1

Ik zal zolang ik leef precies weten waar ik was en wat ik deed toen ik hoorde dat mijn vader was overleden.

Ik zat in de mooie tuin van het Londense herenhuis van mijn oude schoolvriendin Jenny en koesterde me in de junizon, terwijl Jenny haar zoontje van de crèche haalde. Mijn boek, The Penelopiad, lag opengeslagen maar ongelezen op mijn schoot.

Ik voelde me rustig en bedacht dat het een goed idee was geweest om er even tussenuit te gaan. Ik bestudeerde net de knoppen van de clematis, die, aangemoedigd door een warme vroedvrouw, op het punt stonden van een weelderig kleurenboeket te bevallen, toen mijn telefoon ging. Ik keek op het schermpje. Het was Marina.

‘Hoi Ma, hoe gaat het?’ vroeg ik, en ik hoopte dat de zomerwarmte doorklonk in mijn stem.

‘Maia, ik…’

Marina zweeg, en ik wist dat er iets goed mis was. ‘Wat is er?’

‘Maia, het valt me zwaar om je dit te vertellen, maar je vader heeft gistermiddag hier thuis een hartaanval gehad, en hij is vanochtend vroeg… gestorven.’

Ik kon niets zeggen, er raasden duizenden idiote gedachten door mijn hoofd. De eerste was dat Marina om wat voor reden dan ook had besloten een misselijke grap met me uit te halen.

‘Ik vertel het jou als eerste van de zussen, Maia, omdat je de oudste bent. En ik wilde je vragen of je het zelf aan ze wilt vertellen of dat liever aan mij overlaat.’

‘Ik…’

Ik kon geen verstandig woord uitbrengen, ook niet toen ik me realiseerde dat Marina, die lieve, geliefde Marina, de vrouw die als een moeder voor me was, me nooit zoiets zou vertellen als het niet waar was. Dus moest het wel waar zijn. En op dat moment stond mijn wereld stil.

‘Maia, zeg alsjeblieft of het wel goed met je gaat. Ik heb nog nooit zo’n akelig telefoongesprek moeten voeren, maar wat moest ik anders? God weet hoe de andere meisjes hierop zullen reageren.’

Pas op dat moment hoorde ik het verdriet in háár stem en begreep ik dat ze niet alleen belde om me dit te vertellen, maar dat ze er ook behoefte aan had hierover met mij te praten. Dus stapte ik in mijn vertrouwde comfortzone, dat wil zeggen: anderen troosten.

‘Natuurlijk bel ik de zusjes als je dat liever wilt, Ma, hoewel ik niet precies weet waar ze op dit moment allemaal zitten. Was Ally niet ergens aan het trainen voor een regatta?’

En zo praatten we nog een tijdje door over waar elk van mijn jongere zussen kon uithangen, alsof we niet samen treurden over het verlies van mijn vader maar ze voor een verjaardagsfeestje

wilden uitnodigen. Dat gaf het gesprek een surrealistisch tintje.

‘Wanneer zullen we de begrafenis plannen? Nu Electra in Los Angeles zit en Ally ergens midden op zee zit, zal dat op zijn vroegst volgende week kunnen, denk je niet?’ vroeg ik.

‘Nou…’ Ik hoorde de aarzeling in Marina’s stem. ‘Misschien kunnen we dat het beste bespreken als je hierheen komt. Je hoeft je echt niet te haasten, Maia, dus als je liever je laatste vakantiedagen in Londen doorbrengt is dat prima. We kunnen hier toch niets meer voor hem doen…’ Haar stem stierf weg, ze werd overmand door verdriet.

‘Ma, natúúrlijk neem ik de eerste de beste vlucht naar Genève. Ik bel direct de luchtvaartmaatschappij en ga proberen iedereen te bereiken.’

‘Het spijt me zo verschrikkelijk, chérie,’ zei Marina verdrietig. ‘Ik weet dat je erg dol op hem was.’

‘Ja,’ zei ik, en ik besefte dat de merkwaardige kalmte tijdens ons gesprek over wat er allemaal geregeld moest worden, me plotseling in de steek liet, als de stilte vlak voor een hevige onweersbui. ‘Ik bel je zodra ik weet hoe laat ik aankom.’

‘Pas alsjeblieft goed op jezelf, Maia. Je hebt net een schokkend bericht gekregen.’

Ik hing op en voordat de onweerswolken in mijn hart zich zouden ontladen en me konden overspoelen ging ik naar boven om mijn reispapieren te pakken en de luchtvaartmaatschappij te bellen. Ik werd in de rij wachtenden gezet en wierp ondertussen een blik op het bed waaruit ik die ochtend was opgestaan met de gedachte: weer een heerlijke dag. Ik dankte God voor het feit dat de mens niet in de toekomst kan kijken.

De bureaucratische mevrouw die ik eindelijk aan de lijn kreeg was niet bepaald behulpzaam. Toen ze begon over volgeboekte vluchten, extra kosten en creditcardgegevens voelde ik dat mijn emotionele dam op doorbreken stond. Toen ze me eindelijk met tegenzin een plaats op de vlucht van vier uur had toegewezen – wat betekende dat ik direct al mijn spullen in mijn weekendtas zou moeten gooien en een taxi naar Heathrow moest nemen – ging ik op het bed zitten en bleef ik zó lang naar het behang staren dat het bloemetjespatroon in beweging kwam.

‘Hij is weg,’ fluisterde ik. ‘Voorgoed. Ik zie hem nooit meer.’

Ik had verwacht dat die woorden een stortvloed aan tranen teweeg zouden brengen, maar tot mijn verbazing gebeurde er niets. Ik zat daar maar, verdoofd, met mijn hoofd vol praktische zaken. Ik vond het vreselijk om alle vijf mijn zusters te moeten bellen en speurde mijn emotionele archief af om te bepalen wie ik het als eerste zou vertellen. Dat was onvermijdelijk Tiggy, de op een na jongste van ons zessen en het zusje met wie ik me altijd het meest verbonden had gevoeld.

Met trillende handen scrolde ik naar haar nummer. Toen ik haar voicemail kreeg kon ik alleen een paar warrige woorden uitbrengen, en de boodschap dat ze moest terugbellen. Tiggy werkte ergens in de Schotse Hooglanden in een centrum voor verweesde en zieke wilde herten.

En wat de andere zussen betrof, hun reacties zouden variëren van onverschilligheid tot emotionele uitbarsting.

Omdat ik geen idee had hoe ik er zelf emotioneel aan toe zou zijn als ik ze aan de lijn kreeg, koos ik de weg van de minste weerstand en stuurde ze een sms’je met het verzoek zo snel mogelijk contact op te nemen. Daarna propte ik snel mijn spullen in mijn weekendtas en haastte ik me de smalle trap naar de keuken af om een briefje met uitleg voor Jenny achter te laten.

Ik gokte erop dat ik in een stad als Londen een taxi zou kunnen aanhouden, en vertrok. Met stevige pas liep ik de lommerrijke halfronde laan in Chelsea door, zoals elk normaal mens dat op een doodgewone dag doet. Ik geloof dat ik zelfs nog hallo zei tegen een voorbijganger die zijn hond uitliet, en naar hem glimlachte.

Niemand zal aan mij kunnen zien wat me is overkomen, dacht ik toen ik in de taxi stapte die ik op de drukke King’s Road had kunnen bemachtigen en de chauffeur opdracht gaf naar Heathrow te rijden.

Niemand zal het zien.

Vijf uur later, toen de zon kalmpjes over het Meer van Genève neerdaalde, kwam ik aan bij onze privéaanlegsteiger, waarvandaan ik de laatste etappe van mijn reis naar huis zou afleggen.

Christian zat al in de slanke motorsloep op me te wachten. Aan zijn gezicht te zien had hij het nieuws al gehoord.

‘Hoe gaat het met u, Mademoiselle Maia?’ vroeg hij, toen hij me aan boord hielp. Zijn blauwe ogen straalden medeleven uit.

‘Ik… ik ben blij dat ik hier ben,’ was mijn neutrale reactie, terwijl ik doorliep naar de met roomkleurig leer beklede bank langs de achtersteven. Ik zat altijd voorin naast Christian als we tijdens het twintig minuten durende tochtje naar huis over het rustige water van het Meer van Genève raceten. Maar dit keer had ik behoefte aan privacy. Terwijl Christian de krachtige motor startte keek ik om me heen en zag het zonlicht schitteren in de ramen van de fantastische huizen langs het meer. Ik stelde me tijdens die vaartochtjes vaak voor dat ze toegang boden tot een onaardse wereld, ver van de alledaagse werkelijkheid.

De wereld van Pa Salt.

Ik voelde de eerste tranen in mijn ogen prikken toen ik aan mijn vaders bijnaam dacht, die ik als klein kind had verzonnen. Pa Salt was dol op zeilen, en als hij thuiskwam, naar ons huis aan de oever, rook hij vaak naar zee en buitenlucht. De bijnaam was blijven hangen, en toen mijn jongere zussen bij ons waren komen wonen gingen ze hem ook zo noemen.

Toen de boot snelheid maakte en ik de zwoele wind langs mijn haar voelde strijken, dacht ik aan de honderden tochtjes naar Atlantis, Pa’s sprookjeskasteel.

Atlantis was over land niet te bereiken, want het stond op een uitstekend stuk privégrond, en achter ons huis lag een steil, bergachtig terrein, zodat je er alleen per boot naartoe kon. De dichtstbijzijnde buren woonden kilometers verder weg, aan het meer, zodat Atlantis ons privékoninkrijkje vormde, afgezonderd van de rest van de wereld. Alles aan Atlantis was magisch, alsof Pa Salt en wij, zijn dochters, daar onder een betovering leefden.

Pa Salt had ieder van ons als baby uitgekozen, hij had ons uit alle vier de windstreken gehaald en mee naar huis genomen om daar onder zijn bescherming te wonen. En ieder van ons was bijzonder, zoals Pa graag zei, ieder van ons was ánders, we waren zíjn meisjes. Hij noemde ons naar de Zeven Zusters, zijn favoriete sterrengroep, waarvan Maia de eerste en oudste is.

Toen ik klein was nam hij me vaak mee naar het observatorium met de glazen koepel, boven op het huis. Dan tilde hij me met zijn grote, sterke handen op en mocht ik door zijn telescoop

naar de sterrenhemel kijken.

‘Daar heb je ’m,’ zei hij dan, als hij de lens had scherpgesteld. ‘Kijk, Maia, naar die prachtige, fonkelende ster ben jij genoemd.’

En ik zág de ster. Ik luisterde nauwelijks als hij vertelde over de mythe rond onze namen maar genoot van zijn stevige armen om me heen en was me intens bewust van dat zeldzame, bijzondere moment waarop ik Pa helemaal voor mezelf had.

Ik had Marina toen ik opgroeide altijd als mijn echte moeder beschouwd en haar naam zelfs tot Ma afgekort. Pas op latere leeftijd realiseerde ik me dat ze eigenlijk een veredeld kindermeisje was, door Pa in dienst genomen om voor me te zorgen omdat hij zo vaak van huis was. Maar natuurlijk was Marina voor ons allemaal veel meer dan een kindermeisje. Zij was degene die onze tranen afveegde, die ons een standje gaf vanwege onze tafelmanieren en ons kalmpjes door de lastige overgang van kind naar vrouw had geloodst.

Ma was er altijd, en ik had niet meer van haar kunnen houden als ze me zelf ter wereld had gebracht.

Tijdens de eerste drie jaar van mijn bestaan woonden Marina en ik met ons tweeën op ons sprookjeskasteel aan het Meer van Genève, terwijl Pa Salt de zeven zeeën bevoer om zaken te doen. Na die drie jaar kwamen mijn zusters een voor een bij ons wonen.

Als Pa thuiskwam nam hij altijd een cadeautje voor me mee. Zodra ik de boot hoorde rende ik langs de uitgestrekte gazons en boompartijen van het park naar de aanlegsteiger om hem te begroeten. Net als ieder kind wilde ik weten wat voor verrassing hij in zijn magische zakken had verstopt. Op een dag gaf hij me een fijn bewerkt houten beeldje van een rendier. Hij verzekerde me dat het in het atelier van de Kerstman zelf, op de Noordpool, was gemaakt. Maar achter hem dook een vrouw in uniform op, met een in een sjaal gewikkeld bundeltje in haar armen. En het bundeltje bewoog.

‘Maia, dit keer heb ik een heel bijzonder cadeau voor je meegebracht. Je hebt een zusje.’ Hij glimlachte toen hij me optilde. ‘Nu ben je niet langer alleen als ik weg moet.’

Vanaf dat moment veranderde mijn leven. Na een paar weken verdween de kraamvrouw die Pa had meegenomen en nam Marina de zorg voor mijn kleine zusje op zich. Ik begreep maar niet hoe dat rode, krijsende ding, dat vaak stonk en alle aandacht voor zich opeiste, een cadeau kon zijn. Tot Alcyone – ze was genoemd naar de tweede ster van de Zeven Zusters – op zekere ochtend tijdens het ontbijt vanaf haar kinderstoel naar me glimlachte.

‘Ze weet wie ik ben!’ zei ik verrast tegen Marina, die haar aan het voeren was.

‘Natuurlijk weet ze wie je bent, Maia, liefje. Jij bent haar grote zus, de zus tegen wie ze zal opkijken. Jíj bent degene die haar straks een hoop dingen moet leren die zij nog niet weet maar

jij wel.’

En toen Ally – want zo was ik haar gaan noemen – opgroeide werd ze mijn schaduw, volgde ze me overal, wat me evenveel irriteerde als het me plezier deed. Ze waggelde steevast achter me aan en eiste dan luidkeels: ‘Maia, wacht op mij.’

Ally mocht in het begin dan wel een ongewenste toevoeging aan mijn droombestaan op Atlantis zijn, ik had me geen liever en schattiger zusje kunnen wensen. Ze huilde maar zelden en vertoonde niet de driftbuien die je zo vaak bij peuters ziet. Met haar waterval aan roodgouden krullen en grote blauwe ogen bezat ze een natuurlijke charme, waarmee ze iedereen, ook haar vader, inpalmde. Als Pa Salt van een lange reis thuiskwam lichtten zijn ogen op als hij haar zag, en ik wist zeker dat ze dat bij mij niet deden. En terwijl ik verlegen was en me gereserveerd opstelde tegenover vreemden, was Ally open en vol vertrouwen, zodat ze iedereen voor zich innam.

Ally was ook zo’n kind dat in alles uitblonk, vooral in muziek, maar ook in elke sport die met water te maken had. Ik weet nog dat Pa haar in ons uitgestrekte zwembad leerde zwemmen. Terwijl ik de grootste moeite had om te blijven drijven en het vreselijk vond om onder water te zijn, gleed mijn zusje als een zeemeermin door het water. En terwijl ik zelfs op de grote Titan, Pa’s prachtige, oceaan­waardige jacht, nog geen zeebenen ontwikkelde, smeekte Ally hem om haar mee te nemen in de Laser, die permanent aan onze steiger lag aangemeerd. En terwijl ik tegen de krappe achtersteven weggedoken zat, hadden Pa en Ally de boot volledig onder controle als we over het glasheldere water raceten. Hun gemeenschappelijke passie voor zeilen schiep een sterke band die ik voor mijn gevoel nooit met hem zou kunnen hebben.

Hoewel Ally aan het Conservatoire de Musique de Genève had gestudeerd en een sterk getalenteerd fluitiste was, die een carrière bij een beroepsorkest had kunnen opbouwen, had ze gekozen voor een fulltimebestaan als zeiler. Ze deed regelmatig mee aan regatta’s en had Zwitserland bij een aantal wedstrijden vertegenwoordigd.

Toen Ally bijna drie was, kwam Pa thuis met het volgende zusje, dat hij Asterope doopte, naar de derde van de Zeven Zusters. ‘Maar we noemen haar Star,’ had Pa, glimlachend naar Marina, Ally en mij, gezegd, toen we de nieuwste aanwinst van de familie in haar mandwiegje bestudeerden.

Ik kreeg inmiddels elke ochtend les van een privéleraar, en daardoor was de komst van mijn nieuwe zusje minder ingrijpend dan die van Ally. En al een half jaar later kwam er nog een baby bij, een meisje van twaalf weken oud, genaamd Celaeno, wat door Ally onmiddellijk tot CeCe werd afgekort.

Star en CeCe scheelden maar drie maanden, en ik weet niet beter of die twee smeedden van meet af aan een hechte band. Ze waren praktisch een tweeling, brabbelden met elkaar in hun eigen babytaaltje, waarin ze zelfs nu nog af en toe met elkaar communiceren. Ze leefden in hun eigen wereldje en sloten ons, de andere zussen, uit. En zelfs nu ze twintigers waren was daar niets aan veranderd. CeCe, de jongste van de twee, was de baas. Met haar stevige lijf en notenbruine huid vormde ze een groot contrast met de bleke, graatmagere Star.

Het jaar daarop arriveerde er weer een baby, Taygete. Ik doopte haar direct om tot Tiggy, omdat haar korte, donkere sprieten haar naar alle kanten uit haar minuscule hoofdje staken, waardoor ze me deed denken aan de egel in het beroemde verhaal van Beatrix Potter.

Ik was inmiddels zeven jaar, en vanaf het moment dat ik Tiggy zag voelde ik een band met haar. Ze was het teerst gebouwd van ons allemaal en kreeg de ene kinderziekte na de andere, maar ze was als klein kind al stoïcijns en makkelijk. Nadat Pa een paar maanden later alweer met een baby’tje was thuisgekomen – dat Electra werd genoemd – vroeg de uitgeputte Marina me nogal eens om op Tiggy te passen, die vaak koorts of aanvallen van benauwdheid had. Toen uiteindelijk bleek dat Tiggy astma had, werd ze maar zelden in haar kinderwagen naar buiten gereden, uit angst dat de koude lucht en zware mist slecht zouden zijn voor haar borst.

Electra was mijn jongste zus, en die naam paste perfect bij haar. Ik was inmiddels gewend aan baby’s en hun claimgedrag, maar mijn jongste zusje spande op dat gebied de kroon. Ze was een en al elektriciteit. Dankzij haar aangeboren talent om van het ene op het andere moment van donker naar licht en vice versa te schakelen, werd ons voorheen zo rustige huishouden dagelijks opgeschrikt door schril gekrijs. Als ik terugdenk aan mijn jeugd hoor ik weer haar driftbuien; en haar temperamentvolle karakter werd er in de loop van de jaren niet milder op.

Als we het over Electra hadden gebruikten Ally, Tiggy en ik onder elkaar ons zelfverzonnen bijnaampje: ‘Tricky’. We liepen op eieren als we in haar buurt waren, doodsbenauwd dat we iets deden wat een razendsnelle stemmingswisseling zou veroorzaken. Er zijn eerlijk gezegd momenten geweest waarop ik haar haatte omdat ze ons leven op Atlantis ontwrichtte.

Maar zodra Electra wist dat een van ons in de problemen zat, was zij de eerste die hulp en steun bood. Haar empathie was even groot als haar ego.

Na Electra wachtte het hele huishouden op de komst van de Zevende Zuster. We waren tenslotte genoemd naar Pa Salts favoriete sterrengroep, dus zonder nummer zeven waren we niet compleet. We waren heel benieuwd naar haar en wisten zelfs hoe ze heette, Merope. Maar er ging een jaar voorbij, en nog een jaar, en nog een, en nog altijd had Pa geen baby mee naar huis genomen.

Ik herinner me nog levendig dat ik een keer samen met Pa in zijn observatorium stond. Ik was veertien en stond op het punt vrouw te worden. We wachtten op een zonsverduistering en hij had me verteld dat een eclips een keerpunt voor de mensheid betekende en meestal een verandering met zich meebracht.

‘Pa,’ vroeg ik, ‘neem je ooit nog eens ons zevende zusje mee naar huis?’

Zijn stevige, beschermende lijf leek een paar seconden te verstarren. Hij zag er plotseling uit alsof hij de last van de wereld op zijn schouders torste. Hij draaide zich niet om, omdat hij zich moest concentreren op het richten van de telescoop, maar ik voelde dat mijn vraag hem van zijn stuk had gebracht.

‘Nee, Maia, dat zal niet gebeuren. Omdat ik haar nooit heb gevonden.’

Toen de vertrouwde, dikke sparrenhaag in zicht kwam die ons huis aan het water tegen nieuwsgierige blikken beschermde, zag ik Marina op de steiger staan en begon de verschrikkelijke waarheid dat ik Pa kwijt was eindelijk tot me door te dringen.

En ik realiseerde me dat de man die het koninkrijk had gesticht waarin wij zijn prinsessen waren, er niet langer was om de betovering vast te houden.

Colofon

Uitgegeven door Xander Uitgevers bv

Hamerstraat 3, 1021 jt Amsterdam

..

www.xanderuitgevers.nl

..

Oorspronkelijke titel: The Midnight Rose

Oorspronkelijke uitgever: Pan Macmillan

Vertaling: Willemien Werkman

Omslagontwerp: zero-media.net, Munich

Belettering: Studio Marlies Visser

Omslagbeeld: FinePic

Auteursfoto: Lana Pinho

Verzorging ePub: Michiel Niesen, ZetProducties

..

Copyright © 2013 Lucinda Riley

Copyright © 2018 voor de Nederlandse taal:

Xander Uitgevers bv, Amsterdam

..

isbn 978 94 0160 996 8 | nur 302

..

De uitgever heeft getracht alle rechthebbenden te traceren. Mocht u desondanks menen rechten te kunnen uitoefenen, dan kunt u contact opnemen met de uitgever. Niets uit deze uitgave mag openbaar worden gemaakt door middel van druk, fotokopie, internet of op welke andere wijze ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.

Lees ook De zeven zussen – Storm, Ally’s verhaal

Storm.jpg

Na een traumatische ervaring op zee besluit Ally haar zeilcarrière de rug toe te keren en haar vaders aanwijzing te volgen. Het brengt haar naar Noorwegen, naar een verleden waarin muziek de hoofdrol speelt. Hoe meer Ally te weten komt, hoe meer vragen er ontstaan. Wat probeert haar vader haar duidelijk te maken?

..

‘Een zoektocht naar liefde en identiteit vol exotische locaties, glamour en mystiek. Heerlijk!’ – Margriet

Ontdek hoe het verdergaat met Star in De zeven zussen – Schaduw

Schaduw.jpg

Star D’Aplièse staat op een keerpunt in haar leven. Na de dood van haar vader heeft ze de opdracht gekregen op zoek te gaan naar haar afkomst. Een zoektocht die ze alleen moet aangaan, zonder haar zusje CeCe, met wie ze alles deelt. Als ze met lichte tegenzin toch naar Londen vertrekt, gaat er een wereld voor haar open. Zal Star in Londen eindelijk uit de schaduw van haar zusje kunnen stappen?

..

‘Leest als een trein.’ – Libelle

Maak kennis met CeCe in De zeven zussen – Parel

Parel.jpg

CeCe heeft altijd het gevoel gehad dat ze nergens echt bij hoorde. Na de dood van haar vader verlaat ze Londen in een poging haar verleden te ontrafelen. De enige aanwijzing die ze heeft is een zwart-witfoto en de naam van een vrouw die honderd jaar eerder in Australië leefde. Zal CeCe in de wildernis eindelijk haar geluk vinden?

..

De zeven zussen, Storm, Schaduw en Parel zijn nu overal verkrijgbaar

Reis met Tiggy naar Schotland en Spanje in De zeven zussen – Maan

Maan.jpg

Na de dood van haar vader vertrekt Tiggy naar de afgelegen bossen van Schotland om daar te doen wat ze het liefste doet: werken met dieren. Ze komt terecht op het landgoed van de intrigerende maar moeilijk te doorgronden Charlie Kinnaird. Op het landgoed leert Tiggy de oude Chilly kennen, die haar op het pad van haar verleden brengt. Dat pad voert haar naar het Spaanse Granada en de zigeunergemeenschap van Sacromonte. Wanneer het lot een onverwachte wending neemt, zal ze moeten beslissen of ze in Granada blijft, of teruggaat naar Kinnaird…

..

De zeven zussen – Maan verschijnt in januari 2019