7

Het zou gewoon onmogelijk zijn om de pracht en praal van de Coronation Durbar in woorden te beschrijven. Toen we de vlakten naderden waarop Coronation Park – het tentendorp net buiten Delhi – was opgericht, voelde het alsof heel India op weg was naar dezelfde bestemming.

Toen Jameera, de jongere prinsessen en ik in onze purdah-howdah, op de rug van een van de grote olifanten in de karavaan van de maharani zaten, tuurden we door de gordijntjes naar buiten om een glimp van de buitenwereld op te vangen. De stoffige wegen waren verstopt met elke denkbare vorm van vervoer: fietsen, karren volgeladen met bezittingen en getrokken door ossen die glommen van het zweet, auto’s en olifanten die allemaal ruimte opeisten op de weg. Rijk en arm, iedereen was onderweg naar Coronation Park.

Elk van de maharadja’s had zijn eigen tentenkamp, ieder een dorp op zich, compleet met water en elektriciteit. Toen we in ons kamp aankwamen, keek ik vol ontzag naar de rijk ingerichte vrouwenverblijven.

‘Er is zelfs een bad!’ riep ik naar Jameera. Ik verbaasde me over de moderne wonderen die alles wat we maar nodig hadden konden voortbrengen.

Jameera was minder onder de indruk. Het was een lange reis geweest en ze kon daar niet zo goed tegen.

‘Waar is mijn puja-doos?’ blafte ze naar de meiden die de eindeloze rij koffers uitpakten die ze vanuit het paleis hadden meegenomen voor de koninklijke vrouwen. ‘Deze lakens zijn ruw,’ zei ze mokkend toen ze met haar dikke vingertjes aan het beddengoed voelde. ‘Ik wil andere!’

Ik liet me niet van mijn stuk brengen door het slechte humeur van Jameera. Toen ik de meiden had geholpen met uitpakken en Jameera goed en wel in de badkamer was en verzorgd werd, ging ik op onderzoek uit. Buiten, in de onberispelijke, prachtige tuin die rond ons kamp lag, verlichtten de lampen van het reusachtige park de nachtelijke hemel. In de verte zag ik opeens vuurwerk uiteenspatten, dansende derwisjen in allerlei kleuren – de zurige rook ervan mengde zich met de geur van wierook die zwaar in de lucht hing. Ik hoorde ver weg olifanten trompetteren en het geluid van sitars.

Even voelde ik een moment van pure, onvermengde vreugde. Alle prinsdommen in India waren op deze plaats verzameld. Te midden van de vele duizenden mensen die het park bevolkten waren de meest eerbiedwaardige, machtigste en geleerdste van het land. En ik, Anahita Chavan, was een van hen.

Ik richtte mijn blik omhoog, naar de hemel, en sprak tegen mijn vader.

‘Ik ben hier, vader, ik ben hier,’ vertelde ik hem trots.

Het spreekt vanzelf dat als je de grootsten in het land zo dicht bij elkaar brengt, er een soort competitie ontstaat. Elke maharadja wilde dat zijn kamp het rijkst was ingericht of dat hij een grotere hofhouding of meer olifanten had dan zijn buren. De feesten en diners die elke prins gaf waren steeds groter en uitgebreider dan de voorgaande. Met de robijnen, diamanten, smaragden en parels waarmee de grote vorsten en hun vrouwen zichzelf behingen, zouden ze de rest van de wereld hebben kunnen kopen, bedacht ik toen ik mij haastte om Jameera aan te kleden voor het eerste banket dat haar moeder en vader zouden houden in ons kamp. Iedereen verkeerde in een staat van grote opwinding.

‘Er komen vanavond achttien prinsen en hun maharani’s!’ zei Jameera terwijl ze een gouden armband over haar mollige knokkels aan haar pols probeerde te schuiven. ‘Maaji zei dat de vader van de prins aan wie ik ben beloofd er ook is. Je moet me helpen, ik moet er op mijn mooist uitzien.’

‘Natuurlijk,’ stemde ik in.

Uiteindelijk vertrokken de vier vrouwen van de maharadja met hun belangrijkste hofdames en gingen achter een purdah-scherm zitten om naar hun mannen en hun mannelijke gasten te kijken tijdens de grote receptie voor het banket. We slaakten een zucht van verlichting dat iedereen in een goed humeur was vertrokken en bereidden ons in onze zenanavertrekken voor op de komst van de vrouwen en kinderen die met ons zouden dineren, apart van de mannen.

Later die avond werd het receptiegedeelte van onze tenten overspoeld door vrouwelijke gasten en hun kroost. Ik keek verwonderd toe hoe de vrouwen van de bezoekende maharadja’s werden begroet door onze eigen maharani’s. Voor een elfjarig kind waren deze vrouwen sprookjesachtig: geolied, heerlijk ruikend en met verfijnde hennatatoeages, met parels zo groot als eieren om hun hals, glinsterende hoofdtooien bezet met robijnen en smaragden, en kostbare diamanten neusringen. Hun kinderen waren al net zo schitterend aangekleed – jongens en meisjes zo jong als drie jaar droegen gouden, met juwelen bezette enkelbanden en verfijnde, onberispelijk vervaardigde halskettingen.

Ik herinner me dat al dat moois mij imponeerde, maar me ook verwarde. Ik werd erdoor getroffen dat er zoveel rijkdom in één ruimte kon zijn, die door de eigenaren als vanzelfsprekend werd ervaren, terwijl ik in ons land zoveel armoede en honger had gezien.

Toch kon ik niet helpen dat ik onder de indruk was van het spektakel.

Op deze bijeenkomst zou de voorspelling van mijn geboorteastroloog uitkomen. Misschien ben je je niet bewust van een doorslaggevend moment in je leven. Die momenten gaan doorgaans niet gepaard met trompetgeschal.

Ik zat rustig in een hoekje van de ontvangstruimte van de zenana naar alle pracht en praal om me heen te kijken. Ik verveelde me en had het warm, dus ik stond op en liep stiekem naar een opening in de tent voor wat frisse lucht. Ik trok de flap opzij en keek naar buiten, terwijl een zachte bries mijn gezicht streelde. Ik herinner me dat ik naar de onmetelijke sterrenhemel keek toen ik naast me een stem hoorde.

‘Verveel je je?’

Ik draaide me om en zag een meisje naast me staan. Ik zag aan de snoeren parels die in rijen om haar hals lagen en de kleine, glinsterende hoofdtooi op haar dikke, golvende haar dat dit een rijk en invloedrijk kind was.

‘Nee, natuurlijk niet,’ zei ik snel.

‘Jawel! Ik zie het, want ik verveel me ook.’

Verlegen zocht ik haar ogen. We keken elkaar een paar seconden aan, alsof we elkaars innerlijke blauwdruk lazen.

‘Zullen we naar buiten gaan en de boel verkennen?’ vroeg ze.

‘Dat mag niet!’ zei ik geschrokken.

‘Waarom niet? Er zijn hier zoveel vrouwen, niemand merkt het.’ Haar buitengewone lichtbruine ogen, waarvan de irissen amberkleurig gevlekt waren, keken me uitdagend aan.

Ik ademde diep in, want ik wist wat er zwaaide als iemand zou ontdekken dat ik er niet was. Tegen beter weten in, knikte ik en stemde toe.

‘We moeten in het donker blijven, anders zien ze ons,’ fluisterde ze. ‘Kom!’

Toen pakte ze mijn hand.

Ik weet nog hoe haar lange, slanke vingers de mijne pakten. Ik keek haar in de ogen en zag de glinstering van ondeugd die daar flakkerde. Mijn vingers sloten zich rond de hare en onze handpalmen raakten elkaar.

Buiten wees mijn nieuwe vriendin naar de andere kant van het kamp. ‘Zie je? Daar zitten alle maharadja’s te eten.’

De omgeving van de centrale durbartent was verlicht met duizenden kaarsen in glazen houders die de donkere vormen van de bomen en planten in de exotische tuinen verlichtten.

Ik werd ernaartoe getrokken; het zachte gras kriebelde aan de zolen van mijn blote voeten. Zij leek precies te weten waar we naartoe moesten en al snel waren we bij de reusachtige tent. Ze schoot razendsnel langs een zijde ervan en verdween weer in de schaduw, waar niemand ons kon zien. Toen knielde ze en trok het zware canvas omhoog. Ze boog zich naar voren en keek door het kleine gat.

‘Wees alsjeblieft voorzichtig. Straks ziet iemand je,’ smeekte ik.

‘Niemand kijkt toch naar de grond,’ grinnikte ze toen ze het canvas verder omhoogtrok. ‘Kom, ik wijs je mijn vader aan. Ik vind hem de knapste van alle maharadja’s.’

Het meisje schoof iets op, zodat ik naast haar kon gaan zitten; ik pakte het dikke canvas en keek door het kijkgat.

Binnen zag ik een heleboel grote mannenvoeten vol sieraden, en niets anders. Ik wilde mijn nieuwe vriendin echter niet teleurstellen.

‘Ja!’ zei ik. ‘Wat een spektakel!’

‘Als je naar links kijkt, zie je mijn vader.’

‘Ja, ja,’ zei ik, maar ik zag alleen een rij enkels. ‘Ik zie hem.’

‘Hij is knapper dan jouw vader!’ Haar ogen glinsterden.

Ik begreep dat dit meisje dacht dat ik ook een prinses was, en dat de maharadja van Jaipur mijn vader was. Verdrietig schudde ik mijn hoofd.

‘Mijn vader is dood. Hij is hier niet.’

Weer werd er een warme bruine hand op de mijne gelegd. ‘Dat spijt me.’

‘Dank je.’

‘Hoe heet je?’ vroeg ze mij.

‘Mijn naam is Anahita, maar iedereen noemt me Anni.’

‘En ik ben Indira, maar ze noemen mij thuis Indy.’ Ze glimlachte. Op dat moment lag Indira plat op haar buik en ondersteunde haar hoofd met haar handen. ‘Wie ben jij dan?’ vroeg ze. Haar glinsterende ogen onderzochten me nieuwsgierig, als een tijgerin. ‘Je bent veel mooier dan de andere prinsessen uit Jaipur.’

‘O nee, ik ben niet een van de prinsessen,’ corrigeerde ik haar. ‘Mijn moeder is de achternicht van de maharani van Jaipur. Mijn vader is twee jaar geleden overleden en nu wonen wij in het Moon Palace, in de zenana.’

Ze trok haar wenkbrauwen op. ‘Jammer genoeg voor mij, ben ik wél een prinses. Ik ben de jongste dochter van de maharadja van Cooch Behar.’

‘Vind je het niet leuk om een prinses te zijn?’ vroeg ik.

‘Niet echt, nee.’ Plotseling rolde Indira sierlijk op haar rug, legde haar handen onder haar hoofd en keek omhoog naar de sterren. ‘Ik denk dat ik liever een tijgertemmer in een circus zou zijn.’

Ik giechelde.

‘Niet lachen,’ waarschuwde ze mij. ‘Ik meen het. Ma zegt dat ik een heel slechte prinses ben. Ik word altijd vies en werk mezelf in de nesten. Ze denkt erover om mij naar een kostschool in Engeland te sturen om mij manieren te leren. Ik zei dat ik zou weglopen als ze dat zou doen.’

‘Waarom? Ik zou Engeland maar wat graag zien. Ik ben nog nooit ergens geweest,’ zei ik verlangend.

‘Wees blij. Wij zijn altijd onderweg. Ma houdt erg van gezelschap, weet je, en ze sleept ons overal mee naartoe, hier en in Europa. Ik wilde dat ik thuis kon blijven in ons mooie paleis en voor onze dieren zorgen. Als ik geen tijgertrainer kan worden, dan wil ik een mahout zijn en met een olifant leven. Je zou Engeland vreselijk vinden. Het is er grijs en koud en mistig en iedereen in mijn familie wordt er altijd vreselijk verkouden, zeker Pa.’ Indira zuchtte. ‘Ik maak me echt zorgen om zijn gezondheid. Spreek jij eigenlijk Engels?’ vroeg ze mij.

Ik begon te beseffen dat haar gedachten voortdurend heen en weer sprongen, als vlinders, van het ene onderwerp naar het andere. ‘Ja.’

Indira kwam onmiddellijk overeind, zat op haar knieën en stak haar hand naar mij uit. ‘How do you do?’ zei ze in een perfecte parodie van een afgemeten Engels accent. ‘I’m awfully pleased to meet you.’

Ik stak mijn hand uit en onze palmen raakten elkaar weer. ‘The pleasure is all mine,’ antwoordde ik en we keken elkaar aan. We bleven elkaars handen schudden. Daarna lagen we allebei op het gras te schudden van het lachen. Toen we weer tot onszelf kwamen, besefte ik dat we terug naar de zenana moesten voor iemand ons miste. Ik stond op.

‘Waar ga je naartoe?’ vroeg ze.

‘Terug naar onze tent. Er zwaait iets voor ons als ze erachter komen dat we weg zijn.’

‘O,’ antwoordde Indira luchtig. ‘Daar ben ik wel aan gewend. Ik denk eigenlijk dat ze het van me verwachten dat ik niet doe wat ze zeggen.’

Ik wilde zeggen dat het voor mij, omdat ik geen prinses was, maar mijn onderdak en eten moest verdienen als gezelschapsdame van een prinses, niet zo voor de hand lag dat ze het door de vingers zouden zien.

‘Nog vijf minuten dan?’ smeekte ze. ‘Het is zo warm en zo vervelend in die tent. Vertel eens,’ vervolgde ze. ‘Aan wie word jij uitgehuwelijkt?’

‘Dat is nog niet geregeld,’ antwoordde ik onverstoorbaar.

‘Nogmaals, wees blij. Ik heb mijn toekomstige echtgenoot een paar dagen geleden hier ontmoet en hij is oud en lelijk.’

‘En je gaat met hem trouwen? Ook al is hij oud en lelijk?’

‘Nooit van mijn leven! Ik wil een knappe prins vinden die van mij houdt en het goed vindt dat ik tijgers heb,’ zei ze met een lach.

‘Ik wil ook mijn eigen prins vinden,’ zei ik zacht.

Daar zaten we dan, twee kleine meisjes die naar de sterren staarden en droomden van een knappe prins. Sommige mensen zeggen dat ze graag in de toekomst zouden willen kijken. Als ik echter terugdenk aan dat moment van pure kinderlijke onschuld, toen Indira en ik op het gras lagen, met ons hele leven nog voor ons, dan ben ik blij dat we dat niet konden.