48
Ari keek uit het raam op het lommerrijke groen van de stadstuin die het victoriaanse gebouw omringde. Hij hoorde de stemmen van de kinderen die buiten speelden.
‘De administratrice, Miss Kent, kan u nu ontvangen,’ zei de receptioniste.
‘Dank u,’ zei Ari. Hij stond op en volgde de vrouw door de smalle gang. De kenmerkende geur van te lang gekookt eten herinnerde hem aan zijn eigen tijd op kostschool in Engeland. Hij werd binnengelaten in een klein, vol kantoortje, waar een onberispelijke, kleine vrouw van in de zestig achter een bureau zat.
‘Goedemiddag, Mr. Malik. Ik moet u zeggen dat dit heel ongebruikelijk is. Het is de bedoeling dat u contact opneemt met een officiële adoptieorganisatie, die ons dan benadert met de gegevens van uw voorouder.’
‘Neemt u me niet kwalijk, Miss Kent, maar om een aantal redenen – allereerst omdat ik de naam die hem gegeven is niet ken en ten tweede omdat ik zelf morgen naar India vertrek, heb ik mij direct tot u gewend.’
‘Ik begrijp het. Mag ik vragen hoelang geleden uw familielid in ons weeshuis is toegelaten?’
‘Negenentachtig jaar geleden. In 1922, om precies te zijn, op 22 augustus.’
‘Dat is tenminste heel precies,’ zei Miss Kent. ‘En hoe oud zou hij toen zijn geweest?’
‘Ongeveer drie. Hij was van gemengd ras, Engels-Indiaas. En hij had blauwe ogen. Hij is hier waarschijnlijk binnengebracht door dr. Trefusis, maar ik weet ook niet of hij zijn echte naam heeft gebruikt.’
‘U bent goed op de hoogte, Mr. Malik. Ik moet u wel waarschuwen dat het hoogst ongebruikelijk was dat een kind van die leeftijd, zeker van gemengd bloed, hier werd toegelaten. Vergeef me dat ik een wat ongepaste analogie gebruik, maar het is net als met pasgeboren puppy’s. Voor kleine baby’s werd eerder een nieuw huis gevonden dan voor oudere kinderen. En het is altijd het doel geweest van dit huis om een gezin te vinden voor de kinderen die aan onze zorg werden toevertrouwd. Het was destijds een harde wereld, Mr. Malik.’
Ari merkte dat deze vrouw er niet omheen draaide. ‘De familie was rijk, dus misschien is er geld geboden?’
‘Misschien.’
Ari zag dat Miss Kent hem scherp observeerde, terwijl ze de ongebruikelijke situatie voor zichzelf afwoog.
‘Goed, u hebt ervoor gekozen het systeem te omzeilen, Mr. Malik, maar ik kan u vertellen dat ons instituut toestemming heeft om na tachtig jaar gegevens uit de archieven vrij te geven aan familieleden. U begrijpt natuurlijk dat dit is omdat we aannemen dat de betreffende persoon dan al is overleden en er geen last meer van heeft dat zulke persoonlijke informatie wordt gedeeld. In andere instellingen wordt een norm van negentig of zelfs honderdtien jaar gehanteerd voordat dit soort archieven worden geopend. We leven tegenwoordig zoveel langer, ziet u.’
‘Het volstaat te zeggen dat het familielid naar wie ik zoek vrijwel zeker dood is, hoewel het nog maar de vraag is of hij als kind is overleden of slechts tien jaar geleden.’
‘Laten we dan eens beginnen met de datum die u mij hebt gegeven en zien wat er in de archieven te vinden is.’ Miss Kent pakte de telefoon en vroeg om de betreffende legger. Even later verscheen een jonge vrouw met een groot, in leer gebonden boek.
‘Dank je wel, Heather. Goed, laten we eens kijken.’
De spanning werd Ari bijna te veel toen ze door het boek bladerde, op zoek naar de juiste datum. Hij wist dat als dit op niets uitliep, hij geen andere mogelijkheden meer had.
‘Oké, hier is het, 22 augustus…’
Hij wachtte met ingehouden adem terwijl zij las wat er geschreven stond, in ieder geval blij dat er iets genoteerd was op de bladzijden.
‘Goed, er is een baby, een jongetje, binnengebracht om tien uur ’s avonds, door ene dr. Smith. Het kind was een vondeling, blijkbaar, en op de stoep van de dokter achtergelaten.’
‘Maar niet heus,’ mompelde Ari.
‘Mr. Malik…’ Miss Kent keek hem aan over haar bril. ‘Ik kan u verzekeren dat dit heel normaal gedrag was voor wanhopige vrouwen. Het was of de predikant of de plaatselijke dokter die zich van het kind mochten ontdoen. En zij deden hun uiterste best om te helpen.’
‘Natuurlijk.’
‘En u hebt gelijk.’ Miss Kent richtte haar aandacht weer op de legger. ‘Het kind had geen naam. Hij wordt hier beschreven als “met een Euraziatisch uiterlijk en blauwe ogen. Gezond, lijkt goed gevoed en omstreeks drie jaar oud. Geen opvallende kenmerken. Donatie”.’ Miss Kent keek over haar bril naar Ari. ‘Klinkt dit als het kind dat u zoekt?’
‘Ja.’ Ari voelde een golf van emotie door zich heen trekken, maar deed zijn best dat niet te laten zien.
‘Nog niet meteen juichen, Mr. Malik,’ zei Miss Kent met een zweem van een glimlach, ‘er is meer.’
‘Hebben ze hem een naam gegeven?’
‘Inderdaad.’
‘En…?’
‘Ze noemden hem Noah. Vraag me niet waarom, misschien was er die dag een overstroming in Londen. Kinderen hier zijn naar minder vernoemd en ik vind het nogal een opvallende naam.’
‘Zeker. En een achternaam?’
‘Adams. Ook al een echte Bijbelse naam. En weet u, dat zegt nogal wat…’
‘Noah Adams,’ herhaalde Ari. ‘Is hij hier lang gebleven?’
‘Geduld, Mr. Malik, ik kijk even iets na.’
Miss Kent was opgestaan en naar een archiefkast gelopen. Ze haalde er een dossier uit en bladerde erin. Toen wendde ze zich tot hem, zelf duidelijk geëmotioneerd.
‘Mijn hemel,’ zei ze.
‘Wat is er?’
‘Het schijnt dat hij een gewaardeerde curator en lid van ons bestuur is geworden, die ik heb gekend als dr. N. Adams.’
‘U kende hem?’
‘Ja. Hij was een geweldige man. Hij heeft zoveel voor het huis gedaan op het gebied van geld inzamelen en de omstandigheden van de kinderen verbeteren. Hij trok zich terug toen hij in de zeventig was vanwege een slechte gezondheid en is een paar jaar later overleden. Hij was een instituut hier, dat kan ik u wel zeggen.’
Ari haalde uit de plastic map de envelop die Anahita via haar advocaat had laten opsturen en haalde de inhoud eruit. ‘Kent u misschien de exacte datum waarop hij is overleden?’
Miss Kent keek weer in het dossier en haalde er een fotokopie van een necrologie uit. ‘Hier, deze heeft in The Times gestaan. We hebben hem bewaard, omdat erin staat dat hij bij ons in het bestuur zat.’
Ari pakte hem aan en las op welke datum Noah Adams was overleden. Toen vergeleek hij hem met de datum die Anahita tien jaar geleden had opgeschreven in haar zwakke, spichtige handschrift, vlak voor zijzelf was overleden.
‘O mijn god.’
De data waren gelijk.
‘Gaat het, Mr. Malik. U lijkt geschokt.’
‘Dat is ook zo, neem me niet kwalijk.’
‘Nou, het goede nieuws is dat u nu alles hebt wat u nodig hebt om meer over zijn leven te weten te komen, dankzij The Times. Het is echt heel vreemd,’ dacht Miss Kent hardop toen ze naar het kopieerapparaat liep. ‘Ik wist dat dr. Adams hier als kind gewoond had, maar ik had nooit een aanleiding om dat nader uit te zoeken. Ik was heel erg dol op hem – dat waren we allemaal. Alstublieft.’ Miss Kent overhandigde Ari de fotokopie van de necrologie.
‘Dank u.’ Ari keek naar de zwart-witfoto van een aantrekkelijke oudere man. En er bestond geen restje twijfel meer bij hem dat hij keek naar de kenmerken van zijn eigen bloedlijn. Hij was nog altijd in shock en probeerde zich te concentreren om te bedenken wat hij Miss Kent nog meer kon vragen om de gaten op te vullen die de necrologie niet invulde. ‘Was hij een aardige man?’
‘O ja. Hij bezocht de kinderen eenmaal per week, op woensdag en trakteerde dan op taart. Ze dronken dan samen thee en hij luisterde naar ze, Mr. Malik, in plaats van dat hij tegen ze sprak. En omdat wij een particuliere instelling zijn en niet door de overheid worden gesteund, deed dr. Adams alles wat hij kon om fondsen te werven en de faciliteiten hier te verbeteren. Hij stelde de slimmere kinderen in staat om te gaan studeren, net als hijzelf. Hij was een inspiratie voor hen.’
‘Mijn overgrootmoeder heeft nooit geloofd dat haar zoon was overleden, zoals haar verteld was. Weet u misschien of dr. Adams ooit heeft geprobeerd om zijn echte moeder te vinden?’
‘Dat weet ik niet, Mr. Malik, en helaas is de enige die dat misschien zou hebben geweten, zijn vrouw Samantha, een paar jaar geleden ook overleden.’
‘Hadden ze kinderen?’
‘Helaas niet. Dr. Adams zei altijd dat de kinderen hier zijn familie waren. Sterker nog, na de dood van zijn vrouw bleek dat ze alles wat ze bezaten aan het huis hebben nagelaten. Het heeft ons gered, Mr. Malik, dat kan ik u wel zeggen.’
‘Waren ze gelukkig getrouwd?’
‘Volgens mij was het echt een huwelijk uit liefde, en ze leken dol op elkaar als ze op bezoek kwamen. U kunt de details lezen in de necrologie.’
‘Natuurlijk. Dank u, Miss Kent, voor al uw hulp. Ik zal u nu niet langer ophouden.’
‘Geen probleem. Ik ben alleen maar blij dat ik kon helpen. Hier is mijn kaartje met mijn e-mailadres. Als u nog vragen hebt, aarzel niet contact met mij op te nemen.’
‘Dat zal ik zeker doen.’ Ari stopte het kaartje in zijn portefeuille en stond op. ‘Tot ziens, Miss Kent.’
Nadat hij zelf ook een donatie had gedaan, liep Ari het gebouw uit, het felle licht in van de julimiddag. Aan een kant van het gebouw was een speelplaats, waar enkele jonge kinderen in een zandbak zaten te spelen met schepjes en emmertjes. Ari hoorde ze lachen, zag de goed onderhouden tuin en het onberispelijke schilderwerk van het oude gebouw.
Dit was Mohs nalatenschap, dacht hij. Hij ging op een bankje zitten in de zon om de necrologie te lezen. Anahita zou zo trots zijn geweest op haar zoon, die blijkbaar de aanleg voor geneeskunde van zijn moeder had geërfd en de filantropische aard van zijn vader.
..
Dr. Noah Adams mb, bch (Oxon), frcog, obe
..
24 februari 2001
..
De eminente verloskundige dr. Noah Adams is opgegroeid in het Randall Instituut voor Vondelingen in Walthamstow, Oost-Londen. Ondanks een moeilijke jeugd won dr. Adams een beurs om in Oxford medicijnen te studeren. Zijn tijd daar werd onderbroken door de Tweede Wereldoorlog. Hij sloot zich aan bij het medische corps, waarmee hij in Frankrijk en later in Oost-Afrika diende. Toen hij in Oxford terugkeerde om zijn studie af te maken, trouwde hij met Samantha Marshall, een Britse verpleegster die hij in Frankrijk had ontmoet. Dr. Adams verhuisde naar Londen en werkte in het St. Thomasziekenhuis, waar hij de benodigde examens haalde om te worden toegelaten tot het Royal College of Surgeons. Zijn specialisatie was verloskunde en de zorg voor zwangere vrouwen in het bijzonder. Hij was een pionier in het onderzoek naar de oorzaken van pre-eclampsie, een levensbedreigende aandoening die de dood van de moeder en haar ongeboren kind tot gevolg kan hebben. Dr. Adams schreef veel belangwekkende artikelen over dit onderwerp en over zwangerschap in het algemeen. Dr. Adams was curator en bestuurslid van het kindertehuis waar hij was opgegroeid en zette zich onvermoeibaar in voor weeskinderen. Hij ontving een lintje van de koningin voor zijn liefdadigheidswerk en onderzoek naar verloskunde. Dr. Adams laat zijn weduwe na, Samantha.
Ari merkte pas dat hij huilde toen hij zag dat vochtige vlekken de letters op de fotokopie deden uitlopen. Hij veegde zijn tranen weg en zat in de zon te kijken naar de jonge kinderen die vrolijk speelden.
Toen pakte hij de overlijdensakte van Moh Chavan uit de plastic map, verscheurde hem en liet de snippers op de grond vallen om hem heen.
‘Ik heb hem gevonden, Anahita,’ fluisterde hij en hij keek omhoog.