6
Anahita
Mijn kind, ik weet het nog goed. Midden in de nacht was het kleinste zuchtje wind een welkome afwisseling voor de oneindige droge hitte van Jaipur. De andere dames en kinderen van de zenana en ik klommen vaak op het dak van het Moon Palace om daar te slapen.
Jaipur ligt op een vlakte, omringd door bruine woestijnheuvels. Als kind dacht ik dat ik wel op de mooiste plaats op aarde moest wonen, want de stad zelf was sprookjesachtig. De gebouwen waren geschilderd in het mooist denkbare roze. Overkoepelde huizen met verfijnd gesneden traliewerk en elegante, door pilaren gedragen veranda’s omzoomden de brede straten. En het Moon Palace lag natuurlijk op de allermooiste locatie – dat was een stad op zich, omringd door weelderige tuinen. Vanbinnen was het een labyrint, de geschulpte bogen gaven toegang tot binnenplaatsen die op hun beurt weer geheimen blootgaven.
De inwoners van Jaipur waren zelf ook kleurrijk; de mannen droegen kleurige tulbanden – geel, magenta, robijnrood. Ik keek soms omlaag naar hen vanaf een van de hoge terrassen die uitkeken over de stad en bedacht dan dat ze me herinnerden aan honderden felgekleurde mieren die zonder ophouden aan het werk waren.
In mijn paleis, in het midden van de magische stad, te midden van de hoogst geplaatsten in het land, was het gemakkelijk om mij een prinses te voelen, net als veel van mijn speelkameraden.
Dat was ik natuurlijk niet.
Tot mijn negende had ik tussen de mensen gewoond in de straten onder mij.
Mijn moeder, Tira, stamde van een lange lijn van baidh, de Indiase term voor wijze vrouwen en genezeressen. Vanaf dat ik heel jong was zat ik bij haar als de mensen uit de stad haar om raad kwamen vragen voor hun problemen. In haar achtertuintje kweekte ze allerlei zoet geurende kruiden, waarmee ze haar ayurvedische dranken mengde, en ik zag haar vaak de guggulu, manjishtha of gokhru vermalen op haar shil noda om een middel te bereiden. De klanten waren tevreden en gingen weg in het volste vertrouwen dat hun geliefde van hen hield of dat die lelijke tumor zou verdwijnen of dat ze binnen een maand een kind zouden verwekken.
Soms, als er een vrouwelijke klant naar het huis kwam, zei mijn moeder tegen de meid dat ze mij een paar uur mee uit wandelen moest nemen. Het begon mij op te vallen dat als zij dit vroeg de vrouw met een wit weggetrokken en angstig gezicht op de kussens in onze achterkamer zat.
Natuurlijk wist ik toen niet op welke manier mijn moeder deze vrouwen bijstond, maar nu weet ik dat wel. Ze hielp ze van een ongewenst kind af te komen.
Mijn kind, misschien denk je dat zo’n daad een zonde is in de ogen van de goden. Het gebeurde doorgaans omdat een vrouw al een stuk of zes kinderen had, of meer – het was in die tijd in India niet mogelijk om te voorkomen dat er kinderen kwamen – en de familie zo arm was dat ze niet nog een mond konden voeden. Aan de andere kant hielp ze moeders ook als een kind ter wereld moest komen. En toen ik groter werd, nam ze me mee om haar daarbij te helpen. Toen ik voor het eerst een baby geboren zag worden, hield ik mijn handen voor mijn ogen, ik geef het toe, maar zoals met alles, zeker als het de natuur is, wen je eraan en begin je het te zien als het wonder dat het is.
Soms reden mijn moeder en ik op de pony die mijn vader buiten de stad op stal had staan naar de dorpen buiten Jaipur. Toen begon ik te begrijpen dat niet iedereen in een roze sprookjesstad woont, met liefhebbende ouders en elke avond eten op tafel. Ik zag verschrikkelijke dingen tijdens deze bezoeken: armoede, ziekte, honger en de pijn waaraan mensen kunnen lijden. Ik leerde toen ik nog heel jong was dat het leven niet eerlijk is. Het was een les die ik nooit meer zou vergeten.
Mijn moeder was, net als alle hindoes, erg bijgelovig. Mijn vader plaagde haar dat zij daarin wel heel ver ging. Op een keer, toen ik zes jaar oud was, bereidden wij ons voor op een reis om familie te gaan bezoeken, driehonderd kilometer verderop, ter gelegenheid van Holi, een feest waarbij we zoveel mogelijk kleurig poeder naar elkaar gooien. Aan het eind van de dag is iedereen van top tot teen overdekt met alle tinten van de regenboog.
We verlieten het huis en begonnen langs de weg naar het station te lopen voor het eerste traject van de reis. Opeens vloog er een witte uil voor ons uit en mijn moeder stond abrupt stil, met een ontzette uitdrukking op haar gezicht.
‘We kunnen niet gaan,’ zei ze tegen mijn vader en mij. ‘We moeten terug.’
Mijn vader, die gewend was aan mijn moeders bijgeloof en zijn familie graag wilde bezoeken met Holi, glimlachte en schudde zijn hoofd. ‘Nee, mijn pyari, het was gewoon een prachtig dier dat ons voorbij vloog. Het betekent niets.’
Mijn moeder had echter al rechtsomkeert gemaakt en liep terug in de richting van ons huis. Ondanks protesten van mijn vader was ze niet op andere gedachten te brengen. Dat weekend zaten we dus thuis, mijn vader en ik mokkend omdat we dachten aan onze neven en nichten, ooms en tantes die honderden kilometers ver weg Holi vierden.
Een dag later hoorden we echter dat er overstromingen in het gebied waren geweest. En de trein die wij hadden moeten nemen was over een brug gereden die was ingestort onder het gewicht. De trein en zijn inzittenden waren in het woest stromende modderwater gestort. Honderd inwoners uit onze stad kwamen niet meer thuis.
Daarna begon zelfs mijn vader mijn moeders intuïtie serieuzer te nemen. Naarmate ik ouder werd, begon mijn moeder mij eenvoudige remedies te leren om een verkoudheid, een hoest of een gebroken hart te behandelen. Mij werd gezegd de maankalender in de gaten te houden – er waren in elke maand momenten die de middelen krachtiger maakten als ze dan werden gemengd. Ze vertelde me dat de maan vrouwen onze vrouwelijke kracht verleende. En hoe de natuur, die door de goden was geschapen om de mensen alles te verschaffen wat ze nodig hadden, de sterkste macht op aarde was.
‘Op een dag, Anni, zul je de geesten horen zingen,’ zei ze als ze me ’s avonds instopte. ‘Dan weten we zeker of de gave aan jou is doorgegeven.’
Op dat moment begreep ik niet wat ze zei, maar ik knikte toch instemmend. ‘Ja, Maaji,’ zei ik toen ze mij een nachtzoen gaf.
Ik wist dat de familie van mijn moeder vond dat ze beneden haar stand was getrouwd. Mijn moeder was in een hoge kaste geboren. Ze was een achternicht van de maharani van Jaipur, hoewel het mij altijd voorkwam dat iedereen die ik in India kende een nicht of een neef van ons was of van iemand die wij kenden. Ze was op tweejarige leeftijd beloofd aan een rijke neef in Bengalen, die vervolgens op zijn zestiende malaria kreeg en daaraan overleed. Terwijl haar ouders naar een geschikte partij voor haar zochten, ontmoette mijn moeder mijn vader op het Navratri-feest en ze begonnen een geheime relatie die volledig bestond uit gesmokkelde brieven.
Toen mijn grootouders haar vertelden dat ze een echtgenoot voor haar hadden gevonden, een oudere man van vijftig, uit een goede familie, die mijn moeder als derde vrouw wilde nemen, dreigde ze weg te lopen, tenzij ze haar toestonden mijn jonge en knappe vader te trouwen. Ik weet niet hoe ver mijn ouders gingen om elkaar te kunnen zien – de verhalen waren tegen de tijd dat ik geboren werd onderdeel geworden van hun eigen folklore – maar uiteindelijk vonden mijn grootouders het goed, zij het met tegenzin.
‘Ik zei tegen je grootouders dat ik hun dochter geen robijnen, parels of een paleis om in te wonen kon geven, maar dat ik haar altijd in liefde kon laten wonen,’ had mijn vader mij verteld. ‘En, mijn beti, denk eraan dat beminnen en bemind worden net zoveel waard is als alle schatten in het koninkrijk van een maharadja.’
Mijn vader, Kamalesh, was de tegenpool van mijn moeder. Hij was een filosoof, dichter en schrijver, die zijn ideologie ontleende aan Rabindranath Tagore, de beroemde brahmaanse dichter en activist. Hij verdiende slechts een schijntje met het uitbrengen van een maandelijks pamflet over zijn radicale gedachten, met name omtrent de Engelse bezetting van India. Hij had zichzelf uitstekend Engels geleerd en, wonderlijk genoeg, gegeven zijn politieke denkbeelden, financierde hij zijn geschriften door les te geven aan hooggeboren Indiërs die de taal wensten te leren om met hun Britse tegenhangers te kunnen praten.
Hij leerde ook mij, zijn dochter, niet alleen Engels, maar een hele reeks vakken, van geschiedenis tot natuurwetenschappen. Andere Indiase meisjes leerden borduren en de gebeden die nodig waren om aan Shiva te kunnen offeren als je een goede en liefhebbende echtgenoot zocht, maar ik las Over de oorsprong der soorten van Charles Darwin en leerde wiskunde. Ik kon toen ik acht was ook zonder zadel paardrijden en racete over de woestijnvlakten buiten de stad terwijl mijn vader mij aanspoorde sneller en sneller te gaan en hem in te halen. Ik was dol op mijn vader, zoals alle kleine meisjes, en deed mijn uiterste best om bij hem in de smaak te vallen.
En zo groeide ik op tussen mijn vader, de radicaal, die over alles logisch nadacht, en mijn moeder, die eens een vleermuis zag in de slaapkamer die ze met mijn vader deelde en een ojha naar het huis liet komen om de kwade geesten eruit te verjagen, met een bijzonder gevarieerd wereldbeeld. Er zat veel van hen allebei in mij, maar ook iets wat uitsluitend van mij was.
Op een keer, toen mijn vader mij op zijn knie nam en troostte nadat ik had gezien hoe een groep jongens een uitgemergelde hond op straat sloegen, lichtte hij mijn kin op zodat ik hem aankeek terwijl hij mijn tranen wegveegde.
‘Mijn lieve Anni, je bloedend hart klopt luider dan honderd tabla bij elkaar. Net als je vader verafschuw je onrecht en houd je van eerlijkheid. Wees wel voorzichtig, Anni, want mensen zijn ingewikkelde wezens en hun ziel is vaak grijs, niet zwart of wit. Waar je goedheid denkt te vinden, vind je misschien ook kwaad. En waar je alleen maar kwaad ziet, is misschien ook iets goeds te vinden.’
Toen ik negen was, stierf mijn vader plotseling tijdens een tyfusepidemie die onze stad in het moessonseizoen teisterde. Zelfs de drankjes van mijn moeder konden hem niet redden.
‘Het was zijn tijd, pyari, en ik wist het,’ zei mijn moeder.
Ik had er moeite mee haar rustige acceptatie van mijn vaders dood te begrijpen. Ik jammerde als een banshee bij zijn levenloze lichaam, maar zij zat rustig en stil bij hem zonder een traan te laten.
‘Anni, als het je tijd is en je wordt geroepen, dan moet je gaan,’ troostte ze mij. ‘Er zit niets anders op.’
Haar reactie beviel me niets. Ik schopte en sloeg om me heen en schreeuwde en weigerde mijn vader los te laten toen zijn lichaam op de brandstapel werd getild. Ik herinner me dat ik met geweld werd weggesleept toen de swami begon te zingen en ze het strobed onder hem in brand staken. Toen een zure rook omhoog kringelde, wendde ik mij af en verborg mij in mijn moeders rokken.
Na de dood van mijn vader hadden we nauwelijks inkomen. De maharani van Jaipur, een nicht van mijn moeder, bood ons onderdak aan bij haar. En dus verhuisden we met zijn tweeën uit ons lieve kleine huisje in de stad naar het Moon Palace, in de zenana.
In de zenana woonden alle vrouwen van het paleis bij elkaar, gescheiden van de mannen. Want in die tijd volgden alle vrouwen, vanaf het moment dat de puberteit begon, de traditie van de purdah. Geen enkele man, behalve de echtgenoot of naaste mannelijke verwanten, mocht ons gezicht zien. Zelfs als een van ons ziek was, moest de dokter een diagnose stellen van achter een scherm. En als we onder de mensen waren moesten ons gezicht en ons lichaam zwaar gesluierd zijn. Ik heb er nu moeite mee dat dat toen zo was, maar geen van ons wist beter en het was gewoon een onderdeel van ons leven.
Toen ik er net was aangekomen, moest ik wennen aan het lawaai en de drukte van de zenana. In ons huis hadden we een meid en een jongen die de tuin voor ons onderhield. Als zij aan het eind van de dag vertrokken, waren we met zijn drieën en we hadden een voordeur die we konden dichtdoen om de wereld buiten te houden, als we dat wilden. Het leven in het paleis was heel anders. We leefden, aten en sliepen met elkaar. Soms verlangde ik naar de rust en de privacy van mijn oude huis, waar ik mijn slaapkamerdeur kon sluiten en mijzelf kon verliezen in een boek zonder gestoord te worden.
Het gemeenschappelijke leven had echter ook zijn voordelen. Ik zat nooit om een speelkameraad verlegen, want er waren veel meisjes van mijn leeftijd in de zenana. Er was altijd wel iemand die een potje backgammon met mij wilde spelen of mij op de veena, een snaarinstrument, wilde begeleiden als ik zong.
Mijn vriendinnetjes waren allemaal beleefde, goedgemanierde dochters van de plaatselijke adel. Het enige wat ik echt vreselijk miste, waren mijn lessen. Pas nadat ik in de zenana was komen wonen, besefte ik hoe progressief mijn vader was geweest door mij te onderwijzen.
Hij had mij de bijnaam ‘Anni’ gegeven; mijn echte naam, Anahita, betekent ‘vol gratie’. Ik had misschien een goed verstand (en ik versloeg al mijn leeftijdgenoten in een race te paard), maar als het om meisjesdingen ging, voelde ik mij onderbedeeld. Ik keek vaak toe in de zenana als de andere vrouwen elkaar mooi maakten en voor de spiegel stonden te draaien. Ze deden er uren over om de juiste kleur lijfje te kiezen bij een rok – traditionele sari’s werden in de provincie Rajasthan niet gedragen.
Alle prinsessen en veel van hun nobele nichtjes waren al beloofd aan een man die hun familie geschikt vond. Ik kwam weliswaar uit een hoge kaste, maar uit een arme familie. Mijn vader had nauwelijks materiële bezittingen nagelaten en ik was me ervan bewust dat mijn moeder mij geen bruidsschat kon geven. Ik was voor geen enkele man een ‘goede partij’ en mijn moeder zocht nog altijd de familiestamboom af naar iemand die mij zou willen trouwen. Ik was hierover niet teleurgesteld of bezorgd; ik dacht alleen aan mijn vaders woorden tegen de familie van mijn moeder toen hij ze had gevraagd of hij hun dochter mocht trouwen.
Ik wilde liefde vinden.
Toen ik elf was en meer dan een jaar in de zenana was verbleven, begonnen mijn vroegere opleiding en mijn vaardigheden te paard vruchten af te werpen. Ik werd door de maharani uitgekozen om haar oudste dochter, prinses Jameera, gezelschap te houden.
Ook al gaf het feit dat ik de prinses gezelschap hield mij nieuwe privileges en opende het deuren tot nieuwe, opwindende activiteiten, zoals met haar meegaan naar jachtpartijen en toegang tot delen van het paleis die voorheen verboden voor mij waren, herinner ik mij dit niet als een gelukkige periode.
Jameera was verwend en moeilijk. Als we een spel speelden en zij verloor, rende ze in tranen naar haar moeder en beschuldigde ze mij ervan dat ik vals had gespeeld. Als ik in het Engels tegen haar sprak, zoals haar moeder mij had gevraagd te doen, legde ze haar handen over haar oren en weigerde ze te luisteren. En als ik het ook maar waagde om op de buitenrit die wij elke ochtend te paard maakten sneller te zijn dan zij, brulde ze van woede en negeerde ze mij de rest van de dag.
We wisten allebei wat het probleem was. Ook al was zij de prinses, ik was gezegend met bepaalde natuurlijke talenten en vaardigheden die zij miste. En wat erger was, hoewel ik niet de neiging had om mijzelf mooi te maken en op te dirken, kreeg ik van iedereen complimenten over mijn slanke figuur en goede bottenstructuur. En Jameera bezat geen van beiden.
‘Maaji,’ huilde ik dan in mijn moeders armen als ze mijn tranen wegveegde. ‘Jameera haat me!’
‘Ze is inderdaad een moeilijk meisje. Daar kunnen we niets aan doen, nietwaar, pyari? We kunnen toch niet tegen haar moeder, de maharani zelf, zeggen dat je een hekel hebt aan haar oudste dochter? Je moet je best doen,’ zei mijn moeder. ‘Je moet je vereerd voelen dat je door haar bent uitverkoren en ik weet zeker dat je daar op een dag de vruchten van plukt.’
Zoals altijd had mijn moeder gelijk. In 1911 heerste er grote opwinding in India in de verschillende prinsdommen. Edward vii, keizer van India, was het jaar daarvoor overleden. Zijn zoon, George v, was koning geworden en zijn formele kroning zou in juni in Engeland plaatsvinden. Daarna, in december, zou er een grote Coronation Durbar worden gehouden in Delhi, waarvoor alle prinsen van India waren uitgenodigd. Als gezelschapsdame van prinses Jameera behoorde ik tot de enorme entourage die de maharadja van Jaipur – haar vader – zou meenemen.
Mijn moeder was in alle staten van opwinding. ‘Anni,’ zei ze en ze nam mijn gezicht in haar handen en keek mij aan, ‘toen jij werd geboren, consulteerde ik, volgens de traditie, een astroloog om je levenspad te voorspellen. En weet je wat hij zei?’
Ik schudde mijn hoofd. ‘Nee, Maaji, wat zei hij?’
‘Hij zei dat als je elf jaar oud was jou iets buitengewoons zou overkomen. Je zou iemand ontmoeten die je levensloop zou veranderen.’
‘Dat is inderdaad ongelooflijk,’ antwoordde ik vol ontzag.
Pas nu, nu ik dit schrijf, kan ik terugkijken en zien dat de astroloog gelijk had.