9
En dit, mijn lieve kind, opende, zoals de astroloog had voorspeld, echt een nieuw hoofdstuk in mijn leven. Er was een adjudant meegestuurd om mij van Jaipur naar Cooch Behar te vergezellen. Toen ik uit de trein stapte, die op een enkelspoor reed dat speciaal was aangelegd om Cooch Behar, de meest noordoostelijke Indiase provincie, te bereiken, keek ik omhoog en zag ik in de verte het silhouet van het Himalayagebergte zich aftekenen tegen de hemel. Een kruier droeg de gehavende koffer die ooit van mijn vader was geweest en ik zag dat er een tonga met een paard ervoor was gestuurd om mij af te halen.
Voor ik Jaipur had verlaten, had ik alles gelezen wat ik maar kon vinden over Indira’s afgelegen provincie. Het is moeilijk voor iemand die nog nooit in India is geweest om zich voor te stellen hoe één land zoveel verschillende klimaten en landschappen kan omvatten. India is een land van tegenstellingen, elke staat bevat een heleboel verschillende culturen, talen en volken. We worden vaak als één land op een hoop gegooid, maar alles aan ons enorme land is dramatisch en gevarieerd.
Toen de koetsier mij hielp instappen, plakten mijn kleren direct aan mijn klamme huid vast. Het klimaat was hier warm en vochtig, zo anders dan de droge, verstikkende warmte van Jaipur.
Toen we door de stad reden, zag ik dat de huizen eenvoudige bouwsels waren van bamboe en riet, met daken die door weelderig bloeiende hibiscus waren overdekt. Ze stonden op palen om ze te beschermen tegen de overstromingen tijdens de moesson. Niemand verspilde zijn geld aan het bouwen van stenen huizen zoals in Jaipur, die wel twee- tot driehonderd jaar konden meegaan. In Cooch Behar waren de eigenaren zich maar al te bewust dat er weer een overstroming of aardbeving kon komen die hun huizen met zich mee kon sleuren.
Het paard draafde over de stoffige, rode wegen en ik staarde nieuwsgierig uit het raam om een eerste glimp van het paleis te kunnen opvangen. We waren al een eindje de stad uit toen ik het zag. Het leek reusachtig, met twee grote vleugels aan weerszijden van een grote koepel in het midden. We reden door het park, waarvan de goed onderhouden gazons zich naar alle kanten uitstrekten. Ik hoorde het getrompetter van olifanten vanuit de pilkhana en ik zag een meer dat net zo breed was als het paleis.
Ook toen al vond ik het paleis er niet erg traditioneel Indiaas uitzien en later hoorde ik dat het exterieur was geïnspireerd op de stijl van een Engels landhuis. Vanbuiten gaf de stevige bakstenen constructie en het ontbreken van het verfijnde Indiase maaswerk bij de ramen het een sobere uitstraling, in tegenstelling tot de delicate schoonheid van het Moon Palace in Jaipur.
Ik heb het contrast in sfeer tussen de buitenkant en de binnenkant van Indiase paleizen altijd opmerkelijk gevonden: voor wie buiten staat lijken ze verlaten, omdat vrijwel alles zich afspeelt op de vele beschaduwde binnenplaatsen die speciaal zijn ontworpen om de bewoners te beschermen tegen de brandende Indiase zon. Nu ik dit schrijf, bedenk ik me dat dit ook een goede metafoor is voor mensen: vaak verraadt hun stille, serene buitenkant de levendige geest die in hen huist niet.
En dit was zeker het geval toen ik aankwam in het Cooch Behar Palace. Toen mijn tonga tot stilstand kwam en de deur voor mij werd opengehouden, zodat ik kon uitstappen, bedacht ik me dat ik nog geen levende ziel had gezien sinds we het park waren binnengereden.
Toen de koetsier mijn kleine koffer uitlaadde, hoorde ik een stem achter me.
‘Verrassing!’
Indira sprong als een aap op mijn rug en sloeg haar slanke, bruine armen om mijn nek.
‘Au!’ zei ik toen ze met haar armband in mijn haren bleef hangen. Ze liet onmiddellijk los en draaide me om om haar aan te kijken.
‘Je bent er! Ik zei je toch dat ik het voor elkaar zou krijgen!’
‘Ja, ik ben er,’ zei ik. Ik voelde me uitgeput na de lange reis en plotseling verlegen en ongemakkelijk nadat ik haar zoveel weken niet had gezien.
Ik zocht direct naar tekenen van de ziekte die in de brief van haar moeder zo levendig was beschreven. Haar ogen straalden echter en haar dikke, zwarte haar glansde met een blauwe gloed toen de zon erop viel. Haar tanige gestalte leek niet magerder dan de vorige keer dat ik haar zag.
‘Ik dacht dat je heel erg ziek was,’ mopperde ik op haar. ‘Ik kon haast niet slapen van bezorgdheid sinds ik het hoorde.’
Ze legde haar handen op haar smalle heupen en rolde met haar ogen. ‘Dat was ik ook,’ zei ze. ‘Ik was zo ziek dat ik wekenlang niet kon eten. Ma liet allemaal dokters komen om erachter te komen wat er met mij aan de hand was. De dokters waren het erover eens dat ik naar iets verlangde. Of iemand. En toen, zodra Ma had besloten dat jij moest komen, kwam ik uit bed en voelde me opeens weer hongerig en gezond. Is het geen wonder?’ Indira wapperde met haar handen naar de hemel. ‘Sindsdien eet ik als een paard.’ Ze keek naar mij en haar ogen werden serieus. ‘Ik heb je zo gemist, Anni. Ik denk dat ik was doodgegaan als je niet was gekomen.’
Ik was onder de indruk van de list die ze had gebruikt om er zeker van te zijn dat ik zou komen. Ik was van nature wantrouwig, zeker als het aankwam op koninklijke families en prinsessen en mijn gevoelens moeten van mijn gezicht af te lezen zijn geweest.
‘Anni, je twijfelde aan me, is het niet?’
Ik boog zwijgend mijn hoofd en keek toen naar haar op. Ik greep haar handen vast. ‘Ja, het spijt me dat ik moet zeggen dat dat zo is. Ik zal nooit meer aan je twijfelen, lieve vriendin.’
Mijn eerste weken in Cooch Behar Palace met Indira waren vol nieuwe, spannende ervaringen. Het paleisleven en mijn dagelijkse routine zouden niet méér kunnen verschillen van waar ik in Jaipur aan gewend was. Ik was door de vrouwen van mijn oude zenana eindeloos gewaarschuwd dat de maharani van Cooch Behar haar vrouwelijke hofhouding niet op een goede hindoemanier bestierde. Niet alleen hield zij zich binnen de paleismuren niet aan de purdah, maar Ayesha was met haar familie vele malen over het water weg van India gereisd. Dit betekende, in de strengste interpretatie van de hindoereligie, dat de gehele koninklijke familie het kastesysteem had doorbroken.
De dames in Jaipur hadden me ook met een ernstig gezicht verteld dat de maharani meer westers leek dan Indiaas. En dat haar paleis voortdurend vol buitenlandse gasten was, onder wie Europese aristocraten en Amerikaanse acteurs. Ik had met een al even ernstig gezicht teruggeknikt toen ik naar hun litanie van kritiek luisterde. Zij konden niet weten dat deze verhalen mij vervulden met een onvoorstelbare opwinding.
En ik ontdekte al snel dat vrijwel alles wat ze verteld hadden, klopte. De maharani leidde haar paleis en haar gezin op een moderne wijze. Elke ochtend stonden Indira en ik bij zonsopgang op om naar de stallen te gaan, waar twee perfect verzorgde en opgezadelde paarden op ons stonden te wachten. Eerst kon ik Indira niet bijhouden; ze bleek een uitstekend ruiter te zijn. Als ik in razende vaart door het park galoppeerde, lachend en gillend met de wind langs mijn gezicht, voelde ik mij levend en vrij en gelukkiger dan ik mij ooit had gevoeld.
Het duurde vele weken voor ik sneller kon galopperen dan zij, maar toen mij dat uiteindelijk lukte, gilde Indira van plezier om mijn overwinning.
Na het ontbijt gingen we op weekdagen een grote ruimte binnen waar we door een privéleraar werden onderwezen. Indira had de aandachtsspanne van een mug en het kostte me al mijn overredingskracht om haar bij de les te houden. Ik zag hoe ze verlangend naar buiten keek en wachtte op het moment waarop we naar buiten konden, naar haar dierbare olifant Pretty, en een kort ritje op haar rug konden maken, of konden tennissen op de schitterend aangelegde tennisbaan.
Ik genoot juist van de gelegenheid mijn kennis te vergroten. Onze Britse onderwijzer was een leraar Engels, die mij stimuleerde in mijn liefde voor boeken. Terugkijkend denk ik dat hij net zo blij was om mij in zijn klaslokaal te hebben als ik was om er te zijn. Mijn Engelse vocabulaire werd steeds beter en ik deed mijn best, zoals ik door de maharani was gevraagd, om zoveel als mogelijk was met haar dochter in het Engels te converseren.
De maharani had ook een Engelse gouvernante in dienst genomen om voor haar jongste dochter te zorgen. Miss Reid was een vriendelijke vrouw die er duidelijk een hard hoofd in had dat dit wilde kind dat aan haar was toevertrouwd ooit een dame zou worden.
Talloze malen negeerde Indira haar smeekbedes om niet te laat te komen voor de lunch of om na de lunch stil met een boek in het klaslokaal te zitten. Zodra Miss Reid zich had omgedraaid, knipoogde Indira naar mij en waren we vertrokken om buiten een volgend avontuur te beleven.
Een van mijn favoriete delen van het paleis was de enorme bibliotheek, die kostbare eerste drukken bevatte van beroemde schrijvers uit de hele wereld. De glazen kabinetten waarin de boeken stonden bleven altijd op slot; ze waren gewoon versiering, een deel van de inrichting, en ik betwijfelde of een van de titels ooit van de plank was gepakt en gelezen in de jaren dat ze er stonden. Ik had vaak naar de planken gekeken en mijn vingers jeukten om een boek eraf te pakken en het vast te houden. Ik moest het doen met de stukgelezen exemplaren van Wuthering Heights, Oliver Twist en Shakespeare’s Hamlet die mijn leraar uit Engeland had meegenomen. Op die lange, vredige middagen heb ik ze steeds weer herlezen.
Vele andere middagen werden rustend doorgebracht in de mooie, luchtige slaapkamer die ik met Indira deelde. Ik lag op mijn bed en staarde naar de azuurblauwe muren, versierd met handgeschilderde Himalayazonnebloemen en dankte de goden omstandig dat zij mij hiernaartoe hadden gebracht. Indira viel, waarschijnlijk omdat ze zoveel nerveuze energie verbruikte als ze wakker was, onmiddellijk in slaap, maar ik herkauwde de gebeurtenissen van de dag tot dan toe.
Als het begon te schemeren, kwam het paleis weer tot leven. Dit was het moment van de dag waar ik het meest van hield; het gevoel van verwachting over de avond die komen ging vervulde ons allemaal. Er waren altijd talloze exotische gasten uit de hele wereld uitgenodigd voor het diner. Indira en ik keken hoe de bedienden de tafel in de reusachtige eetzaal dekten met massief gouden serviezen, zware messen en vorken ingelegd met edelstenen en enorme vazen vol schitterende bloemen. De lucht was zwaar van de wierook die door een bediende door de kamers werd verspreid in een zilveren dhuan.
Op mijn eerste avond in het paleis maakten we ons na ons avondeten op voor het volgende ritueel. Toen Indira me had verteld waar we naartoe gingen, was ik geschokt geweest.
‘We gaan kijken hoe je moeder zich aankleedt en zich voorbereidt op de avond? Waarom?’ had ik gevraagd.
‘Ik weet het ook niet. Ze vindt het gewoon fijn als we daar allemaal bij elkaar zijn.’ Indira had haar schouders opgehaald.
Onderweg door de enorme, overkoepelde Durbarhal, die het centrale gedeelte van het paleis vormde en waarvan de ingang hoog genoeg was om een volwassen olifant met een howdah op zijn rug door te laten, dacht ik eraan hoe vreselijk ik het zou vinden als er een publiek kwam kijken hoe ík mij aankleedde.
Toen we de privévertrekken van de maharani waren binnengegaan, kon ik nauwelijks geloven hoeveel mensen zich in haar boudoir hadden verzameld. Meiden, familieleden, vrienden en wij, de kinderen, vulden de kamer. En daar, te midden van de drukte, aan haar fijn besneden parelmoeren kaptafel, zat de maharani zelf.
Indira had mij door de menigte meegetrokken naar haar moeder.
‘Anni is hier, Ma, ze is hier!’ had ze vol enthousiasme uitgeroepen.
‘Dat zie ik.’ De maharani had liefdevol naar ons allebei gelachen. ‘En nu hoop ik, lieve Indira, dat je gezondheid en eetlust volledig zullen terugkomen.’ Ze had naar mij gekeken en we hadden een veelzeggende blik van wederzijds begrip uitgewisseld. ‘Welkom Anni, ik hoop dat je gelukkig zult zijn hier bij ons in het paleis.’
‘Dank u,’ had ik geantwoord. ‘Dat zal wel lukken.’
Die eerste avond, moet ik bekennen, hoorde ik nauwelijks wat zij zei. Ik was gefascineerd door haar gezicht, haar met kohl omrande ogen, haar lippen die rood werden toen ze ze zorgvuldig kleurde met een penseel en een klein doosje pigment. De geur van haar favoriete Franse parfum vulde de kamer toen ze erin slaagde zich klaar te maken terwijl ze op hetzelfde moment hof hield met haar entourage en behendig wisselde van Hindi naar Engels en Bengali, afhankelijk van met wie ze sprak.
‘Kom,’ had Indira gezegd, ‘ik laat je de rest van Ma’s kamers zien.’ Ze trok me de badkamer in, waarin een westerse badkuip stond – wij meisjes gingen op een ruwhouten bankje zitten en lieten water over ons gieten uit grote zilveren urnen – en in haar wit met gouden slaapkamer met hoog plafond stond een reusachtig marmeren bed. Langs alle kamers liep een schaduwrijke veranda die uitkwam op een binnenplaats vol jacaranda’s, hibiscus en jasmijn.
Mijn zoon, als er ooit een echte sprookjeskoningin heeft bestaan, een die jong, mooi en vriendelijk was en in een weelderig paleis woonde, dan was het Ayesha, de maharani van Cooch Behar. En ik raakte volledig door haar betoverd, net als iedereen.
Later, toen de maharani – adembenemend in een prachtig geborduurde smaragdgroene sari – eindelijk klaar was om haar gasten te begroeten, keerden Indira en ik terug naar onze kamer, waar Miss Reid ons in ons nachthemd hielp en naar bed bracht.
‘Vind je niet dat Ma de mooiste vrouw van de hele wereld is?’ had Indira mij gevraagd.
‘Ja, de allermooiste,’ had ik zonder aarzelen geantwoord.
‘En het mooiste is,’ had ze gezegd, met een slaperige geeuw, ‘dat mijn ouders zoveel van elkaar houden. Mijn vader aanbidt haar. En hij is de knapste man op de hele wereld. Ik kan niet wachten tot je hem zult ontmoeten.’
Er kwam een hand uit de schaduw naar mij toe en ik gaf haar de mijne. ‘Welterusten, liefste Anni,’ had ze met een tevreden zucht gezegd. ‘Ik ben zo blij dat je hier bent.’