8
De drie weken die volgden raakten Indira en ik, naarmate de feestelijkheden in het Coronation Park zich ontvouwden, in een opmaat voor de grote presentatie van alle prinsen aan koning George, onafscheidelijk. Hoe het haar lukte om zo vaak te ontsnappen, weet ik niet, maar ze was altijd op tijd op onze afgesproken ontmoetingsplaats en dan gingen we op ontdekkingstocht. Het kamp werd ons speelterrein, een tuin vol heerlijkheden voor twee nieuwsgierige kleine meisjes. Bij kraampjes kon je allerlei heerlijk ruikend eten krijgen, zoals panipuris en samosa’s, gevuld met kruidige groenten en goudbruin gefrituurd. Er waren winkeltjes met snuisterijen die allerlei aardewerken en houten figuurtjes verkochten. Indira, die altijd voldoende roepies bij zich leek te hebben, kocht een aardewerken tijger die ik heel mooi vond en gaf die aan mij. ‘Als we niet samen zijn,’ zei ze, ‘kijk je deze tijger in de ogen en weet je dat ik aan je denk.’
Gelukkig had prinses Jameera vaak andere dingen te doen. Ze legde met haar ouders vaak officiële bezoeken af aan de kampen van andere maharadja’s, en dan was mijn aanwezigheid niet vereist. Ik vroeg Indira waarom haar familie haar bij zulke gelegenheden haast nooit nodig leek te hebben.
‘O,’ antwoordde ze schouderophalend, ‘dat is omdat ik het jongste kind ben. Niemand is in mij geïnteresseerd.’
Ik wist dat dit niet helemaal waar was. Er waren momenten waarop Indira mij niet kon ontmoeten en er later over klaagde dat ze uren in een hete tent had moeten zitten terwijl haar ouders met andere mensen praatten. Meestal lukte het ons echter om elkaar elke dag te zien.
Op een ochtend, toen onze tijd samen bijna voorbij was en ik ertegen opzag om terug te keren naar de besloten omgeving van het Moon Palace in Jaipur, straalden haar ogen toen ze op onze afgesproken plek verscheen.
‘Kom,’ zei ze en ze trok me mee, handig tussen de tenten door manoeuvrerend.
‘Waar gaan we naartoe?’ vroeg ik.
‘Dat zul je wel zien,’ antwoordde ze geheimzinnig.
Een paar minuten later kwamen we bij het kamp van de maharadja van Cooch Behar. Indira had het me eerder aangewezen.
‘Allereerst,’ zei Indira, ‘laat ik je kennismaken met mijn favoriete olifant. Ze is nog maar een baby van twee. Ze zou hier helemaal niet moeten zijn, en ze heeft nog niet geleerd om in de stoet mee te lopen, maar ik wilde dat ze meeging. Ze zou zijn weggekwijnd zonder mij en zonder haar moeder.’
Toen we de pilkhana binnengingen, werden mijn neusgaten geprikkeld door de scherpe stank van olifantenmest. Er moesten op zijn minst veertig olifanten in de tent staan, dacht ik, toen Indira mij voorging langs de stallen en ze allemaal bij naam begroette. We liepen rechtstreeks naar het eind van de stallen en in de allerlaatste stond de babyolifant. Toen we naderden, hoorde het jonge dier onze voetstappen en trompetterde naar Indira. Ze herkende haar.
‘Hoe is het, mijn mooie Preema?’ zei Indira en ze drukte haar gezicht tegen de olifant aan. ‘Ik was erbij toen je geboren werd, weet je nog, lieverd?’ De olifant sloeg zijn slurf om mijn vriendin heen. Indira draaide zich naar mij om en pakte twee bananen van een berg die daar lag.
‘Van Ditti, je mahout, mocht ik een naam voor je verzinnen,’ zei ze toen ze de baby-olifant de bananen gaf. ‘Ik besloot je Preema te noemen, wat je in het Latijn spelt als p-r-i-m-a en wat “eerste” betekent, omdat jij de eerste olifant was die ik ooit geboren zag worden.’ Indira keek mij stralend aan. ‘En nu noem ik haar Pretty, want dat is ze, vind je niet?’
Ik staarde in de zachte, trouwe ogen van de olifant en voelde een belachelijk steekje van jaloezie omdat Indira zoveel van haar hield.
‘Ja, ze is heel erg mooi,’ antwoordde ik.
Een kleine, lichtbruine Indiase man dook uit het niets op.
‘Ditti, gedraagt mijn Pretty zich een beetje?’
‘Ja, Uwe Koninklijke Hoogheid, al weet ik zeker dat ze graag weer naar huis wil.’
‘Net als wij allemaal,’ stemde Indira in.
De oudere mahout boog zijn hoofd respectvol toen wij de stal verlieten. Ik besefte dat het de eerste keer was dat ik meemaakte dat mijn vriendin werd behandeld als de prinses die zij in feite was. Er trok opeens een golf van wanhoop door me heen toen ik Indira volgde, de pilkhana uit. Het meisje met wie ik had gelachen en gespeeld en gepraat alsof het mijn zusje was, behoorde tot een andere wereld, ergens ver weg, aan de andere kant van India. En algauw zou ze van mij worden afgenomen en daarnaartoe teruggaan.
Ik voelde tranen bij mij opwellen en ik begon met mijn ogen te knipperen om ze tegen te houden. Indira was het middelpunt van mijn wereld geworden, maar ik besefte nu dat ik slechts tot de periferie van de hare behoorde. Op zijn best had ik haar een paar weken vermaakt. Als de vlinder die zij was, zou ze wegfladderen en ergens anders vermaak vinden.
Ik probeerde mijn gedachten te stoppen en dankbaar te zijn voor de tijd die we samen hadden doorgebracht. Mijn moeder had me mijn hele kindertijd al toegesproken over mijn plotselinge sombere stemmingen. Ze zei dat ik om de een of andere reden de neiging had om mij te laten opslokken door verdriet. ‘Je hebt een gave voor geluk, maar ook een gave voor plotselinge wanhoop,’ had ze ooit tegen mij gezegd.
‘Kom, schiet op! Ik wil je aan nog iemand voorstellen,’ zei Indira.
Ik schudde de sombere gedachten van mij af en deed mijn uiterste best om naar haar te lachen.
‘Wat nu? Dier, mineraal of mens?’
Het was een spelletje dat we vaak speelden en Indira lachte erom.
‘Heel zeker een mens. Ik neem je mee naar mijn moeder.’
Toen ik dat hoorde, begon mijn hart sneller te kloppen. Er werd in de zenana van Jaipur veel gesproken over de beeldschone Ayesha, de maharani van Cooch Behar. Ik had Jameera en haar moeder horen zeggen dat Ayesha zich beter leek te voelen dan de andere maharani’s, omdat ze de keizerin van India, Victoria, had ontmoet, op Buckingham Palace.
‘Ze spreekt Engels en draagt in Europa westerse kleding!’ had Jameera’s moeder uitgeroepen. ‘Maar ook al zijn haar kleren gemaakt door Franse couturiers en is ze behangen met juwelen waarmee haar man haar overlaadt, maakt haar dat nog geen betere Indiase echtgenote of koningin!’
Ik wist dat dat niet de echte reden was waarom Jameera en haar moeder Indira’s moeder wilden kleineren. Het was omdat Jameera’s vader vier dagen geleden een informele bijeenkomst in het Cooch Behar-kamp had bezocht en bij terugkomst had verkondigd dat de maharani van Cooch Behar de mooiste vrouw was die hij ooit had ontmoet.
Mijn lieve kind, sindsdien weet ik dat afgunst onder vrouwen zelden wordt geïnspireerd door intelligentie of status van een andere vrouw of hoeveel juwelen zij bezit. Nee, het is vrijwel altijd het vermogen van een vrouw om een man te verleiden dat de meeste jaloezie opwekt bij vrouwen.
‘Ma!’ riep Indira toen we de vrouwenverblijven van het Cooch Behar-kamp binnengingen. ‘Waar ben je?’
‘Hier, lieverd,’ antwoordde een zachte stem.
Indira trok me voort door een reeks tenten en toen naar buiten, een kleine veranda op die door heen en weer bewegende jacaranda’s werd beschaduwd. Midden op de binnenplaats klaterde een kleine fontein.
‘Ik heb mijn vriendin Anni meegenomen om je te ontmoeten. Mogen we even gedag komen zeggen?’
‘Natuurlijk. Ik ben net klaar met mijn ontbijt.’
Indira’s moeder leunde tegen een stapel zijden kussens, met een ontbijtblad op haar schoot. Ze duwde het onmiddellijk opzij, stond op en liep naar ons toe, haar armen uitgespreid naar haar dochter.
Dit was op zich al een ongewoon gebaar – elke keer als ik in de buurt kwam van een van mijn eigen maharani’s uit de zenana, moest ik altijd voorovergebogen lopen, in een diepe pranaam, tot ik toestemming kreeg om overeind te komen.
‘Waar was je, stoute meid?’ zei de maharani met een glimlach en ze nam Indira in haar armen.
Terwijl ze dit deed, nam ik even de tijd om deze vrouw te bekijken, het onderwerp van zoveel roddel in het kamp. Indira’s moeder droeg geen enkel sieraad of make-up. Haar slanke lichaam was gehuld in een eenvoudig zijden gewaad, en haar lange, donkere, krullende haar hing los rond haar schouders. Ik stond daar en voelde hoe zij haar enorme, intelligente amberkleurige ogen – precies als die van haar dochter – op mij richtte en mij in zich opnam. Ik was het eens met Jameera’s vader; ze was zonder twijfel de mooiste vrouw die ik ooit had gezien.
‘Ik heb Anni mijn baby-olifant laten zien. Dat is alles, Ma.’
De maharani glimlachte en kuste haar dochter op haar hoofd. ‘Nou, dan moet je mij maar eens voorstellen aan je nieuwe vriendin.’
‘Ja, natuurlijk. Anni, dit is mijn moeder Ayesha. Ma, dit is Anahita Chavan.’
‘Hallo, Anahita.’ De maharani gaf me een warme welkomstglimlach, haar perfect gevormde rode lippen omlijstten haar sterke witte tanden. Ik stond voor haar en voelde me overweldigd en verlegen. Haar ongebruikelijke informaliteit, zowel met mij als met haar dochter, droegen alleen maar bij aan haar charme. Uiteindelijk legde ik mijn handen tegen elkaar en boog mijn hoofd in een pranaam. ‘Het is mij een eer u te ontmoeten,’ bracht ik uit en ik wist dat ik bloosde tot mijn haarwortels.
‘Kom bij mij zitten, allebei, en neem wat thee.’ Ayesha leidde ons vriendelijk naar de kussens en wees ons hoe we naast haar moesten gaan zitten. Ik wist niet zeker of ik het wel moest doen, want het was ongehoord dat een maharani zich op dezelfde hoogte bevond als haar onderdanen. In onze zenana zaten wij op de grond en onze maharani’s in stoelen boven ons.
Toen Indira naast haar moeder op de kussens neerknielde, volgde ik haar voorbeeld, maar ik probeerde zo klein en laag mogelijk te blijven. Ayesha klapte in haar handen en er dook onmiddellijk een dienstmeisje uit de tent op.
‘Chai,’ bestelde ze en het meisje boog en verdween weer naar binnen. ‘Anahita,’ zei Ayesha, en ze richtte haar aandacht op mij, ‘Indira heeft het over weinig anders gehad dan haar nieuwe vriendin. Ze vertelt me dat je ook heel goed Engels spreekt. Waar heb je dat geleerd?’
‘Van mijn vader, Uwe Hoogheid. Hij was een geleerde en een leraar,’ bracht ik ademloos uit.
‘Dan heb jij geluk gehad dat jij het geschenk van een opleiding hebt gekregen. Jammer genoeg geloven nog veel vaders dat het niet de moeite waard is om het hoofd van hun dochters met kennis vol te stoppen. Misschien kun jij mijn eigen dochter wat discipline bijbrengen als het om leren gaat,’ zei ze en ze woelde liefdevol door Indira’s haar. ‘Ze is een slim meisje, misschien wel veel slimmer dan haar broers, maar op dit moment heeft ze geen geduld om te leren.’
‘Ma, je weet dat ik tijgertemmer wil worden, geen professor!’ pruilde Indira.
En alweer werd ik getroffen door het gemak en de openheid waarmee moeder en dochter met elkaar spraken.
‘Indira vertelt me dat je in het Moon Palace in Jaipur woont,’ vervolgde de maharani.
‘Inderdaad.’
‘Jaipur is een heel mooie stad.’ Ze glimlachte.
De thee werd gebracht en toen hij was ingeschonken, nam ik een slokje. Ik kon nauwelijks geloven dat ik chai en een stapel zijden kussens deelde met de beroemde, beeldschone maharani van Cooch Behar.
‘Ma, ik kan mijn nieuwe beste vriendin niet achterlaten als we gaan,’ verklaarde Indira opeens. ‘Ik wil dat ze bij ons komt wonen in het paleis in Cooch Behar.’
Alweer bloosde ik hevig en ik keek naar mijn voeten. De maharani trok een perfect gevormde wenkbrauw op. ‘Ik begrijp het.’
Haar blik ging naar mij. ‘En heeft Indira dat met jou besproken, Anahita?’
‘Ik… eh… nee, Uwe Hoogheid,’ stotterde ik.
‘Indira, ik denk niet dat Anahita haar familie, haar huis en haar vriendinnen wil achterlaten om bij ons te komen wonen. Je denkt weer alleen aan jezelf. Ik verontschuldig mij voor mijn dochter, Anahita. Soms praat ze voor ze denkt.’
‘Maar, Ma, ik ben zo eenzaam in het paleis, nu mijn broers en zus naar school zijn. En je zei zelf al dat Anni mij kan helpen met mijn boeken en mijn Engels,’ smeekte Indira. ‘Ze is op dit moment gezelschap van prinses Jameera en doet precies hetzelfde voor haar.’
‘Dan is er zelfs nog meer reden voor Anahita om niet te willen verhuizen. Ik weet zeker dat die arme prinses Jameera haar zou missen. Je kunt nu eenmaal geen mensen stelen, mijn lieve Indira, hoezeer je dat ook zou willen.’
Op dat moment deed ik mijn mond open. Ik wilde zeggen dat ik niets liever wilde dan te worden ‘gestolen’ door mijn nieuwe vriendin. Mijn tong wilde alleen de woorden niet vormen en dus zat ik daar en voelde me ellendig terwijl de maharani haar dochter de les las om haar egoïsme.
‘Maar, Ma, je begrijpt het niet – we zijn onafscheidelijk! Als Anni niet mee mag, dan kwijn ik weg zonder haar,’ drong Indira aan.
‘Dan kunnen we Anni vragen of ze ons komt bezoeken,’ troostte de maharani. ‘Mag ik je ook Anni noemen?’ vroeg ze me.
‘Natuurlijk, Uwe Hoogheid,’ antwoordde ik haastig. ‘En ja, dat zou ik heel graag willen.’
‘Dan zullen we dat regelen. En nu moet ik voortmaken en mij aankleden. We hebben een lunch met de gouverneur-generaal.’ De maharani stond op en ik kwam ook snel overeind. Ze glimlachte weer naar mij. ‘Het was een plezier je te ontmoeten, Anni. Ik hoop dat je ons heel snel komt opzoeken in Cooch Behar.’
Indira moest ook bij de lunch zijn, dus ik liep alleen terug naar mijn kamp. Ik vervloekte mezelf dat ik niets had gezegd toen ik de kans had. Ik had ze moeten zeggen dat ik naar de maan zou verhuizen als dat zou betekenen dat ik bij mijn nieuwe vriendin kon zijn.
Toen de Durbarvieringen hun einde naderden, zag ik Indira minder vaak. Ons eigen kamp werd afgebroken en ingepakt, in voorbereiding op de lange reis terug naar Jaipur.
‘Wat is er toch?’ vroeg Jameera. ‘Je lijkt wel een kat die op zijn staart is getrapt. Heb je het hier niet heerlijk gehad?’
‘Ja, natuurlijk.’
‘Dan zou je dankbaar moeten zijn dat ik je heb meegenomen.’
‘Ik ben heel dankbaar, Jameera.’
Ik zag dat ze haar lippen op elkaar klemde en zich van mij afwendde. Ik wist dat ik haar niet de mate van dankbaarheid en respect had getoond die ze van mij verlangde, maar dat kon mij niets schelen. Bij Indira en haar moeder had ik mij gewenst en gewaardeerd gevoeld en dat was een geweldig, nieuw gevoel.
Op de laatste avond in Delhi kroop ik in bed in de tentkamer die ik met Jameera deelde en knipperde mijn tranen weg. Ik wist dat we de volgende ochtend vroeg zouden vertrekken en dat er geen kans meer zou zijn om afscheid te nemen van Indira. De tranen prikten in mijn ogen en ik liet ze vrijelijk over mijn wangen stromen. We hadden er niet eens aan gedacht om adressen uit te wisselen en ik vroeg me af of een brief waarop alleen stond ‘Prinses Indira in het paleis van Cooch Behar’ haar zou bereiken.
Bovendien, dacht ik ellendig, zou zij teruggaan naar haar mooie prinsessenleven en mij vrijwel zeker vergeten. Eindelijk viel ik in een rusteloze slaap, bij het geluid van het snurken van Jameera.
Ik dacht dat ik droomde toen ik Indira’s stem mijn naam hoorde fluisteren.
‘Anni! Word wakker, word nou wakker!’
Ik opende mijn ogen en zag haar op mij neerkijken. Ik sprong op, was onmiddellijk klaarwakker. ‘Hoe ben je binnengekomen?’ fluisterde ik ontzet. Jameera bewoog in het bed naast mij.
Indira legde haar vinger op haar lippen en stak haar hand uit om mij uit mijn bed te trekken. Als twee spookjes in onze witte nachthemden renden we de kamer uit en door het slapende kamp tot we een losse tentflap vonden en naar buiten konden kruipen. Indira trok me tussen twee tenten, zodat we niet gezien konden worden. ‘Ik kwam afscheid nemen,’ zei ze.
Alle verschrikkelijke, zwarte gedachten over dat ze mij zou vergeten verdwenen als sneeuw voor de zon. Indira was door de nacht naar mij op zoek gegaan voor ze vertrok en ik voelde me schuldig dat ik aan haar had getwijfeld. Mijn ogen vulden zich weer met tranen. Spontaan stak ik mijn armen naar haar uit en zij liet zich door mij omhelzen. Zij drukte mij dicht tegen zich aan.
‘Ik zal je zo missen,’ huilde ik op haar schouder.
‘Ik jou ook,’ zei ze, met net zo’n betraand gezicht als ik. ‘Maar maak je geen zorgen, liefste Anni. Ik vind een manier. Jij komt bij mij wonen in Cooch Behar en dan zullen we altijd samen zijn.’
‘Indy, ik zie niet hoe…’
‘Vertrouw me,’ fluisterde ze, ‘er is altijd een manier. Nu moet ik terug, voor ze ontdekken dat ik weg ben, maar…’ Ze haalde het kleine gouden Ganesh-hangertje van haar hals en hing het om de mijne. ‘Dit is opdat je mij nooit zult vergeten. Vaarwel, zusje, ik houd van je. En ik beloof dat het niet lang zal duren voor we weer samen zijn.’
Met een laatste, ondeugende twinkeling in haar ogen, vloog Indira als een spookje de nacht in.
Mijn hand ging wel honderd keer naar de hals van mijn lijfje toen we de lange reis terug naar Jaipur maakten. Daarin was Indira’s hangertje verborgen. Ik durfde het niet aan Jameera te laten zien – ze zou onmiddellijk denken dat ik het had gestolen, het was zo mooi.
Eenmaal terug in het Moon Palace leek iedereen om mij heen snel weer te wennen aan de gewone dagelijkse routine. Hoe ik ook mijn best deed, mij lukte dat niet. Ik wachtte om te zien met welk plan Indira zou komen. Ze had gezworen dat ze mij niet zou teleurstellen.
Toen het 1912 werd, waren er al enkele weken voorbijgegaan zonder dat ik iets van haar had gehoord, ondanks dat ik mijn aardewerken tijger diep in de ogen keek en Indira smeekte mij niet te vergeten.
Eind januari, net toen ik de moed begon te verliezen, werd ik plotseling door Jameera’s moeder ontboden in haar verblijven.
‘Kom,’ zei mijn moeder, en ze waste mijn gezicht ruw met een washand en kamde mijn haren. ‘De maharani wil je zien. Je moet er op je best uitzien.’
Ik werd naar de vertrekken van de maharani gebracht en maakte mijn gebruikelijke diepe pranaam om mijn respect te tonen.
‘Alsjeblieft, ga zitten, kind, en jij ook, Tira,’ gebaarde de maharani.
We zaten allebei met gekruiste benen voor haar op de grond.
‘Ik heb vanochtend een brief ontvangen van Ayesha, de maharani van Cooch Behar. Ze vertelt me dat haar dochter Indira bevriend met je is geraakt, Anahita, toen jullie samen op de Coronation Durbar waren. Klopt dat?’
Ik dacht na over haar vraag en wist niet goed hoe ik moest antwoorden. Misschien zag zij mijn vriendschap met een andere prinses als een belediging van haar dochter. Ik zocht in haar gezicht naar aanwijzingen, maar zoals altijd toonde ze weinig emotie.
Ik besloot daarom de waarheid te vertellen.
‘Ja, Hoogheid, we werden goede vriendinnen.’
‘Zo goed dat de maharani schrijft dat prinses Indira blijkbaar weigert te eten tot jij toestemming krijgt om naar haar toe te gaan. Ze is, volgens haar moeder, erg ziek geworden.’
Ik wist niet zeker of de maharani dit geloofde of niet.
‘Is ze heel erg ziek?’ vroeg ik bezorgd.
‘Ziek genoeg dat haar moeder mij persoonlijk heeft gevraagd om jou onmiddellijk naar Cooch Behar te laten reizen om prinses Indira te bezoeken.’
Ik draaide me om en keek naar mijn moeder, wier gezicht al even uitdrukkingsloos was.
‘Hoe denk jij erover, kind?’ vroeg de maharani.
Ik deed mijn best om somber en bezorgd te kijken, want ik had besloten dat het niet handig was om haar te vertellen dat het vuur dat in mijn hart smeulde plotseling was opgelaaid als duizend brandbommen tegelijk.
‘Natuurlijk zou ik vereerd zijn om prinses Indira te helpen, als zij mij inderdaad nodig heeft,’ zei ik. Mijn hoofd was zo diep gebogen dat geen van de vrouwen de vreugde zag die in mijn ogen opgloeide.
‘En jij, Tira?’ vroeg de maharani. ‘Ben jij bereid vele weken lang je dochter zo ver weg te laten gaan?’
Mijn moeder, die nu eenmaal mijn moeder was, kende mijn hart en hoe het daarmee gesteld was. Ze knikte. ‘Net als Anahita ben ik vereerd om haar te laten doen wat Hare Hoogheid vraagt.’
‘Ik heb al met prinses Jameera gesproken, en zij is het ermee eens dat Anahita moet gaan,’ voegde de maharani eraan toe.
Ik kon nog net voorkomen dat ik mijn ogen ten hemel hief om dank te zeggen. Het was geen verrassing dat Jameera zich er niet tegen verzette dat ik ging. Ze had een veel plooibaarder metgezel nodig dan ik was.
‘Goed, als we het er dan allemaal over eens zijn, Anahita, dan zullen regelingen worden getroffen door de maharani van Cooch Behar dat jij daarnaartoe kunt reizen.’
‘Dank u, Uwe Hoogheid,’ zei ik en ik boog mijn hoofd weer. ‘Wanneer zal ik vertrekken?’ kon ik niet laten te vragen.
‘Zodra de regelingen zijn getroffen.’
Mijn moeder en ik verlieten de kamer achterwaarts. Zodra we uit zicht waren, sloeg ze haar armen om mij heen. Ze pakte me bij mijn kin en keek mij in de ogen.
‘Is dit wat je wilt?’ vroeg ze mij.
‘Meer dan wat ook, Maaji.’