zou eindigen. En hij vond het daar verschrikkelijk.’

‘Dat begrijp ik wel, maar dat geeft Anthony of wie hij gisteravond dacht te zijn nog niet het recht om mij te bedwelmen, me te ontvoeren en me vast te binden in een huisje ergens in de rimboe!’ Rebecca bracht een hand naar haar voorhoofd. ‘Ik probeer te luisteren naar de redenen waarom ik dit gewoon moet vergeten, maar ik dacht oprecht dat ik het vannacht niet zou overleven!’

‘Ik begrijp dat u doodsbang was, Miss Bradley. Het spijt me zo. Ik voel me ook verantwoordelijk, want ik had eerder moeten zien dat het misging,’ zei dr. Trefusis. ‘Het zal u opluchten te weten dat Lord Astbury nu achter slot en grendel zit in een psychiatrische inrichting, waar hij de hulp krijgt die hij nodig heeft. En of u hiermee naar de politie gaat, die beslissing is geheel aan u. De kans is groot dat áls u aangifte doet, Lord Astbury op dezelfde plaats terechtkomt als waar hij nu is. Bovendien zullen de media ervan smullen.’

‘Daar ben ik me van bewust,’ zei Rebecca. ‘Hoelang blijft hij opgesloten?’

‘Tot zijn psychiaters beslissen dat hij weer stabiel is. Gegeven zijn huidige toestand denk ik dat dat nog vele maanden duurt, zo niet jaren. Misschien wordt hij wel nooit meer beter.’

‘Weet u, ik vond altijd dat Anthony iets kinderlijks had, ook als hij zichzelf was. Ik had ook het gevoel dat ik hem moest beschermen…’ Rebecca voelde de tranen in haar ogen springen. ‘Hij was zo’n lieve man, maar zoals hij gisteravond was… Mijn god, ik kan het gewoon niet beschrijven!’

‘Miss Bradley, probeer voor uw eigen bestwil en dat van Lord Astbury aan hem te blijven denken als de vriendelijke, intelligente man die u hebt leren kennen, en niet de verknipte persoon die u gisteravond zag. Hij heeft als kind zoveel moeten doorstaan, dat hij ons medeleven verdient. Hij heeft nooit de kans gekregen een normaal bestaan te leiden. En u kunt er zeker van zijn dat hij u niet meer zal lastigvallen.’

‘Dat begrijp ik. En ik heb inderdaad heel erg met hem te doen.’

‘Voor ik het vergeet, ik wil de mogelijke oorzaak van uw hoofdpijn met u bespreken.’ Dr. Trefusis haalde zijn papieren uit zijn dokterstas. ‘Zoals ik u vannacht al vertelde, de uitslagen van uw bloedtest waren allemaal negatief. Ze gaven alleen wel een iets verhoogd adrenalinegehalte aan. En ik vroeg me af, Miss Bradley, hebt u misschien last van hooikoorts?’

‘Inderdaad!’ Rebecca was verbaasd. ‘Ik heb er in de States altijd veel last van. Ik merkte wel dat mijn ogen jeukten en Mrs. Trevathan zei dat het een reactie op alsemambrosia kon zijn, wat hier vlakbij voorkomt.’

‘Precies. De volgende vraag: hebt u misschien kamillethee gedronken?’

‘Ja, Mrs. Trevathan zette die geregeld voor mij. Ze zei dat het mij hielp te ontspannen. Ik drink hier wel twee tot drie koppen per dag.’

‘Dan denk ik dat we de oorzaak van het probleem hebben gevonden,’ zei dr. Trefusis opgelucht. ‘Alsemambrosia en kamille komen van dezelfde plantenfamilie en een allergische reactie op beide kan soms een reactie in de bloedsomloop geven – zeker als de thee is gemaakt van een lokaal inheemse soort. Je krijgt dan symptomen zoals die u beschreef. Zware hoofdpijn en constante misselijkheid zijn de meest voorkomende. Ik neem aan dat dat de oorzaak is van uw probleem, Miss Bradley.’ Dr. Trefusis’ ogen glinsterden. ‘Als ik Mrs. Trevathan spreek, zal ik zeggen dat zij het was die u zonder het te weten vergiftigde.’ Hij sloot zijn tas en lachte naar haar. ‘Geen kamillethee meer en we zullen zien of uw symptomen minder worden. Ik heb nog wat slaaptabletten achtergelaten voor het geval u die nodig hebt en als u nog problemen ondervindt, ben ik natuurlijk altijd bereid om langs te komen.’

‘Dank u wel voor uw hulp, dokter,’ zei ze toen hij naar de deur liep. ‘Ik denk na over wat ik zal doen met de situatie rond Anthony.’

‘Natuurlijk. Tot ziens!’

Dr. Trefusis nam de lift naar de lobby.

‘Hoe gaat het met haar?’ vroeg Ari, die had lopen ijsberen in afwachting van de terugkomst van de arts.

‘Opvallend goed, gegeven de omstandigheden,’ zei hij. ‘Ze ziet er misschien kwetsbaar uit, maar ze is een taaie.’

‘Ik vind dat ze zich tot dusver ongelooflijk goed heeft gehouden,’ zei Ari. ‘Voor u gaat, dokter, zou ik heel graag nog iets aan u voorleggen.’

‘Waar gaat het over?’

Dr. Trefusis luisterde toen Ari het begon uit te leggen.

Ari zorgde ervoor dat Rebecca lunchte en stelde toen voor dat ze zou gaan rusten. Een uur later werd er op de deur geklopt. Ari deed open.

‘Hoe gaat het?’ vroeg James Waugh. ‘Mag ik binnenkomen?’

‘Natuurlijk,’ riep Rebecca. Ze lachte toen hij de zitkamer betrad.

‘O, goed!’ James sprong de kamer binnen en omhelsde haar.

‘Rebecca, je hebt bezoek, vind je het goed als ik een uurtje naar buiten ga?’ vroeg Ari.

‘Ja, dat is prima.’

‘Ik kom zo weer terug,’ zei hij, ‘en ik haal op de terugweg je koffer op bij Astbury Hall.’

‘Dank je wel, Ari.’

‘Je windt hem duidelijk om je vinger, schat,’ merkte James op toen Ari weg was. ‘Vertel me alles. Je kunt je voorstellen dat het op de filmset gonst van de geruchten over wat er vannacht nou precies met je is gebeurd. Ik heb verhalen gehoord dat je door Lord Astbury naar een of ander godverlaten huisje op de heide bent weggesleept.’

‘Van wie heb je dat gehoord?’

‘Wie weet waar het verhaal oorspronkelijk vandaan kwam, maar het zal toch zeker overdreven zijn? Toch?’

Dr. Trefusis had er terecht op gewezen. Het laatste wat Rebecca wilde was dat het verhaal de kranten zou halen. Het was het soort verhaal dat bleef rondzingen en waar ze voor altijd vragen over zou krijgen in talkshows. Ze wilde het gebeurde zo snel mogelijk vergeten en doorgaan met haar leven.

‘Hij vroeg me ten huwelijk en was er niet blij mee toen ik nee zei,’ zei Rebecca kort, met een spoor van ironie in haar stem.

‘Mijn hemel,’ zei James. Hij plofte neer op het bed en pakte wat druiven van de fruitschaal. ‘Die mannen komen op je af als vliegen! En hoe zit het met die knappe Indiër die je beschermer uithangt? Is hij ook een van je vrijers?’

‘Ari is geweldig geweest,’ zei Rebecca defensief. ‘Maar hij is alleen een vriend.’

‘Als jij het zegt,’ zei James en hij trok een gezicht. ‘Hoe dan ook, lieverd, het is goed dat je er weer een beetje uitziet als jezelf.’

‘Ja. Ik heb Steve al gezegd dat ik morgen wel weer met de opnames wil beginnen.’

‘Nou, ik vind het niet erg, hoor, als het wat langer duurt. Alle scènes die ik nog moet spelen zijn met jou, dus ik had lekker wat dagen vrij.’

‘Met de serveerster om je gezelschap te houden?’

‘Touché!’ James grinnikte. ‘Ze stalkt me nu en sluipt achter me aan rond het hotel. Ik denk dat ze baby’s van me wil. Helaas staan die voorlopig nog niet in mijn woordenboek. Ik laat je met rust, maar als je later zin hebt in een licht souper, dan houd ik je maar wat graag gezelschap.’

‘Dank je, James, maar ik denk dat ik op mijn kamer blijf en vroeg ga slapen,’ zei Rebecca.

Hij keek onderzoekend naar haar. ‘Zeg eens, waar sta ik eigenlijk in de rij van mannen die om jouw aandacht bedelen? Ik schuif toch zeker op, nu je ze allemaal afwijst.’

Rebecca gaf hem een vriendschappelijke por. ‘Jij bent een player, James. Ik weet dat je niet serieus bent.’

‘Nee, waarschijnlijk niet,’ gaf hij toe. ‘Ik hoop wel dat we contact houden als je teruggaat naar Amerika. Echt, Rebecca, ik heb van je gezelschap genoten. Het was leuk. Robert zei dat er echt een klik was tussen ons op het scherm. Je weet maar nooit, misschien worden wij wel de volgende Olivier en Leigh, of Brad en Angie. Goed, ik ga eens kijken of mijn serveerstertje me beneden een lekkere kop thee met veel melk wil serveren.’ James gaf haar een kus en stond op. ‘Tot gauw, lieverd.’

Toen Ari bij dr. Trefusis’ huis aankwam, nam hij hem mee naar de keuken.

‘Wilt u een kop thee? Ik stond net op het punt om water op te zetten.’

‘Graag.’

‘Ik heb, zoals u vroeg, de patiëntendossiers van mijn grootvader van het jaar 1922 doorgenomen en heb niets gevonden over de dood van een kind dat Moh Chavan of Prasad heette, op of rond de data die u opgaf.’

‘Tja,’ zei Ari met een zucht. ‘Dat verbaast me eerlijk gezegd niets.’

‘Ik begrijp niet goed wat er is gebeurd met uw familielid. U zei dat er een overlijdensakte voor hem was opgesteld?’ vroeg de dokter. Hij pakte twee mokken uit een kast.

‘Ja.’ Ari haalde de akte uit de plastic map. ‘U kunt zien dat hij is ondertekend door uw grootvader. Ik heb gezocht in de kerkelijke en gemeentelijke archieven hier, maar er is niets over te vinden.’

‘Wat vreemd.’ Dr. Trefusis boog zich over Ari’s schouder om de akte goed te bekijken. ‘Ja, dat is inderdaad de handtekening van mijn grootvader, maar hij had een kopie moeten opsturen om hem officieel te laten registreren.’

‘Ik heb alle archieven online geraadpleegd en er is geen spoor van te vinden,’ zei hij. ‘Bovendien heeft zijn moeder nooit geloofd dat Moh die dag is overleden.’

‘Echt?’ Dr. Trefusis reageerde verbaasd. ‘En? Was het inderdaad niet waar?’

‘Nee. Mabel Smerden kon bevestigen dat hij niet is gestorven. Ze weet zeker dat Moh die dag naar een weeshuis in Londen is gebracht.’

‘Door wie?’ vroeg dr. Trefusis. Hij ging tegenover Ari zitten.

‘Het spijt me, maar door uw grootvader.’

Ari verwachtte een defensieve reactie en was verbaasd toen de dokter alleen zijn ogen neersloeg.

‘Helaas verbaast me dat niet. Ik ken de omstandigheden rond de geboorte van uw familielid niet, maar ik kan bevestigen dat mijn grootvader een aantal jonge vrouwen die in de problemen waren gekomen heeft geholpen. Als de baby’s waren geboren, dan bracht hij ze in het geheim naar een aantal door de kerk geleide weeshuizen. U begrijpt toch zeker, Mr. Malik, dat de wereld in die dagen heel anders was dan nu.’

‘Dat dringt nu wel tot mij door, ja.’

‘Mijn grootvader was geen slechte man,’ zei de dokter. ‘Hij deed wat hij kon om te helpen. Ik kan u wel de namen van de weeshuizen geven die mijn grootvader gebruikte. Geen idee of ze nog bestaan, maar het is het proberen waard. Wacht even.’

Dr. Trefusis kwam even later terug met een dun leren boekje. ‘Dit is het boekje waarin mijn grootvader zijn medische contacten noteerde, met adressen en telefoonnummers van plaatselijke ziekenhuizen, namen van chirurgen en dergelijke. Achterin staan de adressen van drie weeshuizen. Slechts één ervan is in Londen. Zal ik het voor u noteren?’

‘Graag, al is het, zoals u al zei, maar de vraag of het nog bestaat.’ Ari zuchtte. ‘Ik heb ook geen idee of Moh zijn geboortenaam heeft behouden of niet, al weet ik wel precies op welke dag hij ernaartoe is gebracht. Het was de dag waarop Donald Astbury stierf.’

‘Is dat zo? Nou, u kunt het online opzoeken, denk ik,’ zei dr. Trefusis. ‘En als het niet lukt, kunt u altijd bij mij terugkomen om te zien wat ik kan doen om te helpen. Ik moet toegeven dat ik nu wel benieuwd ben naar de rest van het verhaal.’

‘U moet het Mabel Smerden vragen. Ze heeft me laten zweren dat ik het niet zou vertellen. Goed, ik zal u niet langer lastigvallen,’ zei Ari toen hij opstond. ‘Ik zal het u laten weten als ik erachter kom wat er met hem gebeurd is.’

‘Graag. Trouwens, hoe gaat het met onze patiënt?’

‘Heel goed, dank u,’ zei Ari, toen dr. Trefusis met hem meeliep naar de voordeur.

‘Ik moet toegeven dat ik erg van haar onder de indruk ben. Het verbaast me niets dat Lord Astbury dat ook was. U bent een gelukkig man, Mr. Malik.’ De dokter lachte naar hem. ‘Goedenavond.’

Onderweg terug naar Ashburton reed Ari de oprit van Astbury Hall op, zette zijn auto op de binnenplaats en ging op zoek naar Rebecca’s koffer. Het duurde even voor hij de struik vond waar Rebecca hem had achtergelaten, maar toen hij hem had gevonden, zette hij hem in de achterbak van zijn auto. Toen liep hij het huis in, en ging naar de zolder om afscheid te nemen van Mabel Smerden.

Ze lachte naar hem toen ze hem zag. ‘Hebt u misschien tijd om thee met mij te drinken?’ vroeg ze hem.

‘Nee, Mrs. Smerden, jammer genoeg niet. Ik kom afscheid nemen. Ik vertrek morgen naar Londen en ik heb dr. Trefusis vanmiddag gesproken. Hij gaf me de naam van een weeshuis in Londen, dus daar ga ik eens op onderzoek uit, als ik er ben.’

‘Heel goed. Laat u het me weten als u erachter komt wat er van hem geworden is?’

‘Dat zal ik doen, en bedankt voor uw vertrouwen.’

‘Ik ben blij dat de waarheid eindelijk boven tafel is gekomen. Mijn moeder, Tilly, vond Anahita een geweldige vrouw.’

‘Dat was ze ook,’ zei Ari trots.

‘O, voor ik het vergeet, ik heb dit voor u opgezocht.’ Mabel pakte een ingelijste foto van de tafel naast haar en gaf hem aan Ari. ‘Het is de foto van wijlen Lord Astbury, Anahita en Moh die mijn vader meenam uit het huisje aan de beek.’

Ari staarde verwonderd naar de drie mensen op de foto. Hun verhaal was nu ook zijn verhaal geworden; hij voelde het aan zijn botten. ‘Dank u wel, Mabel. Die zal ik mijn hele leven goed bewaren.’

Ari liep naar beneden om zijn spullen uit zijn kamer te halen. Hij bekeek Donalds dagboek nog eens goed en stopte het toen met de foto in zijn weekendtas. Anthony zou het nu niet meer nodig hebben en het hoorde ook bij zijn familiegeschiedenis.

Hij droeg zijn tas naar de hal, stond even stil onder de grote koepel en dacht aan Anahita en alles wat haar door de Astbury’s was aangedaan. Hij vroeg zich nog altijd af waarom Anahita het aan hem had toevertrouwd om het verhaal te ontdekken.

En toen hoorde hij het, eerst zachtjes, zo zacht dat hij dacht dat zijn oren tuitten. Maar toen, toen het gezang aan kracht won, werd het een puur, perfect geluid dat leek op te stijgen naar de enorme koepel boven hem, en werd hij vervuld door een vreemde, maar prachtige euforie.

Ari voelde tranen in zijn ogen opwellen, toen hij daar stond en omhoogkeek. Eindelijk begreep hij alles en wist hij dat Anahita veel meer dan alleen haar verhaal aan hem had overgedragen.